ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1170
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening en bezwaar verblijfsvergunning vluchteling
Verzoeker, een vreemdeling met de Joegoslavische nationaliteit, heeft meerdere aanvragen ingediend voor toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf (vtv). Na verschillende afwijzingen en bezwaren is het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om uitzetting te voorkomen zolang het bezwaar niet is behandeld.
De president van de rechtbank overweegt dat een brief van de Landelijk Coördinator Vreemdelingenzaken waarin wordt aangegeven dat verzoeken om voorlopige voorzieningen bij langdurig uitblijven van een beslissing in beginsel worden toegewezen, niet bindend is voor de rechter en geen inhoudelijke beoordeling van het geschil vervangt. De president oordeelt dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de hoofdzaak en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Inhoudelijk wordt geoordeeld dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als vluchteling moet worden toegelaten. Zijn asielrelaas is inconsistent en niet geloofwaardig. Ook voldoet hij niet aan de criteria voor dienstweigering of desertie als vluchtgrond. Daarnaast is geen sprake van een wezenlijk Nederlands belang of humanitaire redenen voor verblijf. Verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden van het driejarenbeleid vanwege eerdere verblijfstitel en contra-indicaties zoals strafbare feiten.
De president verklaart het bezwaar ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er zijn geen omstandigheden voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door president Winfield op 8 maart 2001.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.