ECLI:NL:RBSGR:2001:AD3260
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep Afghaanse asielzoeker tegen weigering vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning
Eiser, een Afghaan die sinds maart 1999 in Nederland verblijft, vroeg toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning zonder beperkingen. Zijn aanvraag werd afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid en hij kreeg een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Na bezwaar en beroep handhaafde de Staatssecretaris het besluit. De rechtbank moest beoordelen of eiser nog procesbelang had na inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000, die per 1 april 2001 de oude wet verving.
De rechtbank oordeelde dat het beginsel van eerbiedigende werking geldt: aanvragen worden beoordeeld naar het recht op het moment van indiening, tenzij het nieuwe recht gunstiger is. De nieuwe wet voorziet niet in het voortbestaan van oude verblijfsvergunningen zonder beperkingen, waardoor eiser geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft toegezegd dat bij eventuele intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd de status opnieuw kan worden beoordeeld.
Inhoudelijk vond de rechtbank het asielrelaas van eiser onvoldoende aannemelijk. De Taliban zou niet gericht naar hem zoeken, en zijn lidmaatschap van de DVPA en familieactiviteiten boden onvoldoende grond voor vluchtelingenstatus. Ook was geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de weigering van vluchtelingenstatus en verblijfsvergunning zonder beperkingen wordt bevestigd.