ECLI:NL:RBROT:2026:858

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
C/10/696825 / HA ZA 25-276
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 RvArt. 140 lid 1 jo. lid 3 RvArt. 6:229 BWArt. 1:88 lid 1 aanhef en onder c BWArt. 1:88 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht in geldleningsvordering met cessie en hoofdelijkheid tussen meerdere partijen

In deze zaak zijn drie samenhangende procedures behandeld waarin eiser vorderingen instelt op basis van geldleningen die oorspronkelijk door LH Holding en een overleden familielid aan meerdere gedaagden zijn verstrekt. De leningen zijn later overgedragen aan eiser. Een deel van de lening is rechtstreeks betaald aan een derde partij, wat tot discussie leidt over de vraag of dit een lening aan die derde betrof of aan de hoofdlener.

De rechtbank oordeelt dat de hoofdsom van de lening volledig door de hoofdelijke schuldenaren moet worden terugbetaald, ongeacht de betalingen aan derden, tenzij eiser kan bewijzen dat die betalingen ook leningen aan die derden betroffen. De vordering tegen de derde partij wordt aangehouden totdat eiser dit bewijs levert. Diverse verweren, waaronder vernietiging van de overeenkomst en verjaring, worden verworpen.

De rechtbank wijst de vordering van eiser tegen de hoofdelijke schuldenaren toe voor het bedrag van €549.231,64 met rente, maar wijst de vordering op de kortlopende lening van Progh af wegens verjaring. De vrijwaringsvordering wordt aangehouden in afwachting van bewijslevering. Het vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden en op 28 januari 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Vordering tegen hoofdelijke schuldenaren grotendeels toegewezen, bewijsopdracht aan eiser opgelegd voor lening aan derden, vrijwaringsvordering en kortlopende lening aangehouden respectievelijk afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Vonnis van 28 januari 2026
in de verwezen en gevoegde procedure met zaaknummer: C/10/696825 / HA ZA 25-276 (was C/19/148921 / HA ZA 24-131)
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. N. Lubach,
tegen

1..[gedaagde 1A] ,

te [plaats 2] ,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
2.
DOMAIN GASSELTERVELD B.V.,
te Bergentheim,
niet verschenen,
3.
DJH MEPPEL B.V.,
te Zwolle,
advocaat: mr. A.J. ter Wee
4.
CANADA RESORT DEN HAM B.V.,
te Meppel,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
5.
HUTTEN MEPPEL BEHEER B.V.,
te Zwolle,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
6.
HV BOUWONTWIKKELING MEPPEL B.V.,
te Meppel,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
gedaagde partijen,
gedaagden hierna samen te noemen: [gedaagde 1A] c.s.
en in de procedure met zaaknummer: C/10/683857 / HA ZA 24-682
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. N. Lubach,
tegen

1..[gedaagde 1B] ,

2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen [gedaagde 1B] c.s.
advocaat: mr. G.P. Polders,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer: C/10/699532 / HA ZA 225-403

1..[gedaagde 1A] ,

te [plaats 2] ,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
2.
DOMAIN GASSELTERVELD B.V.,
te Bergentheim,
niet verschenen,
3.
DJH MEPPEL B.V.,
te Zwolle,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
4.CANADA RESORT DEN HAM B.V.,
te Meppel,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
5.
HUTTEN MEPPEL BEHEER B.V.,
te Zwolle,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
6.
HV BOUWONTWIKKELING MEPPEL B.V.,
te Meppel,
advocaat: mr. A.J. ter Wee,
eisende partijen,
tegen

1..[gedaagde 1B] ,

2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. G.P. Polders,

1.De zaken in het kort

1.1.
In dit vonnis zijn drie samenhangende zaken aan de orde. [eiser] heeft vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. uit geldlening overgenomen. Die geldlening is aan [gedaagde 1A] c.s. verstrekt door de vennootschap van de broer van [eiser] , [naam 1] , die op 27 februari 2017 is overleden.
1.2.
[naam 1] heeft ook rechtstreeks betalingen verricht aan [gedaagde 1B] c.s. Het bedrag van die betalingen maakt onderdeel uit van de geldlening die aan [gedaagde 1A] c.s. is verstrekt.
1.3.
[eiser] heeft [gedaagde 1A] c.s. aangesproken voor de gehele leningschuld, dus ook voor het deel dat rechtstreeks aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald. [eiser] heeft [gedaagde 1B] c.s. aangesproken tot terugbetaling van het gedeelte dat rechtstreeks aan hen is betaald.
1.4.
[gedaagde 1A] c.s. hebben [gedaagde 1B] c.s. in vrijwaring opgeroepen. Zij vorderen dat [gedaagde 1B] c.s. worden veroordeeld om aan [gedaagde 1A] c.s. een gedeelte te betalen van het bedrag waartoe [gedaagde 1A] c.s. veroordeeld worden.
1.5.
De rechtbank zal bij eindvonnis de vordering van [eiser] tegen [gedaagde 1A] c.s. voor het grootste deel toewijzen. [eiser] krijgt de opdracht om te bewijzen dat de betalingen aan [gedaagde 1B] c.s. ten titel van geldlening zijn verricht. De beslissingen worden intussen aangehouden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de verwezen en gevoegde procedure met nummer C/10/696825/ HA ZA 25-276 ( [eiser] v. [gedaagde 1A] c.s.) blijkt uit:
- het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 januari 2025 in de zaak C/19/148921 / HA ZA 24-131 en de daarin genoemde stukken;
- het anticipatie-exploot namens [eiser] van 20 maart 2025;
- de conclusie van antwoord van 14 mei 2025 met producties 1-8;
- de brief van de rechtbank van 16 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van [eiser] van 8 december 2025 met producties 9-31;
- productie 9 van [gedaagde 1A] c.s.
2.2.
Het verloop van de procedure in de zaak met nummer C/10/683857 HA ZA 24-682 ( [eiser] v. [gedaagde 1B] c.s.) blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 juli 2024 met producties 1-8;
- de conclusie van antwoord van 25 september 2024 met producties G1-G5;
- de akte uitlating partijen van [gedaagde 1B] c.s. van 18 december 2024;
- de brief van de rechtbank van 16 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties van [gedaagde 1B] c.s. van 8 december 2025 met producties 9-15.
2.3.
Het verloop van de vrijwaringsprocedure met nummer C/10/699532 HA ZA 225-403 ( [gedaagde 1A] c.s. v. [gedaagde 1B] c.s.) blijkt uit:
- de dagvaarding in vrijwaring van 6 mei 2025;
- de akte overlegging producties van [gedaagde 1A] c.s. van 14 mei 2025 met producties 1-6;
- de conclusie van antwoord van 25 juni 2025 met producties G1-G3;
- de brief van de rechtbank van 16 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- productie 7 van [gedaagde 1A] c.s.
2.4.
Tijdens een mondelinge behandeling op 8 december 2025 zijn deze drie zaken gezamenlijk behandeld. Van de zitting zijn aantekeningen gemaakt die onderdeel uitmaken van de drie procesdossiers.
2.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

