Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7074

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/8621
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 5.3 OmgevingswetArt. 5.7 OmgevingswetArt. 5.30 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen omgevingsvergunning aanleg camperpark nabij primaire waterkering

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van omwonenden tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een camperpark nabij de primaire waterkering Nieuwe Zeedijk in Hellevoetsluis. Het college had de vergunning verleend ondanks afwijking van beleidsregels over beplanting op en nabij waterkeringen, gebaseerd op bijzondere omstandigheden ter plaatse.

De rechtbank stelde vast dat het college de combinatie van een aanzienlijke overhoogte van de waterkering, de omarming door hooggelegen gronden en een breed en hoog voorland als bijzondere omstandigheden mocht aanmerken. Hierdoor worden de waterstaatkundige belangen niet aangetast en leidt het vasthouden aan de beleidsregels tot onevenredige gevolgen voor vergunninghoudster. Ook het onderhoudsvoorschrift en de ligging van de gastank werden als toereikend en veilig beoordeeld.

Verder oordeelde de rechtbank dat het college het leggen van kabels en leidingen los van de overige werkzaamheden mocht beoordelen, omdat de aanvraag daartoe was gewijzigd en de Omgevingswet dit toestaat. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand blijft en eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de aanleg van het camperpark nabij de primaire waterkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8621
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , [eiser 2] en [eiser 3], uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J. de Haas),
en
het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta
(gemachtigden: mr. J.H. Meijer en mr. F. de Smit).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghoudster]uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor werkzaamheden voor de aanleg van een camperpark. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college mocht afwijken van de geldende beleidsregels. De rechtbank is ook van oordeel dat vergunningvoorschrift 16 over onderhoud toereikend is en dat de gastank op de vergunde locatie verenigbaar is met het belang van het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Verder oordeelt de rechtbank dat het leggen van kabels en leidingen los van de overige werkzaamheden kon worden aangevraagd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor werkzaamheden voor de aanleg van een camperpark aan de Heliushaven en Nieuwe Zeedijk in Hellevoetsluis. Met het bestreden besluit van 15 september 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en [persoon A] en de gemachtigde van vergunninghoudster en [persoon B] .
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Vergunninghoudster wil een camperpark realiseren op een terrein aan de Heliushaven en Nieuwe Zeedijk in Hellevoetsluis. Het camperpark heeft 63 camperplaatsen en bijbehorende voorzieningen, zoals een sanitairgebouw, een beheerderschalet en nutsvoorzieningen. Voor de aanleg van het camperpark moet een aantal werkzaamheden worden uitgevoerd, zoals het aanbrengen van verharding en beplanting.
4. De Nieuwe Zeedijk is een primaire waterkering. Het terrein van het camperpark bevindt zich aan de buitenzijde van de waterkering en ligt in de kernzone, de beschermingszone en de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering.
5. Met het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de werkzaamheden voor de aanleg van het camperpark. Er is een omgevingsvergunning nodig, omdat de werkzaamheden vlakbij een primaire waterkering en het waterstaatswerk Haringvliet plaatsvinden. De omgevingsvergunning is in de eerste plaats verleend voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 van de Omgevingswet in samenhang met de Waterschapsverordening Hollandse Delta (de Waterschapsverordening). Dit is een wateractiviteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet. De omgevingsvergunning is daarnaast verleend voor een wateractiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 6.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), namelijk een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft bij besluit van 28 januari 2025 instemming verleend op grond van artikel 16.16, eerste lid, van de Omgevingswet.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
6. Eisers wonen aan [adres] in [woonplaats] . De afstand tussen hun perceel en het terrein van het camperpark is ongeveer 58 m. Zij vrezen dat de vergunde werkzaamheden negatieve gevolgen hebben voor de waterkering en dat daardoor wateroverlast op hun perceel zal ontstaan.
7. Het beroep van eisers richt zich alleen tegen de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit op grond van artikel 5.3 van de Omgevingswet in samenhang met de Waterschapsverordening. Het beroep richt zich niet tegen de omgevingsvergunning voor de beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 6.17 van het Bal.
