ECLI:NL:RBROT:2026:7334

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/10/708103
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Baetsen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 6:119 BWArt. 1 CISG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens schending klachtplicht bij gebrekkige bandenmontage

Eiser verhuurt luxe personenauto's en gaf gedaagde opdracht om de achterbanden van een Ferrari te vervangen. Kort na de werkzaamheden raakte de auto betrokken bij een ernstig ongeval. Eiser stelde gedaagde aansprakelijk wegens vermeende fouten bij de montage van de banden, waaronder het tegen de draairichting in monteren van de linker achterband en te hoge bandenspanning.

Gedaagde voerde verweer met een beroep op de klachtplicht ex artikel 6:89 BW Pro, stellende dat eiser pas na ruim 20 maanden na het ongeval voor het eerst klaagde, waardoor gedaagde in zijn belangen is geschaad. De rechtbank oordeelde dat eiser bij het ophalen van de auto of kort na het ongeval had kunnen en moeten ontdekken dat de band verkeerd gemonteerd was, waardoor de klachttermijn al in februari 2022 begon te lopen.

Omdat eiser pas in oktober 2023 klaagde, is dit niet binnen bekwame tijd. Door het tijdsverloop kon gedaagde geen adequaat onderzoek meer doen naar de staat van de banden en het causaal verband met het ongeval. Daarnaast heeft eiser zijn stellingen onvoldoende onderbouwd met bewijs. De rechtbank wijst daarom de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens niet tijdig klagen, waardoor gedaagde in zijn belangen is geschaad.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/708103 / HA ZA 25-892
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaatsnaam 1],
eiser,
advocaat: mr. M.C.J. de Schepper,
tegen
[gedaagde],
te [plaatsnaam 2],
gedaagde,
advocaat: mr. A. Coppelmans.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[eiser] verhuurt (luxe) personenauto’s. [gedaagde] drijft een onderneming gespecialiseerd in de verkoop van velgen en auto-onderdelen van exclusieve merken. Op 25 januari 2022 heeft [gedaagde] in opdracht van [eiser] de achterbanden van één van de auto’s van [eiser] vervangen. De auto is vervolgens verhuurd. Op 29 januari 2022 is de huurder met de auto tegen een boom gereden. De auto is hierbij zwaar beschadigd. Op 2 oktober 2023 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade omdat [gedaagde] de linker achterband tegen de draairichting in op de velg zou hebben gemonteerd en alle vier de banden op een (veel) te hoge bandenspanning zou hebben gebracht. Deze fouten van [gedaagde] hebben tot het ongeval geleid, aldus [eiser], omdat een tegen de draairichting in gemonteerde band en een te hoge spanning invloed hebben op het rijgedrag van de auto. [gedaagde] beroept zich op schending van de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro. Verder betwist dat hij de linker achterband verkeerd om op de velg heeft gemonteerd en de vier banden van de auto op een te hoge spanning heeft gebracht. Ook wijst [gedaagde] erop dat het ongeval vele oorzaken kan hebben, waaronder een bestuurdersfout. De rechtbank oordeelt dat nu [eiser] niet eerder dan in oktober 2023 bij [gedaagde] heeft geklaagd over de gebreken in de prestatie van [gedaagde] en [gedaagde] door het tijdsverloop tussen de prestatie en de klacht in zijn belangen is geschaad, artikel 6:89 BW Pro aan de vordering van [eiser] in de weg staat.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 september 2025 met producties E1-E20;.
- de conclusie van antwoord van 26 november 2025 met producties G1-G6;
- de brief van 8 december 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
- de e-mail van 11 maart 2026 van de rechtbank met daarin opgenomen de zittingsagenda
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 april 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen van mr. Westphal en mr. Coppelmans.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] verhuurt (luxe) personenauto’s. Zijn onderneming is gevestigd in Selfkant (Duitsland). Eén van de auto’s die [eiser] verhuurt, is een Ferrari 458 Italia (hierna: de Ferrari). In januari 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde] opdracht gegeven de achterbanden van de Ferrari te vervangen. Die werkzaamheden heeft [gedaagde] op 25 januari 2022 uitgevoerd.