De leningen van LH Holding en [naam 1]
3.1.
[eiser] is de broer van [naam 1] . [naam 1] was directeur en enig aandeelhouder van LH Holding B.V.
3.2.
[naam 1] was gehuwd met [naam 2] . Zij hebben drie kinderen: [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .
3.3.
[gedaagde 1A] is bestuurder en enig aandeelhouder (geweest) van DJH Meppel B.V., Canada Resort Den Ham B.V., Hutten Meppel Beheer B.V., HV Bouwontwikkeling Meppel B.V. en Domain Gasselterveld B.V.
3.4.
LH Holding heeft vanaf december 2012 geldleningen verstrekt aan [gedaagde 1A] c.s. ten behoeve van een of meer door [gedaagde 1A] c.s. te ontwikkelen vastgoedprojecten.
3.5.
Op 18 mei 2016 is [naam 3] bestuurder geworden van LH Holding naast haar vader, [naam 1] .
3.6.
Tussen 28 juli 2015 en 30 december 2016 hebben LH Holding en [naam 1] tientallen betalingen verricht op een bankrekening van [gedaagde 2] . In totaal gaat het om een bedrag van € 173.611,33.
3.7.
Op 27 februari 2017 is [naam 1] overleden.
3.8.
Bij overeenkomst van 12 april 2017 hebben LH Holding enerzijds en [gedaagde 1A] c.s. anderzijds de leningen gedocumenteerd (Overeenkomst I). LH Holding werd hierbij vertegenwoordigd door [naam 3] . [gedaagde 1A] c.s. werden vertegenwoordigd door [gedaagde 1A] .
3.9.
In Overeenkomst I staat onder meer en samengevat het volgende. Partijen verklaren een overeenkomst van geldlening schriftelijk vast te leggen die eerder mondeling was overeengekomen. [gedaagde 1A] c.s. hebben het leningbedrag stap voor stap opgenomen. De lening heeft per 31 december 2016 een hoofdsom van € 405.397,24. [gedaagde 1A] c.s. zijn geen rente verschuldigd en de hoofdsom omvat daarom geen bijgeschreven rente. [gedaagde 1A] c.s. zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schuld. [gedaagde 1A] c.s. zijn voornemens om op zeer korte termijn financiering aan te trekken bij [gedaagde 1B] , waarmee de schuld aan LH Holding wordt terugbetaald. Bij het aflossen van de lening van LH Holding is een nader overeen te komen exitvergoeding verschuldigd. De leningschuld is opeisbaar op een termijn van 14 dagen na een schriftelijke opzegging.
3.10.
Bij akte van 23 april 2019 heeft LH Holding “al haar vorderingen op derden overgedragen naar privé”. De akte is vormgegeven als een brief die is geadresseerd aan [naam 2] , de weduwe van [naam 1] . Zij heeft de brief voor akkoord getekend. LH Holding is vertegenwoordigd door [naam 4] en [naam 5] . Zij zijn sinds 2 maart 2019 bestuurder van LH Holding en zij zijn zelfstandig bevoegd om LH Holding te vertegenwoordigen.
3.11.
Bij overeenkomst van 19 juni 2019 (Overeenkomst II) hebben LH Holding en [naam 2] enerzijds en [gedaagde 1A] c.s. anderzijds nadere afspraken vastgelegd met betrekking tot de lening. LH Holding werd hierbij vertegenwoordigd door [naam 4] . [naam 2] werd vertegenwoordigd door [naam 5] . [gedaagde 1A] c.s. werd vertegenwoordigd door [gedaagde 1A] .
3.12.
In Overeenkomst II staat onder meer en samengevat het volgende. LH Holding en [naam 2] worden samen als “schuldeiser” aangeduid, [gedaagde 1A] c.s. samen als “schuldenaar”. De hoofdsom van de lening is door rente en verrekening van facturen opgelopen tot een bedrag van € 549.231,64 per 19 juni 2019. Deze hoofdsom omvat met terugwerkende kracht 5% rente per jaar. Over de hoofdsom wordt ook vanaf 19 juni 2019 een rente berekend van 5,0% per jaar. De rente wordt maandelijks achteraf betaald. De geldlening loopt tot 8 juli 2019. Indien de schuldenaar op 8 juli 2019 geen aflossing heeft gedaan, zal de schuldenaar uiterlijk 15 juli 2019 schriftelijk een aflossingsvoorstel doen aan de schuldeiser. De leningschuld is opeisbaar op een termijn van 14 dagen na een schriftelijke opzegging.
3.13.
In de overwegingen van Overeenkomst II staat:

In aanmerking nemend dat:
(…)
- de schuldenaar per 31 december 2016 een bedrag groot EUR 405.397,24 van schuldeiser heeft geleend voor het aflossen andere financieringen, het dragen van de exploitatiekosten en het doen van noodzakelijke aanbetalingen voor het verkrijgen van een herfinanciering bij een derde partij;
- onderdeel van het bedrag van EUR 405.394,24 is een lening groot EUR 180.752,74 van schuldeiser aan de heer [naam 7] en mevrouw [gedaagde 2] (gespecificeerd in het bijgevoegde verloopoverzicht);
- op het moment dat de heer [naam 7] en/of mevrouw [gedaagde 2] tot aflossing aan schuldeiser overgaat zal het afgeloste bedrag in mindering worden gebracht op de hoofdsom van EUR 549.231,64 die schuldenaar schuldig is;
- de hoofdsom van de lening door rente en de verrekening van voor dienstverlening verstuurde facturen
opgelopen is tot een bedrag van EUR 549.231,64 per 19 juni 2019;
(…)”
3.14.
Bij akte van 1 juli 2023 heeft [naam 2] de vordering op [gedaagde 1A] c.s. uit hoofde van Overeenkomst II overgedragen aan [eiser] .
3.15.
Bij e-mail van 7 augustus 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde 1A] c.s. mededeling van deze cessie gedaan. De e-mail bevat ook een verklaring met de strekking dat de verjaring van de vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. wordt gestuit.
3.16.
Bij gelijkluidende brieven van 29 november 2023 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1A] c.s. gesommeerd om het bedrag van € 549.231,64, dat zij uit hoofde van Overeenkomst II verschuldigd zijn vermeerderd met de contractuele rente, binnen 15 dagen te betalen. [gedaagde 1A] c.s. hebben niets betaald.
De lening van Progh
3.17.
Progh B.V. is een vennootschap van [eiser] .
3.18.
Op 26 juli 2017 hebben Progh, vertegenwoordigd door [eiser] , en [gedaagde 1A] een “Overeenkomst onderhandse kortlopende lening” gesloten. In die overeenkomst staat onder meer en samengevat het volgende. [gedaagde 1A] verklaart € 15.000,00 ten titel van geldlening te hebben ontvangen van Progh. De lening dient zo spoedig mogelijk maar uiterlijk op 31 december 2017 te zijn terugbetaald. Als [gedaagde 1A] niet op tijd betaalt, is Progh gerechtigd om de leningschuld op te eisen. Over de lening is een rente van 10% per jaar achteraf verschuldigd.
3.19.
Bij akte van 1 juli 2023 heeft Progh de vordering op [gedaagde 1A] overgedragen aan [eiser] .
3.20.
Bij e-mail van 14 december 2023 heeft [gedaagde 1A] aan de advocaat van [eiser] geschreven:
“De totaal genoemde vordering ad. € 549.231,64 aan [eiser] erken ik niet.
Wel heeft [eiser] via zijn BV PROGH op 26 juli 2017 een lening aan mij in privé verstrekt van € 13.000,00 Deze is tot op heden niet afgelost, en ik zou daar graag een afbetalingsregeling over willen afspreken.”

