ECLI:NL:RBROT:2026:8481

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
ROT 24/2748
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:37 AwbArt. 8:38 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 4.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in zaak over overname private schulden

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Financiën om zijn verzoek tot overname van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen af te wijzen. De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van het beroep. Het beroep is te laat ingediend, namelijk op 11 maart 2024, terwijl de termijn eindigde op 29 januari 2024.

Eiser voerde aan dat hij tijdig had aangegeven beroep te willen instellen en rechtsbijstand had gezocht, maar kon geen bijzondere omstandigheden aantonen die de termijnoverschrijding verontschuldigden. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, mede omdat eiser meerdere andere procedures wel tijdig heeft ingesteld.

Daarnaast was eiser niet bereikbaar op het bij de rechtbank bekende adres en heeft hij geen nieuw adres doorgegeven, waardoor oproepen per e-mail zijn verzonden. De rechtbank heeft de zaak daarom zonder eiser behandeld.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schulden van eiser niet voldoen aan de voorwaarden voor overname volgens de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het niet doorgeven van een actueel adres.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2748

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

de minister van Financiën, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister het verzoek van eiser om private schulden over te nemen, terecht heeft afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van eiser niet-ontvankelijk, omdat het laat is ingediend.

Procesverloop

2. Met het besluit van 12 juli 2023 (het primaire besluit) heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schulden van eiser over te nemen.
2.1.
Met het besluit van 18 december 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De behandeling van het beroep van eiser was aanvankelijk gepland op een zitting van 3 februari 2026. De oproeping aan eiser, die werd verzonden naar het door eiser opgegeven adres, [straatnaam] in [locatie], werd door de rechtbank terugontvangen. Uit de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) is gebleken dat eiser niet meer woonachtig was op het adres. De rechtbank heeft de uitnodiging voor de zitting daarom op
5 januari 2026 per e-mail naar eiser gestuurd.
2.4.
Op 27 januari 2026 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met de rechtbank. In dit telefoongesprek heeft eiser verklaard dat hij geen dossier en geen advocaat heeft en heeft hij aangegeven naar België te zijn verhuisd. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht om de zitting van 3 februari 2026 uit te stellen om hem in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken en het dossier te verkrijgen. De rechtbank is akkoord gegaan met het verzoek tot aanhouding van de zaak en heeft eiser in de gelegenheid gesteld om binnen een maand een nieuwe advocaat te vinden. Daarnaast heeft de rechtbank eiser verzocht om binnen een maand een adres door te geven waarop hij voor de rechtbank te bereiken is. Omdat slechts een e-mailadres van eiser bekend was bij de rechtbank is tevens medegedeeld dat de correspondentie met eiser via dit e-mailadres zou verlopen.
2.5.
De behandeling van het beroep is vervolgens op een zitting op 2 juni 2026 gepland. De oproeping voor deze zitting is per e-mail naar eiser verzonden, omdat eiser geen nieuw adres of advocaat heeft doorgegeven aan de rechtbank. Eiser heeft niet, zoals door de rechtbank verzocht, bevestigd dat hij de oproep heeft ontvangen. Hij was ook niet meer te bereiken via zijn telefoonnummer. De e-mail is niet retour gekomen.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is het eiser te verwijten, dan wel moet het voor zijn rekening komen, dat hij zijn adreswijziging niet aan de rechtbank bekend heeft gemaakt. De rechtbank heeft daarom besloten de behandeling van de beroepszaak voort te zetten. De rechtbank verwijst daarvoor naar het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verificatie van het door eiser, bij het instellen van beroep in november 2024, aan de rechtbank opgegeven adres, leverde op dat eiser op dat adres niet langer woonachtig is. Eisers huidige adres is onbekend. Het is daardoor niet mogelijk toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:38, tweede lid van de Awb en alsnog een uitnodiging of oproeping te versturen aan het juiste adres van eiser.
2.7.
De Awb biedt wel de mogelijkheid van bekendmaking van de dag van de zitting op andere wijze [1] , maar schrijft niet voor wat er moet gebeuren, als het door de betrokkene opgegeven adres bij verificatie onjuist blijkt te zijn en het werkelijke – of juiste – adres niet kan worden achterhaald. De rechtbank acht hieraan te hebben voldaan door de oproeping voor de zitting van 2 juni 2026 per e-mail naar eiser te verzenden. Daarom zet zij de behandeling van de zaak voort buiten de aanwezigheid van eiser.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
3.1.
Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf
29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3.2.
Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) schuldenlijsten verstrekt. Bij het primaire besluit is geweigerd om de door eiser ingediende schulden aan niet over te nemen.
3.3.
De schulden aan [bedrijf 1] van € 934,52 en [bedrijf 2] van
€ 7.660,20 zijn niet overgenomen op grond van code 2 en 14. Code 2 houdt in:
De bedragen van private schulden die u hebt doorgegeven zijn niet of niet allemaal ontstaan of
opeisbaar geworden tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Wij betalen alleen het deel terug dat in deze periode is ontstaan.’ Code 14 houdt in: ‘
Dit bedrag betalen we niet (geheel) terug omdat u deze schuld (deels) hebt betaald voordat u uw compensatie ontving.
3.4.
De schulden aan [bedrijf 3] van € 26.580,81 en [bedrijf 4] van € 1,00 zijn tevens niet overgenomen op grond van code 14.
3.5.
De schuld aan [bedrijf 5] van € 21.205,30 is niet overgenomen op grond van code 4. Deze code houdt in:
‘Dit bedrag is een financieel product van bijvoorbeeld een bank. Wij betalen alleen het deel van uw betalingsachterstand af mits deze achterstand is ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.’
3.6.
De schuld aan [bedrijf 2] van € 64.988,67 is niet overgenomen op grond van code 6. Deze code houdt in: ‘
Dit bedrag hebt u meerdere keren ingediend. We handelen dit bedrag één keer af.
3.7.
De schuld aan [bedrijf 6] van € 71.004,26 is niet overgenomen op grond van code 10. Deze code houdt in: ‘
Dit bedrag was geen schuld. Er kan niets worden terugbetaald.
3.8.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering om de schulden over te nemen. De minister heeft het primaire besluit in bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft de minister overwogen dat de schulden van eiser niet voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de Wht, waardoor deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Standpunt eiser
3.9.
In beroep voert eiser aan dat de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend, omdat hij voor het verstrijken van de termijn bij de Uitvoeringsdienst Herstel Toeslagen (UHT) kenbaar heeft gemaakt beroep te willen instellen en rechtsbijstand heeft gezocht bij de Raad voor Rechtsbijstand. Eiser stelt dat UHT niet aan de doorzendplicht heeft voldaan, waardoor op grond van het rechtszekerheidsbeginsel de niet-tijdigheid niet aan hem kan worden toegerekend. Het beroepschrift is zo spoedig mogelijk ingediend als redelijkerwijs van de indiener kon worden verlangd [2] .
Beoordeling van het bestreden besluit
Ontvankelijkheid van het beroep
4. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak, moet zij beoordelen of het beroep van eiser ontvankelijk is.
5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [3] Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
6. De eerste dag van de termijn is de eerste dag nadat het bestreden besluit is bekendgemaakt. Het bestreden besluit is bekend gemaakt op 18 december 2023, zodat de laatste dag van de beroepstermijn 29 januari 2024 was. Het beroepschrift van eiser is door de rechtbank op 11 maart 2024 ontvangen. Het beroepschrift is dus niet binnen de termijn ingediend.
7. Uit de uitspraak van het CBb van 30 januari 2024 volgt dat bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding rekening moet worden gehouden met bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan het gaan om persoonlijke omstandigheden, bijvoorbeeld psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten, of om externe omstandigheden, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte op het bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand.
8. Het niet tijdig indienen van een bezwaar- of beroepschrift kan niet aan de indiener worden toegerekend als deze daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Dat is in elk geval zo als moet worden vastgesteld dat er een duidelijke verhindering voor de indiener was om tijdig bezwaar te maken of beroep in te stellen. Daarnaast biedt de term “redelijkerwijs” in artikel 6:11 van Pro de Awb het bestuursorgaan en de bestuursrechter enige ruimte om ook in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Een belangrijke factor is de hoedanigheid van de indiener.
9. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij voor het verstrijken van de termijn bij UHT kenbaar heeft gemaakt beroep te willen instellen en rechtsbijstand heeft gezocht bij de Raad voor Rechtsbijstand. Eiser heeft in dat kader zijn aanvraag om rechtsbijstand overgelegd. Deze is van 23 januari 2024, nog vóór het verstrijken van de beroepstermijn, zodat eiser tijdig beroep had kunnen instellen. Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd die maakte dat hij niet in staat was om het beroepschrift tijdig in te dienen. De rechtbank is daarom van oordeel dat in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding niet verwijtbaar is of dat eiser een slechts gering verwijt treft. Daarbij speelt ook een rol dat eiser meerdere procedures heeft lopen bij de rechtbank, waarbij wel tijdig beroep is ingesteld.
10. Gezien het voorgaande verenigt de rechtbank zich met het oordeel van de minister dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar moet worden geacht.
11. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schulden van eiser, afgaande op de overgelegde stukken, niet voldoen aan de voorwaarden voor overname in de Wht. [5]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:37, tweede lid, van de Awb.
2.Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (het CBb) van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31).
3.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.