3.2.
[naam] heeft op verzoek van [eiser] de Ferrari op 25 januari 2022 opgehaald bij [gedaagde] en is ermee naar Kwik-Fit in Breda gegaan om blauwe plakresten van de velgen te laten verwijderden. Daarvoor zijn de achterwielen van de Ferrari gehaald. De Ferrari is vervolgens op transport naar België gezet en verhuurd. De huurder is op 29 januari 2022 betrokken geraakt bij een eenzijdig ongeval, waarbij de Ferrari ernstig is beschadigd. [eiser] heeft [gedaagde] dezelfde dag per Whattsapp de volgende berichten gestuurd:
“[29-01-2022, 21:12:09] [eiser]: Hi [gedaagde],
My worst nightmare happened tonight:
[29-01-2022, 21:12:14] [eiser]:
[bestandsnaam 1]
[29-01-2022, 21:12:16] [eiser]:
[bestandsnaam 2]
[29-01-2022, 21:12:45] [eiser]: Maar we kunnen dit wel herstellen.
Wat kosten twee nieuwe carbon front spoilers van Novitec?”
3.3.
Vervolgens hebben partijen contact gehad over de wijze van herstel en de kosten van de daarvoor benodigde onderdelen. [gedaagde] heeft op verzoek van [eiser] een nieuwe velg en voorband besteld en de band op de velg gemonteerd. [gedaagde] heeft hiervoor een factuur aan [eiser] gestuurd, welke [eiser] heeft betaald.
3.4.
[eiser] heeft de schade niet gemeld bij zijn verzekeraar. Hij heeft de Ferrari op eigen kosten laten herstellen.
3.5.
Op 2 oktober 2023 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade aan de Ferrari, omdat het ongeval zou zijn te wijten aan door [gedaagde] gemaakte fouten bij het vervangen van de achterbanden, te weten het in de verkeerde draairichting monteren van de linker achterband op de velg en het op een (veel) te hoge spanning brengen van alle banden.
3.6.
[gedaagde] heeft Dekra Nederland ingeschakeld. In haar brief van 11 oktober 2023 schrijft Dekra Nederland dat het tegen de draairichting in op de velg monteren van een band in de praktijk nog niet direct tot een ongeval hoeft te leiden. Om de oorzaak van het ongeval vast te stellen, is nader onderzoek nodig. Dat onderzoek kan Dekra Nederland niet uitvoeren door het ontbreken van de daarvoor benodigde informatie.
3.7.
Op 24 november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat hij aansprakelijkheid afwijst. [gedaagde] betwist dat hij de linker achterband van de Ferrari in de verkeerde draairichting heeft gemonteerd en de vier banden op te hoge spanning heeft gebracht. Ook betwist [gedaagde] het causaal verband tussen zijn werkzaamheden en de schade.
3.8.
[eiser] heeft Dekra Automobil GmbH (hierna: Dekra Duitsland) ingeschakeld. Op 27 juni 2024 heeft Dekra Duitsland een rapport uitgebracht. In dat rapport staat:
“lm Rahmen der Reparatur soll festgestellt worden sein, dass der hintere linke laufrichtungsgebundene Reifen falsch montiert wurde. Der Luftdruck soll vor Ort überprüft worden sein. Hierbei soll ein Luftdruck von ca. 2,8 Bar festgestellt worden sein. Laut Herstellerangabe wird ein Luftdruck von ca. 2,0 Bar empfohien.
(…)
Zusammenfassend lässt sich feststellen, dass an dem hier in Rede stehenden Fahrzeug der hintere linke Reifen nachweislich in falscher Laufrichtung montiert wurde und ein überhöhter Reifenluftdruck vorgelegen hat. Diese zwei Merkmale haben aus Sicht des Unterzeichners eine Auswirkung auf das Fahrverhalten des Fahrzeug. Inwieweit diese nachweisbaren Fehler Auswirkungen auf das Fahrverhalten des Fahrzeug bei regennasser Fahrbahn gehabt haben können ist durch entsprechende Fahrversuche auf einer Teststrecke näher zu untersuchen und eventuell feststellbar.”

