ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1414
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid aanhouding en bewaring vreemdeling wegens overtreding verkeersvoorschriften
Een vreemdeling werd aangehouden wegens het niet dragen van een autogordel, een overtreding van artikel 34 van Pro de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). De verbalisant vroeg de vreemdeling naar zijn naam en verblijfsstatus, waarbij het vragen naar de verblijfsstatus onbevoegd was. De vreemdeling weigerde zijn naam te geven en kon zijn verblijfsstatus niet aantonen, waarna hij werd aangehouden en overgebracht naar het politiebureau.
De vreemdeling stelde dat de aanhouding onrechtmatig was vanwege de onbevoegdheid van de verbalisant om naar de verblijfsstatus te vragen, en dat de daaropvolgende bewaring onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat de aanhouding rechtmatig was omdat het niet verstrekken van de naam een strafbaar feit opleverde en de verbalisant bevoegd was tot aanhouding en overbrenging voor identificatie.
Hoewel het vragen naar de verblijfsstatus onbevoegd was, leidde dit niet tot onrechtmatigheid van de aanhouding. De bewaring werd gerechtvaardigd geacht omdat de vreemdeling geen geldige verblijfsstatus of identiteitspapieren had, geen vaste woon- of verblijfplaats kon aantonen, onvoldoende middelen van bestaan had en niet had aangetoond zich te hebben gemeld bij de vreemdelingentoezicht. De rechtbank vond dat het belang van de openbare orde de bewaring rechtvaardigde en dat er voldoende zicht was op uitzetting.
Het verzoek van de vreemdeling om schadevergoeding werd afgewezen omdat de bewaring niet werd opgeheven. Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard. De uitspraak is gedaan door rechter Y.J. Klik op 6 maart 2001.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt gehandhaafd.