4.Het geschil

In de verwezen en gevoegde procedure met nummer C/10/696825 / HA ZA 25-276 ( [eiser] v. [gedaagde 1A] c.s.)
4.1.
[eiser] vordert - samengevat – (i) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1A] c.s. tot betaling van € 549.231,64, vermeerderd met contractuele rente van 5% per jaar vanaf 19 juni 2019 tot de dag van algehele betaling en (ii) veroordeling van [gedaagde 1A] tot betaling van € 15.000,00, vermeerderd met contractuele rente vanaf 26 juli 2017 tot de dag van algehele betaling. [eiser] vordert verder dat [gedaagde 1A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten met rente worden veroordeeld en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
4.2.
Aan zijn vorderingen heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] is cessionaris van de vorderingen van [naam 2] op [gedaagde 1A] c.s. uit hoofde van Overeenkomst II. [eiser] vordert nakoming van Overeenkomst II. [gedaagde 1A] c.s. moeten het bedrag van € 549.231,64 dat zij ter leen hebben ontvangen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 5% per jaar vanaf 19 juni 2019 aan [eiser] terugbetalen. [eiser] vordert als cessionaris van de vordering van Progh op [gedaagde 1A] nakoming van de Overeenkomst onderhandse kortlopende lening van 26 juli 2017. [gedaagde 1A] moet het bedrag van € 15.000,00 dat hij ter leen heeft ontvangen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 10% per jaar vanaf 26 juli 2017 aan [eiser] terugbetalen.
4.3.
[gedaagde 1A] c.s. voeren verweer. [gedaagde 1A] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
In de procedure met nummer C/10/683857 / HA ZA 24-682 ( [eiser] v. [gedaagde 1B] c.s.)
4.4.
[eiser] vordert – samengevat – een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1B] c.s. tot betaling van € 173.611,33, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2015. [eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde 1B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten met rente worden veroordeeld en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
4.5.
Aan zijn vordering heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd. Het staat vast dat LH Holding en [naam 1] talloze betalingen hebben verricht aan [gedaagde 1B] c.s. Het doel van die betalingen was om [gedaagde 1B] c.s. in staat te stellen om een financiering te verzorgen voor projecten van [gedaagde 1A] c.s. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat sprake is van een overeenkomst van geldlening. Voor zover van een lening geen sprake is, zijn [gedaagde 1B] c.s. ongerechtvaardigd verrijkt.
4.6.
[gedaagde 1B] c.s. voeren verweer. [gedaagde 1B] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
In de vrijwaringsprocedure met nummer C/10/699532 / HA ZA 225-403
4.7.
[gedaagde 1A] c.s. vorderen - samengevat en naar de rechtbank begrijpt - dat [gedaagde 1B] c.s. worden veroordeeld om aan [gedaagde 1A] c.s. te betalen waartoe [gedaagde 1A] c.s. in de hoofdzaak worden veroordeeld tot een maximum van € 180.752,74, vermeerderd met rente.
4.8.
Aan hun vordering hebben [gedaagde 1A] c.s. het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde 1A] c.s. en [gedaagde 1B] c.s. zijn overeengekomen dat [gedaagde 1B] c.s. aan LH Holding zouden terugbetalen wat zij van LH Holding hebben ontvangen, althans dat zij aan [gedaagde 1A] c.s. zouden betalen, wat [gedaagde 1A] c.s. aan LH Holding zouden hebben terugbetaald. Voor zover [gedaagde 1B] c.s. een dergelijke overeenkomst betwisten, hebben [gedaagde 1A] c.s. een regresrecht op [gedaagde 1B] c.s., omdat [gedaagde 1B] c.s. hoofdelijk schuldenaar zijn naast [gedaagde 1A] c.s. voor een bedrag van € 180.752,74. [gedaagde 1A] c.s. beroepen zich ook op ongerechtvaardigde verrijking en voeren tenslotte aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als zij met de gevolgen blijven zitten.
4.9.
[gedaagde 1B] c.s. voeren verweer. [gedaagde 1B] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 1A] c.s. met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 1A] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In de verwezen en gevoegde procedure met nummer C/10/696825 / HA ZA 25-276 ( [eiser] v. [gedaagde 1A] c.s.)
Tegen Domaine Gasselterveld is verstek verleend
5.1.
Domaine Gasselterveld is niet verschenen in deze procedure. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen haar verstek is verleend. Nu door de overige gedaagden is voortgeprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 lid 1 jo Pro. lid 3 Rv één vonnis tussen partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
5.2.
Ten opzichte van de niet verschenen partijen geldt dat de vordering in beginsel als onweersproken wordt toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv Pro). Naar vaste jurisprudentie werken de door de wel verschenen gedaagden gevoerde verweren niet in het voordeel van de gedaagden die niet zijn verschenen, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing [1] . Van een dergelijke rechtsbetrekking is geen sprake. De vorderingen tegen Domaine Gasselterveld komen de rechtbank voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor en die zullen daarom bij eindvonnis worden toegewezen. Waar in dit vonnis hierna voor de leesbaarheid over “ [gedaagde 1A] c.s.” wordt gesproken, moet er rekening mee worden gehouden dat de beoordeling die volgt zich niet uitstrekt tot Domaine Gasselterveld .
De vorderingen uit hoofde van Overeenkomst II
5.3.
[gedaagde 1A] c.s. erkennen dat zij Overeenkomst II hebben getekend, waarin onder meer staat dat [gedaagde 1A] c.s. op 19 juni 2019 een bedrag van € 549.231,64 ten titel van geldlening hadden ontvangen, dat [gedaagde 1A] c.s. over dat bedrag vanaf 19 juni 2019 rente verschuldigd zijn van 5% per jaar en dat die lening tot 8 juli 2019 werd verstrekt.
Omvang van de lening
5.4.
