ECLI:NL:RBROT:2026:7881

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/7391
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:663 BWArt. 7:665 BWArt. 7:672 BWArt. 19 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WW-uitkering voor aanvang opzegtermijn na beëindiging dienstverband bij overgang onderneming

Eiseres was sinds 1 juni 2017 in dienst bij haar werkgever en werd geïnformeerd over een fusie per 1 april 2025. Zij maakte kenbaar het dienstverband niet voort te zetten vanwege nadelige arbeidsvoorwaardelijke wijzigingen, waardoor het dienstverband op 1 april 2025 eindigde.

Eiseres vroeg een WW-uitkering aan met ingang van 1 april 2025, maar het UWV kende deze toe vanaf 1 juni 2025, rekening houdend met een opzegtermijn van twee maanden. Eiseres betwistte dit en stelde dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigde zonder opzegtermijn.

De rechtbank oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is beëindigd vanwege een aanmerkelijke wijziging van arbeidsvoorwaarden. Hierdoor geldt een opzegtermijn van twee maanden, die startte op 1 april 2025. De WW-uitkering kan daarom pas per 1 juni 2025 ingaan.

Hoewel het UWV een motiveringsgebrek vertoonde, werd dit hersteld en gepasseerd omdat eiseres niet benadeeld werd. De rechtbank verwierp het beroep en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de WW-uitkering pas kan ingaan na het verstrijken van de opzegtermijn van twee maanden na beëindiging van het dienstverband bij overgang van onderneming.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.M. Venderbos),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. N. Regragui).

Procesverloop

1.1.
Eiseres heeft op 10 april 2025 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.2.
Met het besluit van 6 mei 2025 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiseres een WW-uitkering toegekend voor de periode 1 juni 2025 tot en met 30 april 2026. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen vervolgens niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank de zaak niet op een zitting behandeld. [1]
1.8.
De rechtbank heeft het onderzoek op 24 april 2026 gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.
2.1.
Eiseres is per 1 juni 2017 in dienst getreden bij [bedrijf 1] (hierna: de werkgever). Op 30 januari 2025 is eiseres geïnformeerd over de fusie van de onderneming van de werkgever en [bedrijf 2] per 1 april 2025. Op 28 maart 2025 heeft eiseres aan haar werkgever kenbaar gemaakt dat zij het dienstverband na overgang van onderneming, vanwege een wijziging van de arbeidsvoorwaarden in het nadeel van eiseres, niet wil voortzetten. Als gevolg hiervan is het dienstverband op 1 april 2025 beëindigd.
2.2.
Eiseres heeft op 10 april 2025 een WW-uitkering met ingangsdatum 1 april 2025 aangevraagd.
2.3.
Met het primaire besluit heeft het UWV een WW-uitkering aan eiseres toegekend met ingang van 1 juni 2025. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
2.4.
Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is het UWV bij het primaire besluit gebleven.

Standpunt eiseres

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV ten onrechte is uitgegaan van de ingangsdatum van 1 april 2025 van de aan haar toegekende WW-uitkering. Door de fusie van de onderneming van de werkgever en [bedrijf 2] zouden de arbeidsvoorwaarden in het nadeel van eiseres wijzigen. Om die reden heeft eiseres besloten om het dienstverband per de datum van de fusie (per 1 april 2025) niet voort te willen zetten met [bedrijf 2] . Onder verwijzing naar artikel 7:663 van Pro het Burgerlijk Wetboek stelt eiseres dat bij overgang van onderneming de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van rechtswege overgaan op de verkrijger, maar dat die overgang in haar geval niet heeft plaatsgevonden nu zij, als werknemer, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft aangegeven het dienstverband niet voort te willen zetten. Eiseres stelt dat de arbeidsovereenkomst op de overgangsdatum van rechtswege (en niet door opzegging) is geëindigd en dat daarom geen sprake is van een opzegtermijn.

Toepasselijke wet- en regelgeving

4. In artikel 19, derde lid, van de WW is bepaald dat de werknemer geen recht op uitkering heeft zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Onder de rechtens geldende opzegtermijn wordt verstaan de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 94 tot en met 96c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van soortgelijke regeling ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen. In geval de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever. Als datum waarop de dienstbetrekking wordt geacht te zijn opgezegd, geldt de datum waarop:
de beëindiging schriftelijk is overeengekomen; of
de werkgever of de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
In artikel 7:672, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat opzegging tegen het einde van de maand geschiedt, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.
In artikel 7:672, tweede lid, van het BW is het volgende bepaald: De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:
korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
In artikel 7:663 van Pro het BW is bepaald dat door de overgang van een onderneming de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger. Evenwel is die werkgever nog gedurende een jaar na de overgang naast de verkrijger hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip.
In artikel 7:665 van Pro het BW is bepaald dat de arbeidsovereenkomst met het oog op de toepassing van artikel 7:673 BW Pro als beëindigd of niet voortgezet op initiatief van de werkgever geldt, indien de overgang van de onderneming een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer tot gevolg heeft en om die reden:
de arbeidsovereenkomst door of op verzoek van de werknemer is beëindigd; of
de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.

