ECLI:NL:RBROT:2026:9219

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
10-250190-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 48 SrArt. 49 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen criminele uitbuiting minderjarige en medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijf op haventerrein

De rechtbank Rotterdam heeft op 2 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een zestienjarige verdachte die werd verdacht van medeplegen van criminele uitbuiting van een minderjarig meisje en medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijf op een haventerrein. De verdachte had via Snapchat de minderjarige geworven om midden in de nacht tassen met verdovende middelen uit een vrachtschip te halen en vervulde een coördinerende rol bij het vervoer van de minderjarige.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van wederrechtelijk verblijf op het haventerrein, maar verklaarde bewezen dat hij zich schuldig had gemaakt aan medeplegen van criminele uitbuiting en medeplichtigheid aan het wederrechtelijk verblijf. De bewijsvoering was gebaseerd op camerabeelden, telefoongegevens, en verklaringen, waaruit bleek dat de verdachte nauw contact hield met betrokkenen en financieel voordeel zocht.

De rechtbank legde een werkstraf van 35 uur, een leerstraf van 40 uur (deelname aan gedragsinterventie So-Cool) en een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar op. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer medewerking aan hulpverlening. De strafmaat hield rekening met de ernst van de feiten, de jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een hoog recidiverisico en eerdere jeugdbeschermingsmaatregelen.