Toetsingskader
8. De vergunde activiteiten zijn, voor zover hier van belang, vergunningplichtig op grond van de artikelen 2.83, 2.123 en 2.127 van de Waterschapsverordening. Uit artikel 1.12, eerste lid, van de Waterschapsverordening, in samenhang met artikel 5.30 van de Omgevingswet, volgt dat de vergunning alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
In de Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014 (de Nota) van het waterschap zijn beleidsregels opgenomen die het uitgangspunt vormen voor plantoetsing en vergunningverlening. De beleidsregels uit de Nota gaan onder meer over beplanting op en nabij waterkeringen.
8.1. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is het college ten onrechte afgeweken van het beleid uit de Nota?
9. Met het primaire besluit is het aanbrengen van beplanting vergund. Hiervoor is op grond van de artikelen 2.83 en 2.127 van de Waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist. Het college heeft de aanvraag op dit punt getoetst aan artikel 1.12 van de Waterschapsverordening. Op grond daarvan kan de vergunning alleen worden verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Het college heeft in dat kader ook getoetst aan de Nota. De Nota bevat beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met het toestaan van de beplanting is het college afgeweken van BL-02 van de Nota. Het college stelt zich op het standpunt dat het handelen overeenkomstig de toetsingscriteria uit BL-02 van de Nota gevolgen heeft voor een of meer belanghebbenden die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. [1]
9.1. In BL-02 van de Nota zijn toetsingscriteria opgenomen voor beplanting op en nabij primaire waterkeringen. De toetsingscriteria 3 en 4 luiden als volgt:
“3. Buitendijks wordt beplanting alleen toegelaten als het aanwezige voorland zich 1,00 m boven het maatgevend hoogwater (MHW) bevindt.
4. Beplanting (inclusief ontgrondingkuil) mag niet in de kruin of het (toekomstige) talud van het waterstaatswerk worden aangebracht. Daarnaast moet beplanting op minimaal 5,00 m uit de (teen)lijn van het (toekomstig) binnen- en/of buitentalud worden aangebracht.”
9.2. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte is afgeweken van de toetsingscriteria 3 en 4 uit BL-02 de Nota.
- In hoeverre is het college afgeweken van de toetsingscriteria uit de Nota?
10. Tussen partijen is niet in geschil dat met de omgevingsvergunning buitendijkse beplanting is toegestaan die afwijkt van toetsingscriterium 3. Op grond van dit criterium moet het aanwezige voorland zich 1,00 m boven het maatgevende hoogwater bevinden. Dat betekent voor deze locatie dat de hoogte van het voorland +3,79 m NAP moet zijn. Daar wordt niet overal aan voldaan. Het college benadrukt dat een groot deel van het voorland wel (ruimschoots) boven deze hoogte ligt.
Eisers stellen dat ook is afgeweken van toetsingscriterium 4. De rechtbank stelt vast dat met de omgevingsvergunning beplanting is vergund in de kernzone van de waterkering, maar niet in de kruin of het talud. Het college heeft ter zitting – anders dan in het verweerschrift – gesteld dat ook geen beplanting is vergund op minder dan 5 m uit de (teen)lijn van de waterkering. Dit komt de rechtbank juist voor, maar de rechtbank kan dit op basis van de beschikbare stukken niet met zekerheid vaststellen. Voor zover al is afgeweken van toetsingscriterium 4, is ter zitting duidelijk geworden dat het college daaraan dezelfde argumenten ten grondslag legt als aan de afwijking van toetsingscriterium 3. Wat hieronder over de afwijking van toetsingscriterium 3 wordt overwogen, geldt daarom ook voor de (mogelijke) afwijking van toetsingscriterium 4. Voor zover eisers in verband met toetsingscriterium 4 hebben gewezen op de veiligheidsrisico’s van het planten van bomen in de kruin of het talud, kan dit buiten beschouwing blijven. Zoals hierboven is vermeld, is namelijk geen beplanting in de kruin of het talud vergund.
- Is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb?
11. Eisers betogen dat het college niet had mogen afwijken van BL-02 van de Nota. Het college heeft als bijzondere omstandigheden genoemd dat de waterkering een overhoogte van +1,0 tot +1,30 m NAP heeft, dat het perceel wordt omarmd door hooggelegen gronden en dat er een breed voorland van 90 m is. Volgens eisers zijn dit geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb. Bovendien betogen eisers dat het college deze factoren ten onrechte in samenhang heeft beoordeeld. Volgens hen moet voor elke factor afzonderlijk worden gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden.
