ECLI:NL:RBROT:2026:8477

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
10.031932.26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 2 OpiumwetArt. 2a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het vervoeren van bijna 10 kilo MDMA en 3 kilo N-ethylpentedron

De rechtbank Rotterdam heeft op 15 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het vervoeren van grote hoeveelheden verdovende middelen en witwassen. De verdachte werd vrijgesproken van het vervoeren van 101,3 gram heroïne en van het (schuld)witwassen van €4.750,-. Wel werd bewezen verklaard dat hij bijna 10 kilo MDMA en ongeveer 3 kilo N-ethylpentedron (NEP) vervoerde.

De rechtbank verwierp het verweer dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, omdat de politie bevoegd was om de kofferbak te doorzoeken op identiteitsbewijzen en daaraan gerelateerde voorwerpen. De verdachte verklaarde dat hij de drugs vervoerde voor €500,- en dat hij de zakken globaal had bekeken, waarbij hij bewust de kans aanvaardde dat het harddrugs betrof.

Gezien de ernst van de feiten en de bijdrage aan het criminele circuit legde de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder dakloosheid en psychosociale problematiek, werden meegewogen. De rechtbank beval tevens de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag, omdat het witwassen niet bewezen was.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, voor het vervoeren van bijna 10 kilo MDMA en 3 kilo N-ethylpentedron.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10.031932.26
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Datum zitting: 1 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats
gedetineerd in [naam PI]
Advocaat van de verdachte: mr. S.J.M. Laurier
Officier van justitie: mr. P.L. van Montfoort
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het vervoeren van bijna 10 kilo MDMA en ongeveer 3 kilo N-ethylpentedron (designerdrug NEP). Het verweer dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, wordt verworpen. Niet is bewezen dat de verdachte ook heroïne heeft vervoerd of aanwezig heeft gehad. Ook wordt de verdachte vrijgesproken van het (schuld)witwassen van € 4.750,-. Hij wordt veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat
1
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Ridderkerk, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 101,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of
- ongeveer 9,78 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde heroïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Ridderkerk, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten ongeveer 2996,20 gram N-ethylpentedron heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Ridderkerk, althans in Nederland, één of meerdere voorwerpen (contant geldbedrag van 4750 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