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. tot betaling van een bedrag van € 101.913,00, althans enig ander in goede justitie te bepalen bedrag,
2 tot betaling van de wettelijke rente over het onder 1 bedoelde bedrag, welke rente, berekend vanaf 29 januari 2022 tot en met 31 augustus 2025, € 18.106,35 bedraagt, te vermeerderen met de nadien verschuldigde rente tot aan de dag der algehele voldoening, althans de wettelijke rente berekend vanaf de dag van de onderliggende facturen, althans vanaf de opeisbaarheid van de onderliggende facturen, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag ter algehele voldoening;
3 tot vergoeding van de proceskosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na betekening van het vonnis van uw rechtbank en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.
4 tot vergoeding van de nakosten, te begroten op de helft van het toegewezen gemachtigde salaris.
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure inclusief nakosten en wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Weens Koopverdrag is niet van toepassing
5.1.
[eiser] stelt dat nu hij de overeenkomst met [gedaagde] sloot ten behoeve van zijn in Duitsland gevestigde onderneming en sprake is van een koopovereenkomst, het Weens Koopverdrag (CISG) van toepassing is op zijn vordering. De rechtbank volgt [eiser] hierin niet.
5.2.
Artikel 1 CISG Pro bepaalt dat het verdrag van toepassing is op koopovereenkomsten tussen partijen die gevestigd zijn in verschillende bij het verdrag aangesloten landen. Het begrip ‘vestiging’ wordt in het CISG niet gedefinieerd. Of sprake is van een vestiging in de zin van het CISG moet worden beoordeeld aan de hand van (met name) materiële criteria, zoals de vraag of de vestiging een zekere mate van stabiliteit en duurzaamheid heeft en met een wezenlijke mate van economische zelfstandigheid deelneemt aan het economisch verkeer. Formele criteria, zoals de plaats van vestiging, zijn niet doorslaggevend.
5.3.
[eiser] drijft zijn onderneming als eenmanszaak. Hij handelt bij de uitoefening van zijn bedrijf dus als natuurlijk persoon. Van een afgescheiden vermogen of een (afzonderlijke) juridische entiteit die verplichtingen aan kan gaan, is geen sprake. De Duitse vestiging van [eiser] bedrijf is daarom niet aan te merken als een entiteit die met een wezenlijke mate van economische zelfstandigheid deelneemt aan het economisch verkeer.
5.4.
Dit maakt dat de woonplaats van [eiser] de plaats van vestiging is. Nu [eiser] in Nederland woont (en [gedaagde] ook), betekent dit dat geen sprake van een koopovereenkomst tussen partijen gevestigd in verschillende bij het Weens Koopverdrag aangesloten landen.
Schending klachtplicht
5.5.
[gedaagde] voert aan dat artikel 6:89 BW Pro in de weg staat aan de vordering van [eiser]. [eiser] heeft [gedaagde] 20 maanden na het ongeval voor het eerst gewezen op de mogelijke gebreken in zijn prestatie. Door dit tijdsverloop en de werkzaamheden die in deze periode aan de Ferrari zijn verricht, is het voor [gedaagde] niet na te gaan wat de staat van de banden was ten tijde van het ongeval, aldus [gedaagde], en evenmin of de staat van de banden tot het ongeval heeft geleid. Daardoor is hij in zijn belangen geschaad. Daarbij heeft [gedaagde] erop gewezen dat het duidelijk zichtbaar is in welke richting een band om een velg moet worden gemonteerd. Niet alleen omdat de woorden ‘inside’ en ‘outside’ duidelijk zichtbaar op de band staan, maar ook omdat de binnenzijde van de band minder mooi is dan de buitenzijde. Het had [eiser] dan ook bij het ophalen van de auto moeten opvallen dat de band tegen de draairichting in om de velg gemonteerd was, althans dit had hem kort na het ongeval moeten opvallen. Ook heeft [gedaagde] in het kader van zijn beroep op de schending van de klachtplicht gewezen op het tijdsverloop tussen het moment waarop [eiser] naar eigen zeggen wist van de fouten van [gedaagde] – dat is 13 april 2023 – en de eerste melding daarvan aan [gedaagde] op 2 oktober 2023.
