ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2749
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Quadekker
- Stemker Köster
- Spliet
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na drugshandel en organisatiecriminaliteit
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit zijn betrokkenheid bij handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie.
Na uitgebreid strafrechtelijk financieel onderzoek en meerdere zittingen werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op circa 29,3 miljoen gulden, waarvan de officier van justitie een betalingsverplichting van 26,1 miljoen gulden vorderde. De rechtbank oordeelde dat de vordering gegrond is en legde de betalingsverplichting op, met een vervangende hechtenis van zes jaar bij niet-betaling.
De verdediging voerde onder meer niet-ontvankelijkheid aan wegens overschrijding van de redelijke termijn en schending van het recht op een eerlijk proces, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank benadrukte dat de ontnemingsprocedure voldoet aan de eisen van het EVRM en dat de bewijslast en bewijswaardering in lijn zijn met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De zaak betreft soortgelijke feiten als waarvoor veroordeelde eerder is veroordeeld, waaronder handel in XTC, hash, amfetamine en heroïne in de periode van november 1995 tot oktober 1996. De rechtbank verwierp het draagkrachtverweer en bevestigde dat ontneming ook kan plaatsvinden als het voordeel reeds is verbruikt.
Uitkomst: Veroordeelde moet ƒ 26.145.829,- betalen aan de Staat, bij niet-betaling zes jaar vervangende hechtenis.