2.Bewijsoverwegingen en gedeeltelijke vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Alleen voor feit 1 vordert de officier van justitie partiële vrijspraak, namelijk ten aanzien van het aanwezig hebben dan wel vervoeren van 101,3 gram heroïne. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak aanwezig hebben/vervoeren heroïne
De beschuldiging dat de verdachte 101,3 gram heroïne aanwezig heeft gehad dan wel heeft vervoerd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken (partiële vrijspraak feit 1). De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk 9,618 kilogram MDMA en 2996,2 gram
N-ethylpentedron heeft vervoerd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.5.
De bewezenverklaring van feit 1 (partieel) en feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik reed in een huurauto en was onderweg naar een tankstation in Ridderkerk om voor een kennis iets weg te brengen. Daar zou ik € 500,- voor krijgen. De kofferbak werd geopend, een doos erin gelegd. Ik maakte de doos open en dacht het klopt wel. Ik heb de zakken er uitgehaald, even globaal bekeken. Ik zag plaatjes van Spiderman enzo. Ik ben gaan rijden. Het geld zou ik krijgen van degene die het kwam ophalen. Iemand zou mij herkennen, naar mij toekomen en het uit de kofferbak halen.
2.
Proces-verbaal van bevindingen van de politie [3] Op donderdag 29 januari 2026 zagen wij een personenauto rijden. Toen de achterbak open was, zagen wij in de achterbak een kartonnen doos en een rode tas. Wij zagen direct in de rode tas plastic zakken zitten, die gevuld waren met witkleurige kristalachtige brokken. Wij vermoedden dat dit stoffen waren die op lijst 1 stonden. Hij bleek te zijn: [verdachte]. In de kartonnen doos troffen wij meerdere gekleurde plastic zakken aan. Twee grote gevulde plastic zakken met daarop de tekst “XTC 200mg MDMA, HCL watermelon”. Een zak met daarop de tekst “XTC 280mg MDMA, HCL spiderman”. Vier zakjes met daarop de tekst “XTC 360mg MDMA, HCL punisher.
3.
Kennisgeving van inbeslagneming [4]
Plaats: Ridderkerk
Goednummer: PL1700-2026034720-7093708
Object: Pillen
4.
Kennisgeving van inbeslagneming [5]
Plaats: Ridderkerk
Goednummer: PL1700-2026034720-7093728
Object: Pillen
5.
Kennisgeving van inbeslagneming [6]
Plaats: Ridderkerk
Goednummer: PL1700-2026034720-7093729
Object: Pillen
6.
Kennisgeving van inbeslagneming [7]
Plaats: Ridderkerk
Goednummer: PL1700-2026034720-7093736
Object: Verdovende mid (Opium)
7.
Kennisgeving van inbeslagneming [8]
Plaats: Ridderkerk
Goednummer: PL1700-2026034720-7093739
Object: Verdovende mid (Opium)
8.
Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen [9]
SIN/UVN: AASZ4564NL
BVH Goednummer: 7093708
Object omschrijving: Twee stazakken (opdruk: ‘Watermeloen’) met daarin (tweekleurige) rechthoekige groen met roze tabletten met de opdruk: ‘Marvel’
Nettogewicht: 5114 gram
SIN/UVN: AASZ4566NL
BVH Goednummer: 7093729
Object omschrijving: Vier stazakken (opdruk: ‘Marvel’) met daarin (rechthoekige) tweekleurige rood met grijze tabletten met de opdruk: ‘Marvel’
Nettogewicht: 2005 gram
SIN/UVN: AASZ4567NL
BVH Goednummer: 7093728
Object omschrijving: Een stazak (opdruk: ‘Dutch Delight’, ‘Spiderman’) met daarin (tweekleurige) rood met blauwe rechthoekige tabletten met de opdruk: ‘Marvel’
Nettogewicht: 2499 gram
SIN/UVN: AASZ4563NL
BVH Goednummer: 7093736
Object omschrijving: Een gripzak met daarin witte brokken met kristallijn materiaal
Nettogewicht: 996,2 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ4563NL
SIN/UVN: AAFT1840NL
SIN/UVN: AASZ4569NL
BVH Goednummer: 7093739
Object omschrijving: Twee gripzakken met daarin witte brokken met kristallijn materiaal
Nettogewicht: 2000 gram
Veiliggesteld monster afkomstig van goed AASZ4569NL
SIN/UVN: AAFT1838NL
SIN/UVN: AAFT1839NL
9.
Deskundigenverslag [10] Kenmerk: AASZ4564NL
Omschrijving FO: gleuftablet, meerkleurig, uit 5114 gram
Conclusie: bevat MDMA
10.
Deskundigenverslag [11] Kenmerk: AASZ4566NL
Omschrijving FO: gleuftablet, meerkleurig, uit 2005 gram
Conclusie: bevat MDMA
11.
Deskundigenverslag [12] Kenmerk: AASZ4567NL
Omschrijving FO: gleuftablet, meerkleurig, uit 2499 gram
Conclusie: bevat MDMA
12.
Deskundigenverslag [13] Kenmerk: AAFT1838NL
Conclusie: bevat NEP
Kenmerk: AAFT1839NL
Conclusie: bevat NEP
Kenmerk: AAFT1840NL
Conclusie: bevat NEP
NEP valt onder lijst IA van de Opiumwet en behoort tot de stofgroep ‘
Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’.
2.3.3.
Bewijsmotivering
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bevoegdheden van artikel 55b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn overschreden en dat om die reden sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten op grond van artikel 55b lid 1 Sv bevoegd waren om in de kofferbak van het voertuig te kijken naar een identiteitsbewijs. Artikel 55b lid 1 Sv geeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om een staande gehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, en voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, één en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit ook mag in het dashboardkastje, omdat dit, naar de algemene ervaring leert, een gebruikelijke plaats is om bijvoorbeeld tasjes en portefeuilles die de bestuurder of passagier bij zich heeft in te leggen en waar derhalve voorwerpen kunnen worden aangetroffen die de bestuurder of passagier van de auto bij zich draagt of met zich voert (ECLI:NL:HR:2011:BP6043). De rechtbank is in het verlengde daarvan van oordeel dat de politie onderzoek mocht doen in de kofferbak van de auto als zijnde een plaats waar zich voorwerpen met een identiteitsbewijs kunnen bevinden. Het verweer wordt daarom verworpen.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij € 500,- zou krijgen als hij iets weg zou brengen naar een tankstation. Hij heeft de spullen naar eigen zeggen globaal bekeken en ging er op dat moment al van uit dat het softdrugs betrof. Het geld zou hij krijgen van iemand die hem zou herkennen en de kofferbak zou legen.
Door onder deze verdachte omstandigheden zakken met verdovende middelen te vervoeren, zonder zich ervan te vergewissen dat het daadwerkelijk ging om softdrugs, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de te vervoeren goederen harddrugs konden zijn. Dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard, leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de verdachte de zakken globaal heeft bekeken – terwijl op de voor- en achterzijde van de zakken met grote letters stond “MDMA” – en desalniettemin is doorgegaan met waar hij mee bezig was.
Het tenlastegelegde is daarom wettig en overtuigend bewezen.
2.3.4.
Vrijspraak (schuld)witwassen
De verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde (schuld)witwassen (feit 3). De verdachte is aangehouden met een groot bedrag aan cashgeld (€ 4.750,-) op het moment dat hij ook een grote hoeveelheid aan verdovende middelen vervoerde in zijn auto. Op grond daarvan is er volgens de rechtbank een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte heeft echter direct bij de politie over de herkomst van dit geld verklaard dat het onder andere afkomstig is uit de erfenis van zijn vader. Hij heeft verteld dat hij dakloos is en geen Nederlandse bankrekening heeft, daarom heeft hij het geld contant bij zich. Het geld is alles wat hij heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van een misdrijf afkomstig is. Nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het tenlastegelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
2.3.5.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
1
hij op 29 januari 2026 te Ridderkerkopzettelijk heeft vervoerd
-
9,618kilogram MDMA;
Feit 2
hij op 29 januari 2026 te Ridderkerk al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten ongeveer 2996,20 gram N-ethylpentedron heeft vervoerd;