[gedaagde 1A] c.s. hebben aangevoerd dat van de totale hoofdsom per 19 juni 2019 van € 549.231,64 een bedrag van € 180.752,74 niet aan hen, maar aan [gedaagde 1B] c.s. is geleend. [gedaagde 1A] c.s. hebben in dit verband verwezen naar de overwegingen in Overeenkomst II die hiervoor onder 3.13 zijn weergegeven. [gedaagde 1A] c.s. stellen zich op het standpunt dat hun schuld aan [eiser] met een bedrag van € 180.752,74 verminderd moet worden, althans dat [gedaagde 1B] c.s. voor dit gedeelte van de schuld aan [eiser] hoofdelijk naast [gedaagde 1A] c.s. aansprakelijk zijn.
5.5.
[eiser] heeft daartegen ingebracht dat hetgeen aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald deel uitmaakt van de leningschuld waarvoor [gedaagde 1A] c.s. in Overeenkomst II hebben getekend. Daaraan doet niet af dat in de overwegingen staat dat wat [gedaagde 1B] c.s. rechtstreeks aan “schuldeiser” betalen af gaat van wat [gedaagde 1A] c.s. moeten betalen. Als [gedaagde 1B] c.s. niets hebben betaald, zoals het geval is, dan kan [eiser] betaling vorderen van [gedaagde 1A] c.s., aldus [eiser] .
5.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1A] verklaard dat de betalingen die door LH Holding en [naam 1] rechtstreeks zijn gedaan aan [gedaagde 1B] c.s. dienden om [gedaagde 1B] c.s. in staat te stellen om een financiering te regelen ten behoeve van de vastgoedprojecten van [gedaagde 1A] c.s. Het ging met name om de kosten van adviseurs, zoals advocaten en notarissen. [gedaagde 1A] heeft desgevraagd erkend dat deze betalingen ten gunste van hemzelf en zijn ondernemingen zijn gekomen. [gedaagde 1A] heeft ook verklaard dat [gedaagde 1B] c.s. rechtstreeks in contact stonden met [naam 1] , zodat [gedaagde 1A] niet steeds op de hoogte was van de betalingen die werden verricht. [gedaagde 1B] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd.
5.7.
De rechtbank oordeelt als volgt. In Overeenkomst II staat dat [gedaagde 1A] c.s. per 19 juni 2019 een bedrag van € 549.231,64 hebben geleend en dat zij voor dat bedrag “schuldenaar” zijn. Een redelijke uitleg van Overeenkomst II brengt mee dat [gedaagde 1A] c.s. het gehele bedrag van € 549.231,64 aan de “schuldeiser” moesten terugbetalen, behalve voor zover [gedaagde 1B] c.s. al een deel van dat bedrag zouden hebben terugbetaald. Onduidelijk is gebleven waarom de partijen bij Overeenkomst II de verwachting hadden dat [gedaagde 1B] c.s. iets zouden terugbetalen, omdat wat [gedaagde 1B] c.s. van LH Holding en [naam 1] rechtstreeks hadden ontvangen kennelijk werd gebruikt om kosten van derden te betalen die ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. werden gemaakt. Dat [gedaagde 1B] c.s. bij het betalen van die kosten van derden ook zelf belang hadden, hebben [gedaagde 1A] c.s. niet gesteld. Dat de kosten ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. zijn gemaakt, verklaart waarom die kosten “onderdeel zijn” van de lening aan [gedaagde 1A] c.s. [gedaagde 1A] c.s. mochten op basis van de overwegingen in Overeenkomst II niet verwachten dat sprake was van een lening aan [gedaagde 1B] c.s. in de zin dat LH Holding en [naam 2] [gedaagde 1A] c.s. niet tot terugbetaling van de volledige hoofdsom, inclusief het bedrag van € 180.752,74, mochten aanspreken, ongeacht of [gedaagde 1B] c.s. wel of niet iets zouden hebben terugbetaald. [gedaagde 1B] c.s. waren immers geen partij bij Overeenkomst II, zodat zij zich niet jegens LH Holding en [naam 2] tot terugbetaling hadden verbonden. De slotsom is dat LH Holding en [naam 2] voorafgaand aan de hierna te bespreken cessie aan [eiser] op grond van Overeenkomst II een vordering hadden op [gedaagde 1A] c.s. van € 549.231,64 (in hoofdsom).
5.8.
Of [eiser] ook een vordering uit geldlening heeft op [gedaagde 1B] c.s. voor enig gedeelte van het bedrag dat [eiser] ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. heeft verstrekt is aan de orde in de procedure van [eiser] tegen [gedaagde 1B] c.s. De uitkomst van die procedure, waarin de rechtbank [eiser] een bewijsopdracht zal geven, is in zoverre van belang voor de uitkomst van de procedure van [eiser] tegen [gedaagde 1A] c.s. dat [gedaagde 1A] c.s. mogelijk voor een deel van het gevorderde bedrag hoofdelijk naast [gedaagde 1B] c.s. zullen worden veroordeeld.
Beroep op artikel 6:229 BW Pro faalt
5.9.
[gedaagde 1A] c.s. hebben het volgende aangevoerd. Overeenkomst II is gesloten zonder dat sprake was van een feitelijke rechtsverhouding, althans zonder juridische grondslag. De lening voor een bedrag van € 405.397,24 was al in Overeenkomst I vastgelegd, zodat er geen reden was om dat op 19 juni 2017 nog een keer te doen. Het was evident niet de bedoeling om door middel van Overeenkomst II de schuld van [gedaagde 1A] c.s. meer dan te verdubbelen. Ook voor de toename van de hoofdsom van € 405.397,24 tot € 549.231,64 hebben [gedaagde 1A] c.s. getekend zonder juridische grondslag. In Overeenkomst I staat nog dat [gedaagde 1A] c.s. geen rente verschuldigd waren. Voor zover de toename van de hoofdsom correspondeert met onbetaald gebleven facturen van LH Holding aan [gedaagde 1A] c.s., geldt dat die facturen nog niet opeisbaar waren. Omdat Overeenkomst II voortbouwt op een al tussen partijen bestaande rechtsverhouding (Overeenkomst I) is Overeenkomst II vernietigbaar op grond van artikel 6:229 BW Pro. Overeenkomst II wordt door [gedaagde 1A] c.s. vernietigd [2] . Het gevolg hiervan is dat Overeenkomst II geacht wordt nooit te hebben bestaan. Voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gegrond op Overeenkomst I geldt dat die vorderingen zijn verjaard, aldus [gedaagde 1A] c.s.
5.10.
