ECLI:NL:RBROT:2026:8711

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/10/705548 HA ZA 25-701
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:182 BWArt. 3:186 BWArt. 3:89 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg echtscheidingsconvenant en toedeling woning inclusief tuin en berging

De man en vrouw, ex-gehuwden, zijn samen eigenaar van twee percelen grond met daarop een tuin en berging. In hun echtscheidingsconvenant uit 2007 is de woning aan de man toegedeeld, maar de percelen waren niet geleverd. De man vordert medewerking van de vrouw aan levering van deze percelen zonder vergoeding. De vrouw weigert en verlangt € 75.000.

De rechtbank stelt vast dat het convenant en de omstandigheden erop wijzen dat ook de percelen voor tuin en berging aan de man zijn toegedeeld. De vrouw moet meewerken aan levering binnen vier weken na betekening. De man hoeft geen vergoeding te betalen omdat partijen in het convenant finale kwijting hebben gegeven en geen betaling voor overbedeling is afgesproken.

De rechtbank wijst de vordering van de man af dat notariskosten voor levering door partijen gedeeld moeten worden, omdat in het convenant is bepaald dat deze kosten voor rekening van de man komen. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten vanwege haar weigering tot medewerking. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan levering van de percelen aan de man zonder vergoeding, met afwijzing van haar vorderingen en veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
zaaknummer: C/10/705548 / HA ZA 25-701
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. C.E. Willemsen,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] in [land] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. D.N. van Wensen.

1.De zaak in het kort

1.1.
De man en de vrouw, ex-gehuwden, zijn samen nog eigenaar van twee percelen grond in [plaats] . De man stelt dat zij in hun echtscheidingsconvenant in 2007 die percelen – met de daarbij behorende woning – aan hem hebben toegedeeld, maar dat hem pas eind 2024 is gebleken dat die percelen, anders dan de woning, nog niet aan hem zijn geleverd. Hij vordert nu alsnog medewerking van de vrouw aan de levering van die twee percelen en meent dat hij haar daarvoor niets hoeft te betalen. De vrouw daarentegen wil alleen meewerken als de man haar een bedrag van € 75.000,- betaalt. De rechtbank wijst de vorderingen van de man grotendeels toe. De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 4 juni 2025, met producties 1 tot en met 7,
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met productie 1,
  • de oproepingsbrieven van 29 oktober 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 12 maart 2026,
  • de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende overlegging producties, met producties 8 tot en met 15,
  • de mondelinge behandeling van 12 maart 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op 12 mei 1989 getrouwd op huwelijkse voorwaarden, met uitsluiting van iedere gemeenschap.
3.2.
In september 2006 hebben partijen – in een koop-aannemingsovereenkomst – (i) percelen grond, en (ii) een gedeelte van een zich daarop bevindende opstal (een casco woning) gekocht, allemaal gelegen aan [adres] in [plaats] . Bij akte van 6 oktober 2006 is dit aan partijen geleverd. Wat partijen in eigendom hebben verkregen maakte deel uit van het perceel kadastraal bekend als [naam perceel] , en is in onderstaande tekening aangegeven met een “1” en met enkele arcering. De onderste “1” ziet op de casco woning (gelegen aan de weg), de middelste “1” op een stuk grond waarop een berging zou worden gerealiseerd (grootte 11 m², hierna: de berging), en de bovenste “1” op een stuk grond waarop later een tuin en een garage zouden worden gerealiseerd (grootte 129 m², hierna: de tuin).