5.6.
[eiser] heeft hier tegenin gebracht dat hij pas op 13 april 2023 bekend raakte met het feit dat de linker achterband tegen de draairichting in gemonteerd was en dat de vier banden een te hoge spanning hadden. Hij heeft toen nader onderzoek gedaan, waarna hij op 2 oktober 2023 [gedaagde] heeft geïnformeerd. Hiermee heeft hij tijdig geklaagd en [gedaagde] is door het tijdsverloop niet in zijn belangen geschaad. De fout werd ontdekt nadat de schade was ontstaan en nader onderzoek zou [gedaagde] daarom niets zou hebben opgeleverd, aldus [eiser].
5.7.
Artikel 6:89 BW Pro bepaalt dat de schuldeiser geen beroep kan doen op een gebrek in de prestatie wanneer hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar heeft geprotesteerd. De ratio van het artikel is de bescherming van de schuldenaar tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, zonder daarbij het belang van de schuldeiser om te kunnen onderzoeken of de prestatie deugdelijk is, uit het oog te verliezen. Bij de beoordeling van een beroep op artikel 6:89 BW Pro moet enerzijds rekening worden gehouden met het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren — te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming — en anderzijds met de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan. Die belangen kunnen zijn gelegen in een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, is een belangrijke factor bij de beoordeling van een beroep op artikel 6:89 BW Pro, maar is niet doorslaggevend. [1]
5.8.
De rechtbank zal hierna beoordelen (i) op welk moment de klachttermijn is gaan lopen, (ii) op welk moment [eiser] heeft geklaagd en (iii) of [eiser] binnen bekwame tijd heeft geklaagd.
(i) klachttermijn is begin februari 2022 gaan lopen
5.9.
Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij de gebreken heeft ontdekt toen hij de auto op 13 april 2023 liet inspecteren door Carrosserie Lombardo uit Antwerpen. Dat [eiser] de gebreken op 13 april 2023 heeft ontdekt, betekent niet dat 13 april 2023 het moment is waarop de klachttermijn is gaan lopen. Daarvoor moet ook worden gekeken naar het moment waarop [eiser] de gebreken redelijkerwijs had kunnen en moeten ontdekken. De rechtbank zal dit hierna beoordelen.
5.10.
Het eerste gebrek dat [eiser] [gedaagde] verwijt, is het tegen de draairichting in monteren van de linker achterband op de velg. Partijen zijn het erover eens dat letters op de band aangeven welke zijde van de band de binnen- en de buitenzijde is. Ter zitting heeft [gedaagde] daaraan toegevoegd dat dit ook aan het uiterlijk van de band zichtbaar is. De buitenzijde is mooier dan de binnenzijde. [eiser] heeft dit niet gemotiveerd betwist. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat [naam], die namens [eiser] de Ferrari ophaalde, bij het ophalen van de Ferrari had kunnen en moeten zien dat de band tegen de draairichting in gemonteerd was. Dit geldt zeker nu [naam] automonteur is en de achterwielen bij of kort na het ophalen van de auto heeft geïnspecteerd. Hij heeft immers gezien dat er blauwe plakresten op de velgen zaten en is naar KwikFit gereden om die te laten verwijderen. Voor zover [naam] bij het ophalen van de auto niet had kunnen en moeten zien dat de linker achterband tegen de draairichting in op de velg gemonteerd was, had hij dit kunnen en moeten zien toen hij kort na het ongeval de schade aan de Ferrari opnam en opdracht tot reparatie gaf. Weliswaar was de auto door het ongeval aan de voorkant beschadigd, maar dat laat onverlet dat verwacht mag worden dat degene die de schade opneemt, de hele auto bekijkt. Het handelen van [naam] moet aan [eiser] worden toegerekend, nu [naam] op verzoek van [eiser] de auto ophaalde bij [gedaagde] en – eveneens op verzoek van [eiser] – de auto na het ongeval naar de reparateur bracht.
5.11.
Nu [eiser] bij het ophalen van de Ferrari op 25 januari 2025 dan wel kort na het ongeval op 29 januari 2022 had kunnen en moeten ontdekken dat de linker achterband tegen de draairichting op de velg gemonteerd was, is de klachttermijn uiterlijk begin februari 2022 gaan lopen.
5.12.
Gelet op het voorgaande hoeft de vraag wanneer [eiser] had kunnen en moeten ontdekken dat de bandenspanning te hoog was niet beantwoord te worden.
(ii) [eiser] heeft 2 oktober 2023 geklaagd
5.13.
Partijen zijn het erover eens dat de aansprakelijkstelling van 2 oktober 2023 de eerste melding van de gebreken door [eiser] aan [gedaagde] was.
(iii) [eiser] heeft niet binnen bekwame tijd geklaagd
5.14.
Er zijn dus 20 maanden verstreken tussen het moment waarop de klachttermijn is gaan lopen (begin februari 2022) en het moment waarop [eiser] daadwerkelijk heeft geklaagd (2 oktober 2023). De door [gedaagde] inschakelde expert van Dekra Nederland heeft erop gewezen dat om vast te kunnen stellen wat de oorzaak van het ongeval is geweest, nader onderzoek nodig is. Hij noemt daarbij onderzoek van de ongevalslocatie, van het schadebeeld, van de toestand van het voertuig na het ongeval (voordat reparatiewerkzaamheden zijn verricht), van de data van de boordcomputer en van alle banden en velgen (productie E15). Dit onderzoek, althans een groot deel hiervan, kon in oktober 2023 niet meer worden verricht, omdat de hiervoor benodigde feitelijke informatie op dat moment niet meer beschikbaar was en de Ferrari al was gerepareerd. De rechtbank wijst er hierbij nog op dat dit anders had kunnen zijn als er na het ongeval een ongevalsanalyse was verricht en de schade aan de Ferrari voor herstel door een schade-expert in kaart was gebracht. Maar dergelijke onderzoeken zijn niet verricht. [gedaagde] is dan ook in zijn belangen geschaad door het tijdsverloop tussen de uitvoering van zijn werkzaamheden en de eerste klacht van [eiser]. Hem is de mogelijkheid ontnomen om onderzoek te (laten) doen naar de staat van de banden onmiddellijk na het ongeval en naar het causaal verband tussen de verwijten die [gedaagde] hem maakt en het ongeval.
5.15.
[eiser] stelling dat Dekra Nederland ten onrechte tot de conclusie komt dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om een uitspraak te doen over de oorzaak van het ongeval, acht de rechtbank onjuist. De rechtbank stelt hierbij voorop dat niet vaststaat dat [gedaagde] niet alle beschikbare informatie met Dekra Nederland heeft gedeeld. [gedaagde] betwist dit. Maar als dit inderdaad het geval zou zijn, dan is het volgende van belang. De rechtbank neemt aan dat [eiser] met de beschikbare informatie doelt op de foto’s gemaakt na het ongeval van zowel de ongevalslocatie als de schade aan de auto en de rittenregistratie van de Ferrari. De foto’s geven slechts een globaal beeld van de situatie direct na het ongeval en van de schade aan de auto. De rittenregistratie met daaraan gekoppelde veiligheidsscore geeft geen informatie over de snelheid ten tijde van het ongeval of de locatie van de impact van het ongeval. De foto’s en rittenregistratie zijn dan ook gelet op de informatie die Dekra Nederland nodig acht voor het nadere onderzoek (zie 5.14 hiervoor), onvoldoende om het nadere onderzoek naar de oorzaak van het ongeval te kunnen doen. De rechtbank wijst er in dit kader ook op dat ook de door [eiser] ingeschakelde expert, Dekra Duitsland, schrijft dat de mate waarin een verkeerd gemonteerde band invloed heeft op de rijeigenschappen van een auto alleen door nader onderzoek kan worden geanalyseerd. Ook Dekra Duitsland acht dus dat nader onderzoek nodig is om vast te stellen of de verwijten die [eiser] [gedaagde] maakt tot het ongeval kunnen hebben geleid.
5.16.
Bovendien heeft [eiser] na de eindinspectie op 13 april 2023 nog bijna zes maanden gewacht voordat hij [gedaagde] informeerde over zijn bevindingen. Daarmee heeft hij [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen de feitelijke juistheid van de constateringen bij de eindinspectie te onderzoeken. Ook hierdoor is [gedaagde] in zijn belangen geschaad. Dit klemt eens te meer nu [eiser] geen verifieerbaar bewijs van deze bevindingen heeft overlegd, zoals foto’s. De enige in dit opzicht relevante foto’s zijn twee foto’s van een band om een velg welke bij het rapport van Dekra Duitsland zijn gevoegd. Voor zover op deze foto’s al te zien is dat de band verkeerd om op de velg is gemonteerd, is niet vast te stellen dat het om het linker achterwiel van de Ferrari gaat en dat de foto de situatie ten tijde van de eindinspectie weergeeft. Het wiel op de foto is namelijk niet onder een auto geplaatst.
5.17.
[eiser] stelling dat uit het feit dat er voor de werkzaamheden van [gedaagde] op 25 januari 2022 vele schadevrije kilometers met de Ferrari zijn gereden en het na die werkzaamheden vrijwel meteen mis ging, moet worden afgeleid dat causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden van [gedaagde] en het ongeval, volgt de rechtbank niet. Het ongeval kan immers ook het gevolg zijn van een bestuurdersfout of werkzaamheden van derden, zoals KwikFit. Deze stelling van [eiser] kan daarom niet tot de conclusie leiden dat [gedaagde] niet in zijn belangen is geschaad door de late melding van de gebreken.
Conclusie over beroep op klachtplicht
5.18.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep van [gedaagde] op artikel 6:89 BW Pro slaagt. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] geen beroep kan doen op de gestelde gebreken in de prestatie van [gedaagde] en zijn vordering moet worden afgewezen.
[eiser] heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd
5.19.
Hoewel het voorgaande meebrengt dat de verdere stellingen van partijen geen bespreking behoeven, wijst de rechtbank nog op het volgende. Wanneer van schending van de klachtplicht geen sprake zou zijn, moet de vordering van [eiser] worden afgewezen omdat [eiser] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] stelt dat [gedaagde] de linker achterband tegen de draairichting op de velg heeft gemonteerd en alle vier de banden van de Ferrari op een te hoge spanning heeft gebracht. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist, waarbij hij onder meer heeft aangevoerd dat bewijs van deze bevindingen ontbreekt. In dat kader heeft [gedaagde] erop gewezen dat de door [eiser] ingeschakelde expert de gebreken niet zelf heeft vastgesteld, maar hiervan uitgaat op basis van aan hem verstrekte informatie welke niet verifieerbaar is. En ook heeft [gedaagde] erop gewezen dat derden, waaronder KwikFit, verantwoordelijk kunnen zijn voor de gestelde gebreken.
5.20.
Tegen deze achtergrond had van [eiser] mogen worden verwacht dat hij op z’n minst zijn stellingen omtrent de gebreken aan de auto ten tijde van het ongeval van een nadere onderbouwing zou voorzien. Gedacht kan worden aan (bijvoorbeeld) een (schriftelijke) verklaring van [naam] over zijn bevindingen na het ophalen van de auto en na het ongeval, verklaringen van medewerkers van het bedrijf dat de reparatie aan de Ferrari heeft uitgevoerd over de in de periode tussen het ongeval en eindinspectie aan de (achter)wielen verrichte werkzaamheden en een schriftelijke verslag van de eindinspectie voorzien van foto’s die de bevindingen onderbouwen. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, heeft hij zijn stellingen omtrent de gebreken in de prestatie van [gedaagde] niet naar behoren geconcretiseerd en onderbouwd en komt de rechtbank niet toe aan het opdragen van bewijs. Ook niet als [gedaagde] geen beroep zou toekomen op artikel 6:89 BW Pro.
Conclusie en proceskostenveroordeling
5.21.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.014,00
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 7.014,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
[1729;3979]

Voetnoten

1.HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600.