De rechtbank benadrukte het ondermijnende effect van het inzetten van minderjarigen in criminele activiteiten en veroordeelde het gedrag van de verdachte als willens en wetens bijdragen aan deze uitbuiting, ondanks zijn eigen jeugdige leeftijd. De opgelegde straffen zijn bedoeld om de verdachte bewust te maken van de gevolgen van zijn handelen en herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot werkstraf, leerstraf en voorwaardelijke jeugddetentie voor medeplegen criminele uitbuiting minderjarige en medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijf.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team 3
Parketnummer: 10-250190-25
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [plaatsnaam] ,
raadsvrouw mr. R.S. Boonstra , advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 19 mei 2026.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde (medeplegen van wederrechtelijk verblijven op een haventerrein);
  • bewezenverklaring van het onder 1 (medeplegen van criminele uitbuiting van een minderjarige) en onder 2 subsidiair (medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijven op een haventerrein) ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 35 uren, met aftrek van voorarrest;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool, voor de duur van 40 uren;
  • veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar met de algemene en bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd en daarbij als aanvullende bijzondere voorwaarden dat de verdachte inzage geeft in zijn social media gebruik en dat de verdachte zal meewerken aan hulpverlening;
  • met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering t.a.v. feit 2 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van wederrechtelijk verblijven op een haventerrein niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering t.a.v. feit 2 subsidiair
De onder 2 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan wederrechtelijk verblijven op een haventerrein is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.3.
Bewijswaardering t.a.v. feit 1
4.3.1.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is het volgende aangevoerd.
De verdachte heeft wellicht de [minderjarige] geworven voor het plegen van het strafbare feit, maar er is geen sprake van een oogmerk van uitbuiting. Hierbij speelt mee dat de verdachte en het slachtoffer nagenoeg van dezelfde leeftijd zijn waardoor er geen sprake is van een ongelijke situatie en evenmin van enige mate van afhankelijkheid. Daarnaast heeft de gedraging voor beperkte duur plaatsgevonden en is er in het onderhavige geval geen sprake van zodanige omstandigheden die maken dat deze in de weg zouden staan aan een vrijspraak. De verdachte heeft enkel als een soort ‘postduif’ opgetreden, waarbij hij een tussenpersoon was tussen de daadwerkelijke opdrachtgever en het slachtoffer.
4.3.2.
Beoordeling
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op 10 augustus 2025 omstreeks 01:43 uur zijn verbalisanten van de Zeehavenpolitie opgeroepen om naar het haventerrein van de EECV te Europoort Rotterdam te gaan. Door cameratoezicht van de Douane wordt namelijk gezien dat twee personen op het haventerrein lopen. Zij zien omstreeks 02:14 uur beide personen rennend in beeld komen richting de gangway van motorschip Bulk Tirreno, dat was afgemeerd aan de kade van de EECV. Ter hoogte van de gangway was er een vorm van contact met een bemanningslid van de Bulk Tirreno, waarna de twee personen weggerend zijn in de richting van ADM Europoort. Een kraanmachinist op het terrein van EECV heeft omstreeks 02:20 uur een melding gemaakt van twee personen die langs de waterkant liepen in de richting van de ADM-terminal. Zij zouden volgens hem onder het hek door zijn gegaan.
Omstreeks 02:40 uur wordt door de Douane gezien dat een witte Toyota Yaris met kenteken [kenteken] aan komt rijden richting ADM Europoort. Dit voertuig seint meerdere keren naar de twee eerdergenoemde personen, waarna zij in het voertuig stappen. Niet veel later wordt de genoemde auto stilgezet en worden de inzittenden van het voertuig aangehouden. Eén van de twee personen die als bijrijders worden aangehouden, blijkt de zestienjarige [minderjarige] te zijn. De bijrijders komen overeen met de personen die op de beelden van het haventerrein te zien zijn. Als bestuurder wordt aangehouden de [medeverdachte] .
De telefoons van alle drie de personen worden in beslag genomen en uitgelezen. Uit het onderzoek naar de telefoon van [minderjarige] blijkt duidelijk wat zij daar gingen doen, namelijk ’s nachts op het haventerrein “
tassen pakken”en dat zij hier
“35 k”voor zou krijgen en dat zij het gevoel had dat zij geen nee meer kon zeggen. Verder blijkt uit onderzoek naar voornoemde telefoon dat de gebruiker van het Snapchataccount “ [accountnaam ] ” betrokken is bij de uithaalactie en dat het account “ [accountnaam ] ” in gebruik is bij de verdachte.
Uit de telefoon van de verdachte blijkt dat hij met de naam “ [accountnaam ] ” deelneemt aan diverse Snapchatgesprekken. Op 9 en 10 augustus 2025 geeft de verdachte ten aanzien van de uithaalactie locaties en tijdstippen door aan de chauffeur met gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ”, te weten de [medeverdachte] . De verdachte hield hierbij steeds in de gaten waar de minderjarigen zich bevonden. Verder voert de verdachte op 9 en 10 augustus 2025 een gesprek waarin de verdachte zichzelf “opdrachtgever” noemt en spreekt over wanneer de uitbetaling zal plaatsvinden en hoe veel dit zal zijn. Zo stuurt de verdachte
“als het gelukt is krijg je 10k stijf”. De verdachte voert op dezelfde dagen ook een Snapchatgesprek waaruit blijkt dat de verdachte navraag doet bij een ander over onder andere de gang van zaken omtrent de uitbetaling.
Ter zitting heeft de verdachte onder meer verklaard dat hij door “ [naam 1] ” via Snapchat werd benaderd om uithalers en een chauffeur te regelen. De verdachte zou hier een bedrag van € 10.000,- à € 20.000,- voor krijgen. Hij wist dat de uithalers tassen met daarin verdovende moesten ophalen op het haventerrein. Zijn eigen rol in het geheel is door de verdachte omschreven als “postduif”; hij gaf berichten door.
Juridisch kader
Aan de verdachte is mensenhandel ten laste gelegd, strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Specifiek wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de strafbare gedragingen zoals omschreven in artikel 273f lid 1, aanhef en sub 2° Sr.
Artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 2° Sr