[kadasterkaart]

3.3.
Tevens hebben partijen één/vierde onverdeeld aandeel in een perceel grond gekocht, dat in bovenstaande tekening met dubbele arcering is aangegeven (hierna: het mandelige perceel). Dat ging om een gedeelde toegangsweg voor de vier woningen van het bouwproject (en de bij elke woning behorende percelen voor een te realiseren berging en tuin), in de tekening steeds genummerd als 1, 2, 3, en 4.
3.4.
Partijen hebben de koop gefinancierd met een hypothecaire geldlening van de Rabobank.
3.5.
Kort na de koop en levering van het onroerend goed hebben partijen besloten om te scheiden. In 2007 is de echtscheiding uitgesproken en ingeschreven. Op dat moment waren de tuin en de berging nog niet gerealiseerd op de daarvoor bedoelde percelen en was de woning ook nog niet gereed.
3.6.
In het kader van de echtscheiding hebben partijen afspraken gemaakt die zij hebben vastgelegd in een echtscheidingsconvenant d.d. 27 februari 2007 (hierna: het convenant). Daarin hebben zij het volgende afgesproken:
“3.7 Daarnaast zijn partijen eigenaar van de woning, gelegen te [plaats] aan [adres]
. Deze woning zal aan de man worden toegescheiden. De kosten voor
deze woning komen vanaf 6 oktober 2006 volledig toe aan de man. De man dient de vrouw nog een bedrag te voldoen ad € 1.250,-- in verband met de aanschaf van diverse materialen.
3.8
De kosten verbonden aan de levering van de tenaamstelling, alsmede het transport van het onroerend goed van de woning te [plaats] , gelegen aan [adres]
komen voor rekening van de man.
(…)
6.2 Partijen verklaren terzake van de gevolgen van de echtscheiding na uitvoering van het
bovenstaande niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en
weer te dier zake finale kwijting.”
3.7.
In juni 2007 is de kadastrale aanduiding van het perceel [perceelnummer 1] hernummerd. Het gedeelte van het perceel [perceelnummer 1] dat de man en de vrouw in eigendom hadden (in de tekening hierboven steeds aangegeven met een “1”, en daarnaast het mandelige perceel), is als volgt hernummerd:
  • de casco woning aan [adres] : [perceelnummer 2] ;
  • het perceel voor de nog te realiseren tuin: [perceelnummer 3] ;
  • het perceel voor de nog te realiseren berging: [perceelnummer 4] ;
  • het mandelige perceel: [perceelnummer 5] .
3.8.
Op 6 maart 2008 is een notariële akte verleden waarmee aan de man is geleverd de woning, kadastraal dus bekend als [perceelnummer 2] , en het één/vierde onverdeelde aandeel in het hiervoor genoemde mandelige perceel, kadastraal bekend als [perceelnummer 5] . De vrouw is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening aan de Rabobank.
3.9.
De man woont thans in de woning aan [adres] in [plaats] .
3.10.
De man heeft zich eind 2024 tot de vrouw gewend en haar meegedeeld dat de percelen voor de (inmiddels gerealiseerde) berging (zie hiervoor: [perceelnummer 4] ) en de tuin (zie hiervoor: [perceelnummer 3] ) nog op hun beider naam staan. Hij heeft haar gevraagd mee te werken aan de levering van deze twee percelen aan hem. De vrouw heeft dit geweigerd en zij heeft hem laten weten dat hij dit van haar mag kopen voor een bedrag van € 75.000,- .

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De man vordert bij dagvaarding – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. a) te bepalen dat het de bedoeling was dat de man eigenaar is geworden van de woning aan [adres] inclusief tuin en berging uit hoofde van het convenant en b) de man te machtigen om de makelaar opdracht te geven tot verkoop van de bij de woning behorende berging en tuin, en c) tevens voor zover nodig, mede namens de vrouw het verkoopcontract te ondertekenen;
II. te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de benodigde toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw ten behoeve van de levering van de berging en tuin aan de man of een derde koper;
III. te bepalen dat de kosten van de (aanvullende) levering van deze percelen voor rekening van partijen komen;
IV. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4.2.
Ter zitting heeft de man desgevraagd zijn vorderingen verduidelijkt in de zin dat hij een veroordeling vordert van de vrouw tot medewerking aan de levering van de twee percelen aan hem, omdat hij wil bewerkstelligen dat die percelen alsnog aan hem worden geleverd, en dat hij niet de bedoeling heeft om de medewerking van de vrouw aan de
verkoopvan de tuin en de berging
aan een derdete vorderen. De rechtbank leidt hieruit af dat de vorderingen voor zover die zien op verkoop van de tuin en berging aan een derde door de man zijn ingetrokken.
4.3.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de daadwerkelijke kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in reconventie
4.4.
De vrouw vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de tuin en de berging aan hem, tegen een vergoeding van € 75.000,- of aan een derde tegen een nader op de vrije markt te bepalen vergoeding;
te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de tuin en de berging, noodzakelijke instemmende verklaring(en) en handtekening(en) van de man;
de man te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van deze procedure.
4.5.
De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in reconventie.