De rechtbank verwerpt dit verweer. [gedaagde 1A] c.s. hebben Overeenkomst II getekend. Zij hebben ingestemd met de vaststelling van de hoofdsom per 19 juni 2019 op een bedrag van € 549.231,64. Hoe de hoofdsom was samengesteld, was [gedaagde 1A] c.s. duidelijk. In een bijlage bij Overeenkomst II is het bedrag van € 549.231,64 gespecificeerd, ook het deel dat aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald. [gedaagde 1A] c.s. hebben de hoofdsom en die specificatie ervan aanvaard en zij kunnen daar nu niet meer op terug komen. Zij hebben ook aanvaard dat de lening alsnog rentedragend werd. Het staat partijen vrij om hun afspraken over een bestaande lening te wijzigen en gewijzigd vast te leggen in een nieuwe overeenkomst, zoals hier is gebeurd.
5.11.
Het beroep van [gedaagde 1A] c.s. op vernietiging lijkt te berusten op een verkeerde lezing van artikel 6:229 BW Pro, waarin – kortweg – is geregeld dat als een rechtsverhouding ontbreekt, bijvoorbeeld als gevolg van een geslaagd beroep op vernietiging, een op die rechtsverhouding voortbouwende overeenkomst ook vernietigbaar is. Daar staat niet dat een overeenkomst vernietigbaar is, indien zij wijzigingen bevat ten opzichte van een eerdere overeenkomst en die wijzigingen door partijen zijn aanvaard zonder dat de verplichting daartoe uit de eerste overeenkomst voortvloeit. De “juridische grondslag” is de kennelijke wilsovereenstemming ten aanzien van Overeenkomst II, inclusief die wijzigingen. Overeenkomst II is dus niet vernietigbaar op de gronden die [gedaagde 1A] c.s. aanvoeren.
5.12.
Dat betekent dat ook het beroep op verjaring faalt. De verjaring van de vorderingen uit hoofde van Overeenkomst II is door de e-mail met de stuitingsbrief van [eiser] van 7 augustus 2023 tijdig gestuit. Dat geldt niet alleen voor de vorderingen op [gedaagde 1A] , maar ook voor de vorderingen op zijn vennootschappen. De e-mail is aan [gedaagde 1A] gestuurd. [gedaagde 1A] was op dat moment bestuurder van alle vennootschappen die in Overeenkomst II als schuldenaar zijn gedefinieerd. Het moet hem duidelijk zijn geweest dat de stuiting hem in die hoedanigheid werd gestuurd en gold voor de vorderingen op hem en zijn vennootschappen. [gedaagde 1A] c.s. zijn in Overeenkomst II immers gezamenlijk als “schuldenaar” aangeduid.
Beroep op artikel 1:88 BW Pro faalt
5.13.
[gedaagde 1A] c.s. hebben aangevoerd dat [gedaagde 1A] op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder c BW voor het aangaan van Overeenkomst II de toestemming van zijn echtgenote nodig had en dat door het ontbreken van die toestemming Overeenkomst II ten aanzien van hem vernietigbaar is, althans voor zover de vordering van [gedaagde 1A] c.s. op [gedaagde 1A] meer bedraagt dan € 3.114,50. Alleen dat bedrag is ten goede gekomen aan [gedaagde 1A] in privé. De echtgenote van [gedaagde 1A] heeft op 28 oktober 2024 een verklaring uitgebracht met de strekking dat zij de rechtshandelingen van [gedaagde 1A] vernietigt, aldus [gedaagde 1A] c.s.
5.14.
Het beroep op artikel 1:88 lid 1 onder Pro c BW faalt. Op grond van artikel 3 van Pro Overeenkomst II is [gedaagde 1A] hoofdelijk, naast de overige schuldenaren, verbonden voor de verplichtingen uit Overeenkomst II. Als zodanig valt het aangaan van Overeenkomst II onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 aanhef Pro en onder c BW. Artikel 1:88 lid 5 BW Pro bepaalt echter dat toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 aanhef en onder c, niet is vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Daarvan is hier sprake. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1A] desgevraagd verklaard dat hij directeur grootaandeelhouder is van DJH Meppel, Canada Resort Den Ham, Hutten Meppel Beheer en HV Bouwontwikkeling Meppel en dat hij directeur grootaandeelhouder is geweest van Domain Gasselterveld. Volgens de eigen stellingen van [gedaagde 1A] c.s. hebben [gedaagde 1A] c.s. financiering betrokken bij LH Holding en [naam 1] om in deze vennootschappen zakelijke vastgoedprojecten te ontwikkelen en waren zij doende voor die projecten elders financiering voor nog eens een bedrag van € 5.000.000,00 aan te trekken. Het is niet ongewoon dat het ontwikkelen van vastgoed met geleend geld gebeurt en dat was ook in dit geval kennelijk zo. Toestemming van de echtgenote van [gedaagde 1A] was onder die omstandigheden niet vereist voor het aangaan van Overeenkomst II. Overeenkomst II is daarom niet ten aanzien van [gedaagde 1A] vernietigbaar. De verklaring van 28 oktober 2024 mist doel.
Beroep op artikel 6:248 BW Pro faalt
5.15.
[gedaagde 1A] c.s. hebben tenslotte aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om een betalingsverplichting voor [gedaagde 1A] aan te nemen. De omstandigheden die [gedaagde 1A] c.s. in dit verband hebben genoemd zijn de volgende:
  • i) [gedaagde 1A] heeft zelf nooit meer dan enkele duizenden euro’s ontvangen;
  • ii) [gedaagde 1A] en [naam 1] waren bevriend; Overeenkomst II is achteraf, na het overlijden van [naam 1] , door [naam 3] opgemaakt en door [gedaagde 1A] in goed vertrouwen getekend;
  • iii) het ging evident om zakelijke financieringen;
  • iv) [gedaagde 1A] zal persoonlijk failliet gaan of in de schuldsanering belanden;
  • v) [eiser] heeft als cessionaris niet aantoonbaar iets voor de vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. betaald;
  • vi) er bestaat op korte termijn uitzicht op financiering elders, waarmee de vastgoedprojecten afgewikkeld kunnen worden.
5.16.
Deze omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat uit Overeenkomst II voor [gedaagde 1A] een betalingsverplichting voortvloeit. Daartoe is het volgende redengevend.
5.17.