In artikel 273f eerste lid, aanhef en sub 2° Sr is een handeling met het oogmerk van uitbuiting strafbaar gesteld. Anders dan in artikel 273f Sr eerste lid, aanhef en sub 1°, is in lid 1 sub 2° voor het aannemen van strafrechtelijke aansprakelijkheid niet de eis gesteld dat sprake moet zijn geweest van het hanteren van (een van de onder 1° genoemde) dwangmiddelen.
Dit onderdeel van de strafbaarstelling van mensenhandel strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd en opzet of schuld daaromtrent is voor het bewijs dan ook niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee diens instemming geen betekenis toekomt.
De handelingen omschreven in lid 1, aanhef en sub 2° zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van een persoon of personen. De vraag of en zo ja, wanneer sprake is van 'uitbuiting', is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die deze activiteit voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte is behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. In geval van een minderjarig slachtoffer geldt naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.
Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in o[een situatie gebracht of gehouden waarin hij of zij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten uitbuiten.
Uit jurisprudentie volgt dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.
De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden; voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.
Beoordeling
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door de [minderjarige] onder de hiervoor genoemde omstandigheden te werven en/of te vervoeren.
Handelingen: werven en vervoeren
De verdachte heeft bekend dat hij via Snapchat een oproep heeft geplaatst tot het verrichten van uithaalwerkzaamheden en dat de [minderjarige] daar vervolgens op heeft gereageerd. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling ‘werven’ op als bedoeld in artikel 273f eerste lid, aanhef en sub 2° Sr.
Verder heeft de verdachte bekend dat hij via Snapchat berichten heeft gestuurd met betrekking tot het ophalen van de uithalers en het vervoeren van hen naar het betreffende haventerrein door de chauffeur. De verdachte vervulde hierin een belangrijke, coördinerende rol, onder meer door de chauffeur nauwgezet te instrueren over de plekken waar hij op welk moment naar toe moest rijden. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank de handeling (medeplegen van) ‘vervoeren’ op als bedoeld in artikel 273f eerste lid, aanhef en sub 2° Sr.
Oogmerk van uitbuiting
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of de verdachte bij het werven en vervoeren van de minderjarige handelde met het oogmerk van uitbuiting. In dit kader zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang met betrekking tot de aard en duur van de te verrichten criminele activiteit.
Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte een minderjarige midden in de nacht heeft laten vervoeren naar het haventerrein voor het uithalen van tassen. Het gaat hier om een eenmalige inzet van de betreffende minderjarige, althans uit het dossier blijkt niet anders. De duur van de te verrichten activiteit is daarmee beperkt wanneer die wordt vergeleken met andere zaken van criminele uitbuiting waarbij een slachtoffer wordt ingezet voor een reeks van criminele activiteiten. Volgens de Hoge Raad hoeft echter het slechts eenmaal laten plegen van een strafbaar feit niet aan het aannemen van ‘oogmerk tot uitbuiting’ in de weg te staan (HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:672).
In de onderhavige zaak wordt de beperkte duur van de strafbare activiteit - die dus op zichzelf al niet aan het aannemen van een oogmerk tot uitbuiting in de weg staat - bovendien ruimschoots gecompenseerd door de aard van de gedraging. De rechtbank weegt daarin mee dat het gaat om het doen verrichten van een criminele activiteit, waarbij de verdachte wist dat de pakkans en risico’s groot waren. Er werd namelijk al voorafgaand en tijdens de klus besproken dat het een zogenoemde “kamikaze”-actie was. De minderjarige bevond zich midden in de nacht op een gevaarlijk en voor haar onbekend terrein, het ging om goederen met een exorbitante waarde (met daardoor ook een reëel risico op ripdeals) en ze was afhankelijk van de verdachte en de medeverdachte (de chauffeur) voor vervoer terug naar huis.
[minderjarige] was in het bijzonder kwetsbaar vanwege haar jonge leeftijd, waarvan de verdachte naar eigen zeggen op de hoogte was. Dat de verdachte ook minderjarig was, doet hieraan niet af en dat staat evenmin eraan in de weg om een oogmerk van uitbuiting aan te nemen.
Ten aanzien van het economisch voordeel van de verdachte zelf kan worden vastgesteld dat de verdachte aanzienlijk betaald zou worden voor zijn aandeel. Dit blijkt onder meer uit de eigen verklaring van de verdachte, die erop neer komt dat hij voor zijn activiteiten duizenden euro’s zou ontvangen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het op deze wijze (financieel) voordeel behalen uit de door de minderjarige verrichte criminele activiteiten, leidt tot uitbuiting als bedoeld in artikel 273f Sr. Het oogmerk van de verdachte is daar dan ook op gericht geweest. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Medeplegen
Uit het dossier blijkt dat de verdachte via Snapchat is benaderd om uithalers te regelen voor deze klus en dat hij tijdens de klus steeds nauw contact onderhield met verschillende personen. De rechtbank is van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen (in ieder geval) de verdachte en de gebruikers [gebruikersnaam] (de chauffeur) en [naam 1] .
4.3.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij in de periode 9 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 heeft geworven, en vervoerd, met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige] , terwijl die [minderjarige] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt (lid 1, sub 2), door
- via Snapchat, althans een chatdienst, contact te maken en/of onderhouden met die [minderjarige] , en/
- aan die [minderjarige] te beloven dat zij geld krijgt voor de klus en
- die [minderjarige] berichten te sturen hoe zij de chauffeur moet vinden die haar naar de haven brengt, en
- die [minderjarige] berichten te sturen dat zij later de locatie ontvangt waar ze heen moet om de verdovende middelen uit te halen, en
- die [minderjarige] door een chauffeur te laten ophalen en brengen naar de haven in Rotterdam;

2.

subsidiair
[minderjarige] en/of [naam 2] en/of [medeverdachte], in de periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam,
wederrechtelijk hebben verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het terrein van het EECV terrein, gelegen aan de Elbeweg te Rotterdam
opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, door het vervoer van een of meer van de voornoemde personen te faciliteren.
Hetgeen meer of andres is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
feit 1:
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2 (subsidiair):
opzettelijk behulpzaam zijn bij het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straffen

7.1.
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met anderen schuldig gemaakt aan de criminele uitbuiting van een minderjarig meisje. De verdachte heeft haar uitgebuit door haar via Snapchat te werven voor het midden in de nacht op een haventerrein uit een vrachtschip uithalen van tassen met daarin verdovende middelen en door een coördinerende rol ten aanzien van het vervoeren van de minderjarige te vervullen. De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het wederrechtelijk verblijf op een haventerrein van de drie personen die betrokken waren bij deze uithaalactie.
Inmiddels bestaat er in toenemende mate zicht op de wijze waarop in criminele milieus minderjarigen worden geronseld en ingezet om strafbare activiteiten te ontplooien. Om zelf buiten beeld te blijven van de politie, zetten criminelen stelselmatig kwetsbare jongeren in, die de meest risicovolle opdrachten voor hen uitvoeren. De minderjarigen kunnen de gevolgen van hun handelen vaak moeilijk overzien en door hen voor te houden dat ze snel en makkelijk geld kunnen verdienen en in te spelen op hun kwetsbaarheid en afhankelijkheid, kunnen zij gemakkelijk worden verleid tot het plegen van strafbare feiten. Dit ‘verdienmodel’ heeft zowel voor de betrokken slachtoffers als voor de samenleving een ondermijnend effect. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij - ondanks zijn eigen jeugdige leeftijd - willens en wetens aan deze vorm van uitbuiting van (zeer) jonge personen heeft bijgedragen en daarbij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportage en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 23 maart 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Het Algemeen Recidive Risico (ARR) is ‘heel hoog’ en het Dynamisch
Risicoprofiel is ‘heel laag’. De verdachte is eerder in aanraking gekomen met politie en
Justitie en er is sprake van een machtiging uithuisplaatsing, ondertoezichtstelling en jeugdreclassering, belegd bij de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.
Ondanks dat er vanuit de ritax geen passende gedragsinterventie, zoals een leerstraf, is gekomen sluit de Raad zich aan bij de Jeugdreclassering en is van mening dat de verdachte kan profiteren van een gedragsinterventie So-Cool (regulier) met als doel om de verdachte te leren dat hij zich niet laat uitlokken door anderen.
Daar de verdachte ook een prille positieve ontwikkeling heeft laten zien bij Optica
Zorg, school en stage, is de Raad van mening dat een onvoorwaardelijke werkstraf vanuit pedagogisch oogpunt niet passend is. De Raad vindt een voorwaardelijke werkstraf als stok achter de deur wel passend. De Raad heeft tevens zowel een voorwaardelijke als onvoorwaardelijke jeugdetentie overwogen, maar gezien de ontwikkeling van de verdachte vindt de Raad de impact van jeugddetentie op de ontwikkeling van de verdachte te groot.
De Raad acht het van belang dat er bijzondere voorwaarden worden gesteld, zoals het blijven meewerken en zich houden aan de regels en afspraken van de groep Optica Zorg te Den Haag, het volgens rooster blijven gaan naar school/stage en een contactverbod met
medeverdachten/het slachtoffer zolang de Jeugdreclassering dit nodig acht. Daarbij vindt de Raad dat de begeleiding van de jeugdreclassering voortgezet dient te worden zodat er toezicht gehouden wordt op de voortgang van het hulpverleningsproces, schoolgang en invulling van de vrije tijd van de verdachte. Daarbij wordt ook meegewogen dat de verdachte binnen afzienbare tijd achttien jaar is en dat dan de ondertoezichtstelling vervalt. Middels voornoemd kader blijft er toezicht op de verdachte.
De Raad adviseert de rechtbank om de verdachte een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen onder de hiervoor vermelde bijzondere voorwaarden. Voorts adviseert de Raad om een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool (regulier), op te leggen.
De deskundige [naam 3], jeugdreclasseringsmedewerker, is ter terechtzitting gehoord. Zij heeft onder meer het volgende verklaard.
Het leek de laatste tijd heel goed te gaan met de verdachte tot het moment dat hij op 20 maart 2026 betrokken is geraakt bij een incident waardoor de Jeugdreclassering het nodig achtte om een veiligheidsplan op te stellen ten aanzien van de veiligheid van de verdachte. Het contact tussen de verdachte en zijn moeder is sindsdien minder goed en is er besloten dat hij niet meer naar haar woning toe kan tijdens zijn verlof van de woongroep. Het is niet gelukt om zicht te krijgen op het sociale netwerk en het social mediagebruik van de verdachte. De verdachte wil hier niet aan meewerken. De Jeugdreclassering krijgt de indruk dat de verdachte zich niet voldoende realiseert wat de impact is van zijn handelen op met name het gezin. Zowel de Jeugdreclassering als zijn ouders maken zich zorgen om de verdachte. Het is van belang dat de verdachte goede begeleiding krijgt in het creëren van bewustwording van de gevolgen van zijn gedrag en het weerbaar maken van de verdachte. De deskundige verzoekt om voorts als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de verdachte zal meewerken aan hulpverlening zo lang de Jeugdreclassering dat nodig acht. Ook acht zij het van belang dat de verdachte inzicht geeft in zijn social mediagebruik, maar de uitvoering hiervan lijkt lastig. Zij sluit voor het overige aan bij het advies van de Raad.