5.De beoordeling

Inleidende overwegingen
5.1.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat de vrouw buiten Nederland haar woonplaats heeft. Bevoegdheidsverweren zijn in deze zaak niet gevoerd, zodat de rechtbank zowel in conventie als in reconventie rechtsmacht heeft (onder meer) op grond van een stilzwijgende forumkeuze (artikel 26 lid 1 Brussel Pro I bis). Op alle vorderingen is Nederlands recht van toepassing. Beide partijen zijn hier overigens ook van uitgegaan.
5.2.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
5.3.
Niet is in geschil dat partijen nog samen eigenaar zijn van de twee percelen (met daarop de tuin en de berging), omdat deze niet aan de man zijn geleverd in de notariële akte van 6 maart 2008. Er bestaat tussen partijen dus nog een eenvoudige gemeenschap, bestaande uit die twee percelen (artikel 3:166 BW Pro).
5.4.
De vraag is of de tussen partijen in het convenant overeengekomen toedeling van de woning ook die twee percelen omvat. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en veroordeelt de vrouw om mee te werken aan de levering die nodig is voor overgang van het toegedeelde aan de man. De man hoeft de vrouw hiervoor geen vergoeding te betalen. De rechtbank wijst de vordering van de man af die erop ziet dat de man en de vrouw de notariskosten voor die levering ieder voor de helft moeten dragen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
Ook de tuin en de berging zijn aan de man toegedeeld in het convenant
5.5.
In artikel 3:182 BW Pro is bepaald dat als een verdeling – lees voor deze zaak: toedeling – wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten meewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen van de gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. Partijen zijn het erover eens dat zij in het convenant de woning aan de man hebben toegedeeld. Partijen twisten of zij in het convenant ook de twee percelen voor de (latere) tuin en berging aan de man hebben toegedeeld.
5.6.
De rechtbank moet de overeenkomst dus op dit punt uitleggen. Ingevolge vaste jurisprudentie geldt dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet kan worden beantwoord enkel op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Steeds komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien (hierna: de Haviltex-maatstaf [1] ). Ook gedragingen van partijen ná het sluiten van het convenant zijn relevant.
5.7.
Voorop staat dat in het convenant in artikel 3.7 is opgenomen dat “de woning aan [adres] te [plaats] ” aan de man wordt toegedeeld. De vrouw stelt dat die tekst erop wijst dat alleen de woning – en niet meer dan dat – is toegedeeld aan de man. De rechtbank volgt evenwel de door de man verdedigde uitleg van het convenant, namelijk dat partijen de bedoeling hadden om met de toedeling van “de woning aan [adres] te [plaats] ” ook de percelen voor de (latere) berging en tuin aan de man toe te delen (later kadastraal aangeduid als [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] ). De vrouw heeft hier onvoldoende tegen ingebracht. Steun voor deze uitleg vindt de rechtbank in het volgende:
- In artikel 3.7 van het convenant is weliswaar opgenomen dat partijen eigenaar zijn van de woning aan “ [adres] te [plaats] ” en dat zij “die woning” aan de man toedelen, maar in de eerdere stukken (de koop-aannemingsovereenkomst van september 2006 en de akte van levering van 6 oktober 2006) zijn de casco woning én de percelen grond steeds samen aangeduid als de “ [adres] te [plaats] ”. Deze omstandigheid vormt een aanwijzing dat wat in het convenant is opgenomen over [adres] , niet alleen de woning maar ook de daarbij behorende percelen voor de latere tuin en berging (en het mandelige perceel) omvat, kortom het gehele onroerend goed van de man en de vrouw dat was gelegen aan [adres] .