Het is vaste rechtspraak dat artikel 6:248 lid 2 BW Pro door de rechter terughoudend wordt toegepast. [gedaagde 1A] is een ondernemer die vastgoedprojecten ontwikkelt in door hem beheerste vennootschappen. Als die projecten succesvol worden afgesloten, profiteert hij daarvan via de waardevermeerdering van zijn aandelen en/of door middel van uitkeringen. Door hoofdelijk mee te tekenen voor de schulden van deze vennootschappen heeft hij zich jegens LH Holding en [naam 2] bereid verklaard om ook te delen in het risico dat die projecten niet of niet snel genoeg succesvol worden afgesloten. Het is niet onredelijk dat hij dat risico blijft dragen nu het vooruitzicht bestaat dat het niet goed afloopt met de vastgoedprojecten, ook al zijn de gevolgen voor [gedaagde 1A] mogelijk pijnlijk. Dat geldt ook in de verhouding tot [eiser] als cessionaris, ongeacht de tegenprestatie die [eiser] heeft geleverd voor het verwerven van de vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 1A] c.s. desgevraagd niet concreet kunnen maken op welke termijn financiering verwacht kan worden, zodat aan die omstandigheid te weinig gewicht toekomt.
Cessie van de vorderingen uit hoofde van Overeenkomst II aan [eiser] is geldig
5.18.
[gedaagde 1A] c.s. hebben aangevoerd dat LH Holding als gevolg van de cessie van de vorderingen uit hoofde van Overeenkomst I aan [naam 2] bij akte van 23 april 2019 geen vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. meer had toen LH Holding Overeenkomst II aanging. Dat betekent dat LH Holding ook niet meer in de positie was om met [gedaagde 1A] c.s. in Overeenkomst II nadere voorwaarden overeen te komen, aldus [gedaagde 1A] c.s.
5.19.
Of dat inderdaad het geval is, kan in het midden blijven. [naam 2] is, naast LH Holding, partij bij Overeenkomst II. [naam 2] was als cessionaris van de vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. uit hoofde van Overeenkomst I in ieder geval wel in de positie om met [gedaagde 1A] c.s. nadere voorwaarden overeen te komen in Overeenkomst II. [naam 2] heeft vervolgens haar vorderingen uit hoofde van Overeenkomst II bij akte van 1 juli 2023 aan [eiser] gecedeerd. De geldigheid van die cessie hebben [gedaagde 1A] c.s. niet bestreden.
[gedaagde 1A] c.s. moeten € 549.231,64 met rente aan [eiser] betalen
5.20.
De rechtbank heeft hiervoor alle verweren van [gedaagde 1A] c.s. verworpen. [gedaagde 1A] c.s. zijn gebonden aan Overeenkomst II en zij moeten die overeenkomst nakomen. [gedaagde 1A] c.s. hebben niet bestreden dat de lening tot 8 juli 2019 werd verstrekt en dat zij op die datum tot het terugbetalen van de lening gehouden waren. Zij hebben niet betaald. Om die reden zal de vordering van [eiser] tot veroordeling van [gedaagde 1A] c.s. tot betaling van een bedrag van € 549.231,64, vermeerderd met rente van 5% vanaf 19 juni 2019 bij eindvonnis worden toegewezen. [gedaagde 1A] c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld, omdat Overeenkomst II bepaalt dat zij hoofdelijk schuldenaar zijn en [gedaagde 1A] c.s. daartegen ook geen afzonderlijk verweer hebben gericht. Het is uitsluitend nog de vraag of, en zo ja, voor welk gedeelte ook [gedaagde 1B] c.s. hoofdelijk naast [gedaagde 1A] c.s. wordt veroordeeld.
De lening van Progh is verjaard
5.21.
[gedaagde 1A] c.s. hebben aangevoerd dat in de “Overeenkomst onderhandse kortlopende lening” van 26 juli 2017 tussen Progh en [gedaagde 1A] staat dat de lening uiterlijk op 31 december 2017 moet zijn terugbetaald. Op 31 december 2017 was de vordering van Progh dus opeisbaar. [eiser] heeft – als cessionaris van de vordering van Progh – voor het eerst op 18 juli 2023 aanspraak gemaakt op betaling. Op dat moment was de vordering van Progh verjaard, aldus [gedaagde 1A] c.s.
5.22.
[eiser] heeft bestreden dat de vordering is verjaard. De vordering is pas opeisbaar geworden, nadat [eiser] in 2023 aanspraak had gemaakt op terugbetaling. Bovendien heeft [gedaagde 1A] de vordering van [eiser] bij e-mail van 14 december 2023 uitdrukkelijk erkend.
5.23.
De rechtbank oordeelt als volgt. De overeenkomst tussen Progh en [gedaagde 1A] bepaalt dat de lening op 31 december 2017 moest zijn terugbetaald. Op dat moment was de vordering opeisbaar. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro is de verjaringstermijn van vijf jaren op 1 januari 2018 begonnen. De verjaring was op 1 januari 2023 voltooid. Toen [eiser] op 18 juli 2023 als cessionaris van de vordering van Progh aanspraak maakte op betaling was de vordering dus verjaard. [eiser] mocht de e-mail van [gedaagde 1A] van 14 december 2023 (hiervoor weergegeven onder 3.20) niet zo begrijpen dat [gedaagde 1A] de vordering in weerwil van de verjaring erkende en zou betalen. De vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1A] wordt afgewezen.
In de procedure met nummer C/10/683857 / HA ZA 24-682 ( [eiser] v. [gedaagde 1B] c.s.)
5.24.
[gedaagde 1B] c.s. hebben betwist dat zij geld van LH Holding en [naam 1] hebben ontvangen ten titel van geldlening. [gedaagde 1B] , [gedaagde 1A] en [naam 1] hebben afgesproken dat [gedaagde 1A] en zijn vennootschappen geld van [naam 1] zouden lenen om de projecten van [gedaagde 1A] c.s. van de grond te krijgen. Die lening zou ook worden gebruikt om de kosten te betalen die door [gedaagde 1B] gemaakt moesten worden om ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. een financiering aan te trekken. Alleen uit praktisch oogpunt vonden de betalingen direct plaats aan [gedaagde 1B] c.s., aldus [gedaagde 1B] c.s.
5.25.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat LH Holding en [naam 1] bedragen aan [gedaagde 1B] c.s. hebben betaald. De hoogte van het totaal van die bedragen is in geschil. [eiser] vordert € 173.611,33. In Overeenkomst II is dit bedrag vastgesteld op € 180.752,74, maar bij die overeenkomst zijn [gedaagde 1B] c.s. geen partij. Dat enig bedrag aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald ten titel van geldlening, dus met de bedoeling dat [gedaagde 1B] c.s. (en niet uitsluitend [gedaagde 1A] c.s.) een overeenkomstige som geld zouden terugbetalen is nog onvoldoende aannemelijk geworden.
5.26.
