ECLI:NL:RBROT:2026:8173

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
8957231 CV EXPL 21-593
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in verstekzaak over vernietigde kredietovereenkomst en terugbetaling

Deze zaak betreft een verstekvonnis in een procedure tussen Intrum Nederland B.V. en een gedaagde over een kredietovereenkomst die Otto B.V. aan de gedaagde had verstrekt. In een tussenvonnis van 7 april 2026 werd de kredietovereenkomst ambtshalve vernietigd omdat Otto B.V. niet had voldaan aan de verplichting tot tijdige verstrekking van precontractuele informatie zoals vereist in artikel 7:60 lid 1 BW Pro.

Ondanks de vernietiging van de overeenkomst moet de gedaagde het kredietbedrag dat hij van Otto B.V. heeft ontvangen terugbetalen, omdat dit bedrag onverschuldigd is betaald. Intrum heeft een specificatie gegeven van het verstrekte kredietbedrag en de reeds gedane terugbetalingen. De gedaagde is veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 2.191,79 aan Intrum.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis, omdat de vordering pas na vernietiging van de overeenkomst is ontstaan en de gedaagde nog niet in verzuim is. De gevorderde toeslag van 12% per jaar bovenop de wettelijke rente wordt afgewezen omdat deze gebaseerd was op de vernietigde kredietovereenkomst.

De proceskosten worden aan de gedaagde opgelegd en begroot op € 919,35. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van € 2.191,79 met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening en tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 8957231 CV EXPL 21-593
datum uitspraak: 23 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Intrum Nederland B.V.,
te Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarders J. Schutte en M. Musen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 7 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
  • de akte uitlating eiseres van 9 juni 2026, met bijlagen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Deze procedure gaat over een kredietovereenkomst op basis waarvan Otto B.V. aan [gedaagde] een doorlopend krediet heeft verstrekt. In het tussenvonnis van 7 april 2026 heeft de kantonrechter (ambtshalve) de kredietovereenkomst vernietigd, omdat Otto niet heeft voldaan aan de verplichting zoals opgenomen in artikel 7:60 lid 1 BW Pro (het tijdig verstrekken van precontractuele informatie). [gedaagde] moet wel het kredietbedrag dat hij van Otto heeft ontvangen terugbetalen, omdat dat bedrag (vanwege de vernietiging) door Otto onverschuldigd aan [gedaagde] is betaald. Intrum is in de gelegenheid gesteld om opgave te doen van het verstrekte kredietbedrag en de door [gedaagde] gedane (terug)betalingen. Dat heeft zij in haar akte van 9 juni 2026 gedaan.
[gedaagde] moet een hoofdsom van € 2.191,79 betalen
2.2.
Uit de akte van Intrum volgt dat Otto een kredietbedrag van in totaal € 2.516,79 aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat hij in totaal € 325,- heeft (terug)betaald. Daarom moet [gedaagde] nog € 2.191,79 aan Intrum betalen. Hij wordt hiertoe veroordeeld.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
2.3.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend. Pas door de vernietiging van de overeenkomst is de vordering uit onverschuldigde betaling ontstaan, zodat de rente niet eerder dan de datum van het tussenvonnis kan worden toegewezen. [gedaagde] is op dit moment echter nog niet in verzuim. De kantonrechter geeft hem nog een termijn van veertien dagen om aan dit vonnis te voldoen. [1]
2.4.
De gevorderde toeslag van 12% per jaar over de wettelijke rente wordt afgewezen, omdat die toeslag is gebaseerd op de kredietovereenkomst en die is vernietigd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Intrum moet betalen op € 86,85 aan dagvaardingskosten, € 507,- aan griffierecht, € 217,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 108,50,- aan nakosten. Dat is in totaal € 919,35. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Intrum dat eist (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend aan Intrum te betalen € 2.191,79 en als [gedaagde] dit niet doet moet hij over dit bedrag de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro betalen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Intrum worden begroot op € 919,35;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5408