- Als het inderdaad de bedoeling van partijen was om alleen de woning aan de man toe te delen, dan is het merkwaardig dat zij in het convenant niets hebben opgenomen over wat er dan wél met die percelen voor de (nog te realiseren) tuin en berging moest gebeuren. Zij hebben hier zelfs niet eens destijds met elkaar over gesproken, zoals beide partijen ter zitting hebben verklaard. Ook met het oog op de notariële levering op 6 maart 2008 hebben zij niet met elkaar gesproken over een gezamenlijke bedoeling om de twee percelen in mede-eigendom te blijven houden. De rechtbank heeft de vrouw ter zitting gevraagd of zij een reden kon bedenken waarom partijen de bedoeling zouden hebben gehad om nog samen eigenaar te blijven van die twee percelen, maar dat kon zij niet. Dit zijn allemaal omstandigheden die erop wijzen dat wat partijen in het convenant hebben opgenomen, niet alleen de woning maar ook de percelen voor de tuin en de berging omvat. Het voorgaande geldt te meer nu partijen in het convenant een finale kwijtingsbepaling hebben opgenomen. Het is niet logisch dat partijen elkaar finaal zouden kwijten als zij de bedoeling hadden om nog samen mede-eigenaar te blijven van die twee percelen. Immers, met de realisatie van de tuin en berging en de daarmee gemoeide eigenaarslasten waren nog de nodige kosten gemoeid en om die reden lag een finale kwijting in dat geval niet voor de hand. Het gaat hier onder meer om, zoals de man ter zitting heeft verklaard en de vrouw niet heeft betwist, de gemeentelijke heffingen, de onroerende zaak-belasting, de met de berging gemoeide kosten van onderhoud en de kosten van realisatie van de tuin (o.a. egalisatie, beplanting, beschoeiing) en de daarop gerealiseerde garage, alsmede de kosten van het onderhoud daarvan.
- Partijen hebben na hun scheiding altijd geleefd alsof zij géén mede-eigenaar meer waren van deze twee percelen. Zij hebben van 2007 tot eind 2024 geen enkel contact meer gehad over deze twee percelen en de daarop gerealiseerde tuin en berging. De man heeft vanaf oktober 2006 alle kosten voor deze twee percelen voor zijn rekening genomen, net als voor de woning, zoals ook in het convenant was overeengekomen in artikel 3.7. De vrouw heeft zich pas eind 2024 – toen de man zich tot haar wendde – op het standpunt gesteld dat het nooit de bedoeling van partijen was om die twee percelen aan de man toe te delen. Om die percelen bijna twintig jaar onverdeeld te laten is echter niet logisch, omdat partijen met hun convenant juist alles wilden regelen en daarna in financiële zin niets meer met elkaar te maken wilden hebben. Bovendien, als de vrouw daadwerkelijk meende dat die percelen nog niet waren verdeeld, dan had het voor de hand gelegen dat zij die percelen ook in haar aangiftes IB (Box 3) over die jaren had opgenomen. Desgevraagd kon zij op zitting niet bevestigen dat zij dat heeft gedaan.
- Ook het mandelige perceel is niet met zoveel woorden aan de man toegedeeld in artikel 3.7 van het convenant, terwijl dat perceel wél in de notariële akte van 6 maart 2008 aan de man is geleverd. Dit vormt een verdere aanwijzing dat partijen de bedoeling hadden om de woning en alle percelen aan de man toe te delen, en dat in de notariële akte van levering van 6 maart 2008 de twee percelen per abuis níet aan de man zijn geleverd.
5.8.
Gelet op het voorgaande moet het convenant zo worden uitgelegd dat partijen de bedoeling hebben gehad en dat ook redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat zij, naast de woning, ook de percelen voor de (latere) tuin en berging aan de man hebben toegedeeld. Dat in de latere notariële akte van 6 maart 2008 die twee percelen niet aan de man zijn geleverd, doet aan dit oordeel niet af. Partijen hebben dat klaarblijkelijk destijds over het hoofd gezien.
De vrouw moet meewerken aan de levering en de man hoeft haar geen vergoeding te betalen
5.9.
De rechtbank stelt voorop dat voor effectuering van de toedeling van de betreffende percelen – in de zin dat het tot een wijziging in de eigendomsverhouding leidt – een levering van het toegedeelde is vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 BW Pro en artikel 3:89 BW Pro). Dit betekent dat de vrouw moet meewerken aan de notariële overdracht aan de man van de twee aan hem toegedeelde percelen [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] , een en ander binnen vier weken na betekening van dit vonnis. Deze termijn van vier weken is redelijk, want hiermee krijgt de vrouw – die in [land] woont – voldoende gelegenheid om zelf te verschijnen bij de notaris, als zij dat wenst.