Er is geen overeenkomst van geldlening op schrift. Bij Overeenkomst I en Overeenkomst II zijn [gedaagde 1B] c.s. geen partij. [eiser] heeft zijn stellingen onderbouwd met bankafschriften en SMS-berichten en met verklaringen van [gedaagde 1A] , [naam 4] en van zichzelf. De tientallen SMS-berichten bevatten onvoldoende concrete aanwijzingen dat sprake is geweest van een geldlening aan [gedaagde 1B] c.s. en om welk bedrag het in totaal gaat. Ook de verklaringen bieden hiervoor onvoldoende steun. [gedaagde 1A] heeft een eigen belang bij een uitkomst, waarbij een deel van zijn schuld aan [eiser] als lening aan [gedaagde 1B] c.s. wordt aangemerkt. Hetzelfde geldt voor [eiser] die in deze procedure de eiser is. [eiser] heeft bovendien niet verklaard dat hij in de periode dat de betalingen aan [gedaagde 1B] c.s. werden verricht zelf betrokken is geweest. De verklaring van [naam 4] betreft ook met name een reconstructie en duiding achteraf. [naam 4] is bestuurder geworden van LH Holding in 2019. Volgens zijn verklaring vond de laatste betaling aan [gedaagde 1B] c.s. plaats op 17 februari 2017. Deze verklaringen maken onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van een geldlening aan [gedaagde 1B] c.s. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog verklaard dat [gedaagde 1B] het geld heeft geleend en, als dat niet het geval is, dat dan [gedaagde 1A] het geld heeft geleend. Ook dat wijst erop dat [eiser] beide mogelijkheden open laat.
5.27.
[gedaagde 1B] c.s. hebben hun betwisting dat zij enig bedrag ten titel van geldlening hebben ontvangen nader onderbouwd met verklaringen van [naam 3] en [naam 5] . [naam 3] was bestuurder van LH Holding naast [naam 1] sinds 18 mei 2016. [naam 5] heeft onbetwist verklaard dat hij vanaf de oprichting tot en met 2016 de administratie voerde van LH Holding. Zij hebben verklaard dat de betalingen aan [gedaagde 1B] c.s. zijn verricht op aanwijzing en ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. Ook de verklaring van [gedaagde 1A] zelf tijdens de mondelinge behandeling wijst erop dat [gedaagde 1B] c.s. betalingen ontvingen om kosten te dekken die werden gemaakt ten behoeve van [gedaagde 1A] en zijn ondernemingen. In zoverre is de verklaring van [gedaagde 1A] tijdens de mondelinge behandeling niet goed verenigbaar met de verklaring van [gedaagde 1A] die door [eiser] in het geding is gebracht. Waarom [gedaagde 1B] c.s. (en niet [gedaagde 1A] c.s.) een bedrag gelijk aan deze kosten aan LH Holding en [naam 1] zouden moeten terugbetalen terwijl niet zij maar [gedaagde 1A] c.s. profijt hadden van deze kosten, heeft [eiser] (nog) niet verklaard.
5.28.
[eiser] heeft een concreet aanbod gedaan om zijn stellingen te bewijzen. De rechtbank zal [eiser] opdragen om te bewijzen dat de betalingen die LH Holding en [naam 1] aan [gedaagde 1B] c.s. hebben verricht ten titel van geldlening zijn verricht, dus onder de voorwaarde dat [gedaagde 1B] c.s. een gelijke som geld weer aan LH Holding en [naam 1] zouden terugbetalen. Voor zover [eiser] in dat bewijs slaagt, zullen [gedaagde 1B] c.s. voor enig gedeelte van de hoofdsom van € 549.231,64 hoofdelijk naast [gedaagde 1A] c.s. worden veroordeeld.
In de vrijwaringsprocedure met nummer C/10/699532 / HA ZA 25-403
5.29.
[gedaagde 1B] c.s. hebben tegen de vordering van [gedaagde 1A] c.s. in vrijwaring in de kern hetzelfde aangevoerd als tegen de vordering van [eiser] . [gedaagde 1B] c.s. betwisten dat zij geld van LH Holding en [naam 1] hebben geleend. Zij betwisten ook dat tussen [gedaagde 1A] c.s. en [gedaagde 1B] c.s. is overeengekomen dat [gedaagde 1B] c.s. de betalingen die zij ontvingen van LH Holding en [naam 1] rechtstreeks zouden terugbetalen of aan [gedaagde 1A] c.s.
5.30.
De rechtbank oordeelt als volgt. [gedaagde 1A] c.s. hebben hun stelling dat zij met [gedaagde 1B] c.s. zijn overeengekomen dat [gedaagde 1B] c.s. enig bedrag dat zij van LH Holding en [naam 1] hebben ontvangen zouden terugbetalen, hetzij rechtstreeks aan LH Holding en [naam 1] , hetzij aan [gedaagde 1A] c.s., voor zover [gedaagde 1A] c.s. meer zouden hebben terugbetaald dan hun eigen lening, niet concreet gemaakt. [gedaagde 1A] c.s. hebben gesteld dat “niet relevant is”, waarom zij zich in Overeenkomst II hebben verbonden om ook het gedeelte terug te betalen dat aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald. De stellingen van [gedaagde 1A] c.s. zijn tegenover de betwisting van [gedaagde 1B] c.s. weinig concreet. Daar staat tegenover dat als [eiser] in het bewijs slaagt van zijn stellingen dat [gedaagde 1B] c.s. enig deel van de hoofdsom van € 549.231,64 ten titel van geldlening hebben ontvangen en gehouden zijn om dat deel als eigen schuld aan [eiser] (als cessionaris van die leningen) terug te betalen, [gedaagde 1A] c.s. mogelijk – als hoofdelijk schuldenaren - op grond van de wet regres kunnen nemen op [gedaagde 1B] c.s. Om die reden houdt de rechtbank ook de beslissing op de vrijwaringsvordering aan.

6.De beslissing

De rechtbank
In de verwezen en gevoegde procedure met nummer C/10/696825 / HA ZA 25-276 ( [eiser] v. [gedaagde 1A] c.s.)
6.1.
houdt elke beslissing aan,
In de procedure met nummer C/10/683857 / HA ZA 24-682 ( [eiser] v. [gedaagde 1B] c.s.)
6.2.
draagt [eiser] op om te bewijzen dat de betalingen die zijn verricht door LH Holding en [naam 1] aan [gedaagde 1B] c.s. zijn verricht ten titel van geldlening, dus onder de voorwaarde dat [gedaagde 1B] c.s. een gelijke som geld weer aan [naam 1] en/of LH Holding zouden terugbetalen,
6.3.
verwijst de zaak naar de rol van 25 februari 2026 voor een akte van de kant van [eiser] , waarin [eiser] zich kan uitlaten over de wijze waarop hij voornemens is het opgedragen bewijs te leveren,
6.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
In de vrijwaringsprocedure met nummer C/10/699532 / HA ZA 225-403
6.5.
houdt iedere beslissing aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
[3669/106]

Voetnoten

1.HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911.
2.De conclusie van antwoord van [gedaagde 1A] c.s. bevat een verklaring met die strekking (randnummer 3.26).