Beoordeling door de rechtbank

5. Het geschil beperkt zich tot de ingangsdatum van de aan eiseres toegekende WW-uitkering. Partijen verschillen van mening over de vraag of een opzegtermijn in acht moet worden genomen. Dit is bepalend voor het moment waarop voor eiseres het recht op een WW-uitkering ontstaat.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht is uitgegaan van een opzegtermijn van twee maanden die op 1 april 2025 is aangevangen, zodat het UWV op juiste gronden per 1 juni 2025 een WW-uitkering aan eiseres heeft toegekend. Het UWV heeft dit in het aanvullend verweerschrift uitgebreid gemotiveerd. Eiseres is vanaf 1 juni 2017 in dienst getreden bij haar werkgever. Op 30 januari 2025 is eiseres geïnformeerd dat er een fusie, ofwel: een overname door een andere onderneming: namelijk door [bedrijf 2] , zal plaatsvinden op 1 april 2025. Bij een overgang van een onderneming gaan in beginsel de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en de werknemer van rechtswege over op de verkrijger, tenzij de werknemer ondubbelzinnig aan de werkgever kenbaar maakt dat de werknemer de arbeidsovereenkomst met de verkrijger niet wil voortzetten. [2] Omdat de arbeidsvoorwaarden bij overgang van de onderneming in het nadeel van eiseres zouden wijzigen, heeft eiseres met de e-mail van 28 maart 2025 uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aan haar werkgever kenbaar gemaakt dat zij het dienstverband na overgang van onderneming niet wil voortzetten met [bedrijf 2] . Dit heeft ertoe geleid dat per 1 april 2025 geen arbeidsovereenkomst is ontstaan tussen eiseres en [bedrijf 2] en dat de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar werkgever op de datum van overgang van onderneming, namelijk 1 april 2025, van rechtswege is beëindigd. [3] Met de e-mail van 23 april 2025 heeft de werkgever vervolgens bevestigd dat de arbeidsovereenkomst op 31 maart 2025 als gevolg van de aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden in het nadeel van eiseres is beëindigd. Gelet op het bepaalde in artikel 7:665 van Pro het BW overweegt de rechtbank dat de arbeidsovereenkomst moet worden geacht te zijn beëindigd op initiatief van de werkgever, omdat sprake was van een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van eiseres. Hoewel eiseres terecht stelt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege tot een einde is gekomen, moet voor het vaststellen van het moment waarop het recht op een WW-uitkering ontstaat daarentegen wel de rechtens geldende opzegtermijn in acht worden genomen als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WW. Uit artikel 19, derde lid, van de WW volgt namelijk dat geen recht op een uitkering bestaat zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken. Nu de arbeidsovereenkomst wordt geacht te zijn beëindigd op initiatief van de werkgever, moet worden gekeken naar de door een werkgever in acht te nemen – in dit geval fictieve – opzegtermijn. Ten tijde van de overgang van onderneming heeft de arbeidsovereenkomst van eiseres nagenoeg acht jaar geduurd. De opzegtermijn bedraagt in dat geval twee maanden. [4] De opzegtermijn vangt aan op het moment van de ‘fictieve’ opzegging. De rechtbank overweegt dat hiervoor moet worden aangesloten bij de datum van overgang van onderneming van 1 april 2025, aangezien op dat moment ook het dienstverband van eiseres met de werkgever is geëindigd. Vanaf die datum is de opzegtermijn gaan lopen. Dat betekent dat het recht op een WW-uitkering twee maanden later, op 1 juni 2025, ontstaat.
De rechtbank volgt de door het UWV gegeven toelichting, wel merkt zij hierbij op dat deze toelichting pas in het aanvullend verweerschrift naar voren is gebracht. De toelichting in het bestreden besluit lijkt van dezelfde strekking te zijn, toch is die vrij summier te noemen. Daar komt bij dat het UWV in het verweerschrift in eerste instantie een andere motivering hanteert, waar vervolgens in het aanvullend verweerschrift weer van wordt teruggekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. [5] Het UWV heeft dit motiveringsgebrek met de toelichting in het aanvullend verweerschrift wel hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor is benadeeld. Als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou dit immers hebben geleid tot dezelfde uitkomst.
6.2.
Voor zover eiseres verder heeft willen betogen dat het UWV had moeten afwijken van artikel 19, derde lid, van de WW, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 19, derde lid, van de WW is dwingendrechtelijk van aard, zodat in beginsel geen ruimte bestaat voor het UWV om een belangenafweging te maken en van deze bepaling af te wijken. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [6] zijn er echter bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zodanig in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat op grond daarvan die strikte toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat in de situatie van eiseres niet is gebleken van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aanleiding om het UWV te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Ook moet het UWV het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het UWV in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. S. de Bloois, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie de uitspraken van de Hoge Raad (HR) van 24 december 1993, NJ 1994, 419 en 26 mei 2000, NJ 2000, 566.
3.Zie hiervoor de uitspraak van de HR van 7 oktober 1998, NJ 1989, 240.
4.Dit volgt uit artikel 7:662, tweede lid, aanhef en onder b, BW.
5.Artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1031.