ECLI:NL:RBROT:2026:8247

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/7454
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag kinderopvangtoeslag wegens ontbreken aanvragerschap

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen had haar aanvraag afgewezen omdat uit de systemen niet bleek dat zij kinderopvangtoeslag had aangevraagd of ontvangen in het jaar 2005.

De rechtbank overwoog dat compensatie op grond van de Wht alleen kan worden toegekend aan aanvragers van kinderopvangtoeslag die schade hebben geleden. De Dienst Toeslagen had zorgvuldig onderzoek gedaan door het BSN-nummer van eiseres in verschillende systemen te controleren, waaruit bleek dat geen aanvraag of terugvordering van kinderopvangtoeslag op haar naam was geregistreerd.

Eiseres had ter onderbouwing een ongedateerde verklaring van haar zus, een lijst met kinderopvanginstellingen en een foto uit 2002 overgelegd, maar geen facturen, betaalbewijzen of contracten uit 2005. De rechtbank vond deze stukken onvoldoende om aan te nemen dat zij in 2005 daadwerkelijk kinderopvang had afgenomen.

Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen, omdat de Wht een formele wet is en toetsing aan algemene rechtsbeginselen in beginsel niet mogelijk is. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees proceskosten en griffierecht af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar compensatieaanvraag op grond van de Wht wordt ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat zij aanvrager van kinderopvangtoeslag was.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7454
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Rachid),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (hierna: Wht).
1.1.
De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 6 juni 2024 afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. T.P. Monteiro Mendonca namens de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
2.1.
Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen heeft miskend dat zij wel degelijk kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen en ook heeft terug moeten betalen. Zij is er van overtuigd dat namens haar in het toeslagjaar 2005 kinderopvangtoeslag is aangevraagd door haar dan wel door de kinderopvanginstelling. Ter onderbouwing van haar stelling dat eiseres kinderopvang heeft afgenomen voor één of meer kinderen, heeft eiseres een ongedateerde verklaring van haar zus overgelegd, een lijst met kinderopvanginstellingen en een incomplete foto van haar dochter met daarop het jaartal 2002. De omstandigheid dat de Dienst Toeslagen in de systemen geen aanvragen of terugvorderingen kinderopvangtoeslag op haar naam of BSN-nummer kan vinden, is onvoldoende voor de conclusie dat zij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en ontvangen, aldus eiseres.
2.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 2.1 van de Wht volgt dat het uitgangspunt is dat compensatie kan worden gegeven aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat om in aanmerking te komen voor compensatie, eiseres een aanvrager van kinderopvangtoeslag moet zijn.
2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen voldoende zorgvuldig onderzocht of eiseres aanvrager is geweest van kinderopvangtoeslag. Naar aanleiding van het verzoek van eiseres om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag heeft de Dienst Toeslagen in verschillende systemen gezocht op het BSN-nummer van eiseres. De Dienst Toeslagen heeft ook toegelicht dat als de kinderopvangtoeslag direct aan de kinderopvanginstelling is uitgekeerd, dit op het BSN-nummer van eiseres moet zijn geregistreerd. De Dienst Toeslagen heeft in de geraadpleegde systemen het BSN-nummer van eiseres niet gevonden in relatie tot kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft het zoekresultaat onderbouwd met een printscreen van de zoekresultaten in de verschillende systemen. Wel zijn in de systemen aanvragen gevonden voor verschillende (latere) jaren met betrekking tot huurtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft voldoende ondernomen en ook voldoende gemotiveerd dat er uit de systemen volgt dat geen aanvraag om kinderopvangtoeslag voor het jaar 2005 door of namens eiseres is ingediend. De rechtbank weegt in haar oordeel mee dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres in het jaar 2005 daadwerkelijk kinderopvang voor haar kind of kinderen heeft afgenomen. Er zijn geen facturen, betaalbewijzen of contracten betreffende kinderopvang in 2005 door eiseres overgelegd. Eiseres heeft slechts een ongedateerde verklaring van haar zus in het geding gebracht waarin staat dat de zus verklaart dat zij haar neefje heeft opgehaald bij de crèche Clipper. Onduidelijk is in welk jaar dat dan zou zijn geweest. Ook de incomplete foto uit 2002 die door eiseres is overgelegd en de lijst met registraties van de verschillende kinderopvanginstellingen waar de kinderen opvang zouden hebben genoten, onderbouwen op geen enkele manier dat in 2005 daadwerkelijk kinderopvang (in de zin van de Wet kinderopvang) is afgenomen door eiseres voor één of meerdere kinderen. Bij gebreke van enig feitelijk aanknopingspunt, bestaat in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. [1] De beroepsgrond slaagt niet.
2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel evenmin. De Wht is een wet in formele zin, zodat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel of aan andere algemene rechtsbeginselen in beginsel niet mogelijk is (artikel 120 van Pro de Grondwet). Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, zodanig dat die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de Wht zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de rechtspraak van de Afdeling. [2]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding tot vergoeding van de proceskosten. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet terug.
3.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Vernee, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3256.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045.