ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8048
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing ongewenstverklaring vreemdeling na gewijzigde beleidsinzichten
Eiser, een Marokkaanse vreemdeling die sinds 1978 in Nederland verblijft, werd in 1988 ongewenst verklaard en zijn vergunning tot vestiging ingetrokken. Na diverse verzoeken om opheffing van deze maatregel, die werden afgewezen, stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het bestreden besluit van 26 maart 1999, waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, niet in stand kon blijven.
De rechtbank overwoog dat het beleid dat opheffing van een ongewenstverklaring afhankelijk stelt van een verblijf buiten Nederland van tien jaar niet onredelijk is, maar dat verweerder in dit geval niet aan dit beleid kon vasthouden. Dit vanwege een gewijzigd beleidsstandpunt waarbij eiser bij de toen geldende normen niet ongewenst zou zijn verklaard. Daarnaast werd meegewogen dat eiser geen strafbare feiten meer had gepleegd sinds de ongewenstverklaring, zijn familie in Nederland woont en het belang van de openbare orde minder zwaar weegt dan het familieleven van eiser.
Gelet op deze belangenafweging achtte de rechtbank het onredelijk om de opheffing te weigeren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, verklaarde het bezwaar gegrond en hief de ongewenstverklaring op. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank heft de ongewenstverklaring op en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.