ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6678
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker, een vreemdeling met de Joegoslavische nationaliteit, heeft een aanvraag tot toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie zijn afgewezen. Vervolgens is verzoeker ongewenst verklaard op grond van zijn onherroepelijke veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf wegens een opzettelijk misdrijf.
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit tot ongewenstverklaring te schorsen, stellende dat hij een affectieve relatie onderhoudt met een in Nederland verblijvende vrouw. De rechtbank overweegt dat verzoeker geen verblijfsrecht heeft en dat het verzoek om een verbod tot uitzetting niet kan worden ingewilligd.
De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris op grond van het beleid en de wet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een voorlopige voorziening rechtvaardigen. Ook het ontbreken van informatie over een termijn voor opheffing van de ongewenstverklaring schaadt verzoeker niet, aangezien zijn gemachtigde hiervan op andere wijze op de hoogte was.
De rechtbank wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot het opleggen van proceskosten aan partijen.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de ongewenstverklaring wordt afgewezen.