Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7211

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718037 / KG ZA 26-345
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming omgangsregeling wegens ontbreken spoedeisend belang

Partijen, die tot mei 2024 een affectieve relatie hadden, hebben een minderjarig kind. De vrouw heeft het gezag en het kind verblijft bij haar. Er is een omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind regelmatig bij de man verblijft. De man vordert in kort geding dat de vrouw gehouden wordt de omgangsregeling na te komen, met dwangsom en kostenveroordeling.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de omgangsregeling in beginsel wordt nagekomen. Vier keer is de omgang niet doorgegaan, waarvan één keer op initiatief van de man en drie keer door omstandigheden zoals ziekte en vakantie. De vrouw heeft compensatie aangeboden die de man niet accepteerde. Er is geen sprake van structureel niet-nakomen.

De uitvoering verloopt met ruzies en communicatieproblemen, veroorzaakt door de verstoorde relatie en verschillen in opvattingen over communicatie. De man wil strikte naleving en minimale communicatie, de vrouw wil juist betere afstemming. Mediation werd voorgesteld maar door de man afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen spoedeisend belang voor een ordemaatregel omdat de regeling in principe wordt nagekomen en de procedure niet geschikt is om de uitvoering nader te onderzoeken. De reeds lopende bodemprocedure is hiervoor bedoeld. De kosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de omgangsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
zaaknummer / rolnummer: C/10/718037 / KG ZA 26-345
Vonnis in kort geding van 4 juni 2026
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. S. Koçak te Rotterdam,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 22 april 2026 met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord met bijlage;
  • de bijlage van de man, zonder begeleidend bericht overgelegd op 9 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben tot mei 2024 een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Tijdens de relatie van partijen is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4.
De vrouw is alleen belast met het gezag over de minderjarige die bij haar zijn hoofdverblijf heeft.
2.5.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 maart 2021 is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige elk weekend van zaterdag 12:00 uur tot zondag 12:00 uur of 15:00 uur bij de man verblijft.
2.6.
Op 1 december 2025 is in een kort geding procedure mondeling de volgende voorlopige omgangsregeling bepaald:
  • de man heeft omgang met [minderjarige] op zaterdag 6 december 2025, 13 december 2025 en 27 december 2025, steeds van 15.00 uur tot 17.00 uur in [binnenspeeltuin] te [plaats] ;
  • [minderjarige] verblijft bij de man op zaterdag 3 januari 2026, 10 januari 2026 en 24 januari 2026, steeds van 12.00 uur tot 19.00 uur;
  • vanaf zaterdag 7 februari 2026 verblijft [minderjarige] bij de man met een overnachting van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur, telkens drie achtereenvolgende weekenden met daarna een weekend (en de overige momenten) bij de vrouw, enzovoort;
  • waarbij geldt dat bij de contactmomenten bij [binnenspeeltuin] de vrouw en haar vader ook aanwezig zijn, en dat vanaf 3 januari 2026 de omgang onbegeleid is, de man haalt [minderjarige] op en brengt hem terug en dat partijen zorgen voor een overdracht zonder dat partners van partijen daarbij aanwezig zijn.
2.7.
De vrouw heeft op 12 februari 2026 een bodemprocedure aanhangig gemaakt (zaak- en rekestnummer: C/10/714831 / FA RK 26-1179), waarin zij – kort gezegd –
verzoekt om een weekendregeling. De man heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek tot gezamenlijk gezag ingediend.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert te bepalen dat de vrouw gehouden is om de voorlopige omgangsregeling zoals vastgesteld in het proces-verbaal van 1 december 2025 na te komen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de aard van de gevraagde voorziening vloeit een spoedeisend belang voort. De man is daarom ontvankelijk in zijn vordering. De voorzieningenrechter zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling daarvan.