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet volgens de officier van justitie voor de feiten worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 35 maanden.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Slechts voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een groot deel van de straf voorwaardelijk opgelegd dient te worden.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft in een auto bijna dertien kilo aan verdovende middelen vervoerd. De verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door het vervoeren en het op die manier in de markt brengen van drugs wordt het gebruik daarvan bevorderd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft hier, door de drugs te vervoeren, indirect aan bijgedragen, en dat omdat hij naar eigen zeggen “snel € 500,- wilde verdienen”.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering van 22 april 2026
In het rapport van de Reclassering Nederland staat onder meer dat de verdachte veel praktische problemen heeft in zijn leven – geen huisvesting, werk of inkomsten. Daarnaast vermoedt de reclassering problematiek in het psychosociaal functioneren en zien zij aanwijzingen voor antisociale cognities. Het recidiverisico wordt daarom ingeschat als gemiddeld/hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden (meldplicht reclassering, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en aflossing schulden).
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank onder meer rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank wijkt in het voordeel van de verdachte af van de oriëntatiepunten gelet op de rol van de verdachte bij het feit; uit het dossier blijkt dat hij een chauffeur was maar hij lijkt verder niet betrokken bij het grotere geheel. Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 10 maanden voorwaardelijk opgelegd. De rechtbank houdt daarbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, namelijk dat hij na zijn vrijlating met hulp van de reclassering zijn leven op orde wenst te krijgen. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen voorwerp (€ 4.750,-) verbeurd wordt verklaard.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen voorwerp moet worden teruggegeven aan de verdachte.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen voorwerp aan de verdachte nu de verdachte wordt vrijgesproken van het aan dit voorwerp gekoppelde tenlastegelegde feit.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 2a, 10 en 10b van de Opiumwet.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van dertig (30) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
tien (10) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarde dat:
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn
de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in begeleide woonvorm Exodus of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk;
de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt, ook als dit inhoudt het treffen van afbetalingsregelingen of het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wnsp). De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
In beslag genomen voorwerpen
- beveelt de teruggave van het geldbedrag (€ 4.750,- (vierduizendzevenhonderdvijftig euro) aan de verdachte.

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier 26GERVOIA met nummer 2026034720.
2.Verklaard tijdens de zitting van 1 mei 2026.
3.Pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1].
4.[proces-verbaalnummer 2].
5.[proces-verbaalnummer 3].
6.[proces-verbaalnummer 4].
7.[proces-verbaalnummer 5].
8.[proces-verbaalnummer 6].
9.Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7].
10.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2026.02.04.024 (aanvraag 001).
11.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2026.02.04.024 (aanvraag 003).
12.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2026.02.04.024 (aanvraag 002).
13.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2026.02.04.024 (aanvraag 004).