De deskundige [naam 4], jeugdbeschermer, is ter terechtzitting gehoord. Hij heeft onder meer het volgende verklaard.
Op de voorgrond gaat het heel goed met de verdachte, zoals op school en stage,, maar ook de Jeugdbescherming heeft grote zorgen over het sociale netwerk van de verdachte. Ook de jeugdbeschermer acht het van belang om zicht te krijgen op het social mediagebruik, maar plaatst vraagtekens bij de mogelijkheid van de uitvoering van de controle hierop indien dit door de rechtbank als bijzondere voorwaarde zou worden opgelegd.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank - overeenkomstig de eis van de officier van justitie - een taakstraf, bestaande uit zowel een werkstraf als een leerstraf, te weten de gedragsinterventie So-Cool (regulier), van na te noemen duur opleggen. Anders dan het advies van de Raad en het verzoek van de verdediging zal de rechtbank de werkstraf niet voorwaardelijk, maar onvoorwaardelijk opleggen. De rechtbank vind het belangrijk dat de verdachte de gevolgen van zijn criminele handelen ervaart.
Daarnaast zal de rechtbank - tevens in afwijking van het advies van de Raad en het verzoek van de verdediging en overeenkomstig de eis van de officier van justitie - een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met de hierna genoemde voorwaarden. Bij de bepaling van de duur van de voorwaardelijke jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en komt hierbij uit op een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat de verdachte zelf ook minderjarig is en daarmee ook slachtoffer lijkt te zijn van criminele uitbuiting. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen meerwaarde in oplegging van de verplichting om inzage te verlenen in het social mediagebruik van de verdachte als bijzondere voorwaarde, nu dit zeer moeilijk uitvoerbaar is. De rechtbank zal wel als bijzondere voorwaarde opleggen dat de verdachte zal meewerken aan hulpverlening zolang als de jeugdreclassering dat nodig acht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 138aa en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
35 (vijfendertig) uren;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een
leerstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject So-Cool;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
27 (zevenentwintig) urente verrichten werkstraf resteren;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
13 (dertien) dagen;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 (twintig) dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie
voor de duur van 3 (drie) maanden;
bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op
2(
twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich zal houden aan de regels en afspraken van de groep Optica Zorg te Den Haag;
  • naar school/stage volgens rooster zal gaan;
  • gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum 3] 1996 te [geboorteplaats 2], [geboorteland]);
  • zal meewerken aan hulpverlening zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. Boersma, voorzitter,
mr. D.I. Hendriks-van Wel, rechter, tevens kinderrechter, en mr. L.B. Esser, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Tanzarella, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2026.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode 9 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander, te weten
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van die [minderjarige] , terwijl die [minderjarige] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft/hebben bereikt (lid 1, sub 2),door
- via Snapchat, althans een chatdienst, contact te maken en/of onderhouden met die [minderjarige] , en/of
- aan die [minderjarige] te beloven dat zij geld krijgt voor de klus en/of
- die [minderjarige] berichten te sturen hoe zij de chauffeur moet vinden die haar naar de haven brengt, en/of
- die [minderjarige] berichten te sturen dat zij later de locatie ontvangt waar ze heen moet om de verdovende middelen uit te halen, en/of
- die [minderjarige] door een chauffeur te laten ophalen en brengen naar de haven in Rotterdam

2.

primair
hij in of omstreeks de periode 9 augustus 2025 tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het terrein van het EECV terrein, gelegen aan de Elbeweg te Rotterdam
subsidiair
[minderjarige] en/of [naam 2] en/of [medeverdachte] in of omstreeks de periode 9 augustus tot en met 10 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,wederrechtelijk heeft/ hebben verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het terrein van het EECV terrein, gelegen aan de Elbeweg te Rotterdam
opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door het vervoer van een of meer van de voornoemde personen te faciliteren.