5.10.
De vraag is of de man de vrouw hiervoor nog een vergoeding moet betalen. De rechtbank oordeelt van niet. Partijen zijn in het convenant immers niet alleen overeengekomen dat (ook) de twee percelen aan de man werden toegedeeld, maar tevens dat hij voor het aan hem toegedeelde geen betaling wegens overbedeling aan de vrouw was verschuldigd. Er bestond dus – naast de toedeling – ook overeenstemming over de financiële consequenties die de toedeling voor ieder van hen had. [2] Dit was overigens ook logisch, omdat – zoals de man heeft gesteld en de vrouw niet gemotiveerd heeft weersproken – er destijds – kort na de aankoop van het onroerend goed in kwestie – geen sprake was van een overwaarde van het toegedeelde onroerend goed (met andere woorden, de waarde van het toegedeelde was niet hoger dan de daaraan verbonden hypotheekschuld die de man voor zijn rekening zou nemen).
5.11.
Dit vonnis zal in de plaats treden van de vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de vrouw, wanneer zij niet of niet tijdig haar medewerking verleent aan de notariële overdracht, zoals de man heeft gevorderd en waarop de vrouw niet heeft gereageerd (artikel 3:300 BW Pro).
5.12.
Uit het voorgaande volgt dat de reconventionele vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
De kosten van de levering zijn voor rekening van de man
5.13.
De vraag is verder nog voor wiens rekening de notariskosten moeten komen. De man vordert dat de helft van die kosten voor rekening van de vrouw komt.
5.14.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de man op dit punt moet worden afgewezen. In het convenant hebben partijen immers afgesproken dat deze kosten voor rekening van de man zouden komen (artikel 3.8) en de man heeft niet toegelicht waarom van die partijafspraak zou moeten worden afgeweken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.15.
De rechtbank verklaart de veroordelingen van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad (233 Rv), zoals de man heeft gevorderd en waarop niet is gereageerd door de vrouw.
Proceskosten in conventie en in reconventie
5.16.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-gehuwden is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt. In de omstandigheid dat de vrouw (tot nu toe) zonder goede reden heeft geweigerd om een volmacht tot levering van de percelen te ondertekenen, en de vrouw de man daarmee in feite heeft gedwongen om deze zaak te starten en daar kosten voor te maken, ziet de rechtbank aanleiding om de vrouw in afwijking van het uitgangspunt in dit soort zaken in de proceskosten van de man te veroordelen. De proceskosten van de man worden begroot op:
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.632,50 (2,5 punten x € 653,-, tarief II)
- nakosten
€ 296,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.259,50

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt de vrouw om binnen vier weken na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht c.q. levering aan de man van (haar eigendomsaandeel in) de percelen [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] , locatie [adres] te [plaats] ,
6.2.
bepaalt – voor het geval de vrouw niet binnen vier weken meewerkt aan de veroordeling onder 6.1 – dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de vrouw voor de overdracht en levering aan de man van (haar eigendomsaandeel in) de percelen [perceelnummer 3] en [perceelnummer 4] , locatie [adres] te [plaats] ,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.4.
wijst de vorderingen van de vrouw af,
in conventie en in reconventie
6.5.
veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de man bepaald op € 2.259,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de vrouw niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.6.
verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
2334/1980

Voetnoten

1.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
2.Zie o.a. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 rov. 4.2.2. e.v.