4.2.
De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 254 Rv Pro in alle spoedeisende zaken waarin gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, deze voorziening geven. Het gaat om een ordemaatregel. In een kort geding procedure is dus niet alleen vereist dat uit de aard van de vordering een spoedeisend belang volgt – als een vereiste voor de ontvankelijkheid – maar ook dat op basis van de concrete en specifieke omstandigheden en feiten van een zaak kan worden vastgesteld dat de eisende partij voldoende spoedeisend belang bij de vordering heeft. Er ligt dus ter beoordeling voor of de eisende partij daadwerkelijk belang heeft bij de gevorderde voorziening en of van diegene niet kan worden gevergd dat hij of zij de bodemprocedure afwacht.
De voorzieningenrechter neemt in dat kader het volgende in aanmerking.
4.3.
De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de omgangsregeling structureel niet wordt nagekomen door de vrouw. Hij beticht haar ervan de uitvoering van de omgangs-regeling te frustreren door uitvluchten te bedenken en extra voorwaarden te stellen. De voorzieningenrechter stelt echter op grond van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken vast dat dat verwijt niet overeenkomt met de feitelijke gang van zaken. Gebleken is dat de op 1 december 2025 vastgestelde regeling, waarbij de minderjarige drie van de vier weekenden van zaterdag tot zondag bij de man verblijft, vier maal geen doorgang heeft gevonden waarvan eenmaal op initiatief van de man. De andere drie contacten werden door de vrouw achtereenvolgens afgezegd vanwege ziekte van de minderjarige, een geschil over belcontacten en een familievakantie naar Spanje. Of dit laatste tijdig met de man is besproken, is tussen partijen in geschil. Wel staat als onweersproken vast dat de vrouw de man ter compensatie andere weekenden heeft aangeboden en dat hij hier niet op is ingegaan.
4.3.1.
Van een structureel niet nakomen van de regeling door de vrouw is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Wel gaat de uitvoering regelmatig met ruzies gepaard en verloopt deze niet optimaal. Anders dan de man meent, is dat niet alleen aan de vrouw te wijten. Die problematiek is ontstaan door de verstoorde relatie van partijen en de wijze waarop ieder van hen hiermee omgaat. De man wil dat de omgangsregeling strikt wordt nagekomen en dat de communicatie tot een noodzakelijk minimum wordt beperkt. De vrouw wil juist dat partijen beter gaan communiceren zodat zij de regeling kunnen afstemmen waar nodig. Dit verschil in inzicht en het daaruit voortvloeiende gebrek aan constructieve communicatie versterken het wantrouwen van met name de man in de vrouw. Hij beschouwt haar pogingen tot afstemming als een manier om de omgang te frustreren. Dat gevoel staat een verbetering van de onderlinge relatie in de weg en het is mede gezien de nog jonge leeftijd van de minderjarige van belang dat partijen hieraan gaan werken. Tijdens de mondelinge behandeling is, mede op advies van de raad, gesproken over mediation via de rechtbank of het wijkteam maar de man heeft daar – in tegenstelling tot de vrouw – afwijzend op gereageerd.
4.3.2.
De voorzieningenrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen belang van de man bij een ordemaatregel, omdat de omgangregeling in beginsel wordt nagekomen en discussies over de uitvoering niet alleen aan de vrouw kunnen worden verweten. De onderhavige procedure is er niet op ingericht om te onderzoeken wat de meest geschikte regeling zou zijn en partijen waar nodig hierin bij te sturen. Daarvoor is een bodem-procedure bedoeld. Die is reeds aanhangig. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat er tijdens die procedure voldoende aandacht zal zijn voor de dynamiek tussen partijen en de wijze waarop die in positieve zin kan worden veranderd.
4.4.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de proceskosten in familierechtelijke procedures in beginsel worden gecompenseerd, in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. De vordering van de man om de vrouw in de kosten te veroordelen, zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter,
5.1.
wijst de vordering van de man af,
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Berghuis-Knijff en in het openbaar uitgesproken op
4 juni 2026. [1]

Voetnoten

1.type: