ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5591
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit van een Soedanese vreemdeling
Verzoeker, een Soedanese staatsburger behorend tot de Nuba-bevolkingsgroep, heeft een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling in Nederland. Hij stelde dat hij politieke vervolging vreesde vanwege zijn lidmaatschap van de SPLM en zijn activiteiten in Oekraïne en Soedan. Verzoeker beweerde onder meer dat hij in 1998 terugkeerde naar Soedan en daar werd mishandeld en gehersenspoeld.
De president van de rechtbank achtte het verhaal van verzoeker echter onaannemelijk, vooral omdat hij deze terugkeer naar Soedan niet tijdig had gemeld en zijn verklaringen inconsistent waren. Tevens was niet aannemelijk dat hij een gegronde vrees voor vervolging had in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook was geen sprake van een reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Verder oordeelde de rechtbank dat de weigering van de voorwaardelijke verblijfsvergunning terecht was, mede omdat verzoeker een verblijfsalternatief had in Oekraïne waar hij zeven jaar verbleef met een geldige verblijfsvergunning. De rechtbank stelde dat de uitleg van de wet door verweerder niet onjuist was en dat het besluit zorgvuldig was gemotiveerd.
Op grond van deze overwegingen werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en de uitzetting mocht doorgaan zolang het bezwaar aanhangig was. De rechtbank zag geen aanleiding om direct in de hoofdzaak uitspraak te doen en vond geen grond voor kostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbesluit wordt afgewezen.