ECLI:NL:RBSGR:1995:ZA6084
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing onrechtmatige inbewaringstelling wegens niet-aangewezen detentieplaats
Eiser werd op 6 april 1995 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. De bewaring vond aanvankelijk plaats op een politiebureau, maar tussen 11 en 19 april 1995 verbleef eiser in een passantenverblijf binnen het cellencomplex van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol, dat formeel geen politiebureau of huis van bewaring is en niet is aangewezen als een ruimte bedoeld in artikel 7a of 18b van de Vreemdelingenwet.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring in deze periode niet aan de wettelijke vereisten voldeed, omdat de ruimte niet was aangewezen door verweerder, zoals vereist volgens artikel 7a, vierde lid, Vw en het Reglement regime grenslogies. Hierdoor was de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 11 april 1995 onrechtmatig uitgevoerd.
Verweerder voerde aan dat de locatie materieel vergelijkbaar was met een aangewezen plaats en dat de bewaring noodzakelijk was vanwege het onderzoek naar de nationaliteit van eiser. De rechtbank oordeelde echter dat vanwege de aard van de vrijheidsontnemende maatregel strikte naleving van de formele regels vereist is, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank besloot de inbewaringstelling op te heffen en verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Het verblijf van eiser vanaf 19 april 1995 in het Grenshospitium deed niet af aan de onrechtmatigheid van de eerdere bewaring.
Uitkomst: De rechtbank heft de inbewaringstelling op wegens onrechtmatige bewaring in een niet-aangewezen ruimte.