Eisers voeren aan dat de overhoogte van de dijk de risico’s van het aanbrengen van beplanting in de waterkering niet wegneemt. Het gaat bijvoorbeeld om het veroorzaken van een ontgrondingkuil bij het omwaaien van bomen, waardoor de waterkering minder stabiel wordt. Volgens eisers blijkt uit het feit dat de Nota een minimumhoogte van het voorland voorschrijft dat de stabiliteit en veiligheid van de waterkering niet alleen afhangen van de hoogte van de dijk. Dat de kering vanwege de overhoogte goed bestand is tegen (extreem) hoogwater en grote golven, kan daarom niet worden gebruikt als bijzondere omstandigheid om van toetsingscriterium 3 af te wijken. Eisers betogen verder dat de hoogte en breedte van het voorland onverlet laat dat het voorland niet voldoet aan de hoogte van 1,00 m boven het maatgevend hoogwater uit toetsingscriterium 3. Ook hiervoor geldt volgens eisers dat het risico van beplanting voor de stabiliteit en veiligheid van de waterkering niet alleen kan worden afgemeten aan de kans op grote golfoplopen. De door het college verschafte informatie over de hoogte en breedte van het voorland geeft geen antwoord op de vraag of en in hoeverre de te lage hoogte van het voorland in relatie tot het maatgevend hoogwater het in gang zetten van de faalmechanismen beïnvloedt. Volgens eisers heeft het college de twee genoemde omstandigheden daarom ten onrechte als bijzondere omstandigheden aangemerkt die aanleiding geven om af te wijken van toetsingscriterium 3.
Eisers stellen verder dat een breed voorland veel voorkomt in de directe nabijheid van de locatie van het camperpark en aan de zuidrand van Voorne-Putten. Het college heeft volgens hen niet duidelijk gemaakt dat de locatie zodanig verschilt van andere (voorlanden van) waterkeringen in de omgeving dat sprake is van bijzondere omstandigheden.
11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het aanbrengen van beplanting in afwijking van BL-02 van de Nota leidt niet tot aantasting van de in artikel 1.12 van de Waterschapsverordening genoemde waterstaatkundige belangen, in het bijzonder het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste.
Volgens het college zijn drie factoren van belang. In de eerste plaats is dat de hoogte van de waterkering, die hier 1,00 tot 1,30 m hoger is dan de minimale vereiste dijktafelhoogte van +3,50 m NAP. Er is daarmee sprake van een aanzienlijke overhoogte, waardoor de waterkering zelf goed bestand is tegen extreem hoogwater en grote golfopslagen. Daarnaast wijst het college erop dat het perceel wordt omarmd door hooggelegen gronden. De kans op hoge golfopslag is daarom minimaal. De derde factor is het hoge en brede voorland (90 m breed), waardoor de afstand tussen de waterkering en het water groot is en hiermee een ruime afslagbuffer is gecreëerd. Dit draagt aanzienlijk bij aan het dempen van golven, zodat de kans op grote golfoploop beperkt is. De samenhang van deze omstandigheden betekent volgens het college dat zelfs in het zeer onwaarschijnlijke geval dat beplanting omwaait en daarbij een ontgrondingskuil ontstaat, terwijl gelijktijdig sprake is van hoogwater, dit niet zal leiden tot het falen van de primaire waterkering. Doorslaggevend is dat de situatie ter plaatse ervoor zorgt dat hoogwater de voet van de dijk feitelijk niet bereikt. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat water bij een uitzonderlijke samenloop van omstandigheden tot aan de voet van de dijk zou reiken, is van belang dat de primaire waterkering ook dan nog over een aanzienlijke overhoogte beschikt, waardoor deze zelf goed bestand is tegen hoogwater. Omdat de waterbelasting aan de voet van de dijk ontbreekt, kunnen de relevante faalmechanismen die samenhangen met ontgrondingen, zoals erosie, afschuiving of piping, zich niet voordoen. Een ontgrondingskuil als gevolg van een omgewaaide boom kan daarom in samenhang met hoogwater niet leiden tot aantasting van de stabiliteit of de kerende functie van de primaire waterkering. Volgens het college is de kans op een falende primaire waterkering op deze locatie daarom verwaarloosbaar. De waterstaatkundige belangen komen niet in het geding door de buitendijkse beplanting.
Het college stelt dat er langs de primaire waterkering geen soortgelijke locatie is waar sprake is van een hoog en breed voorland én de locatie wordt omarmd door hooggelegen gronden én de primaire waterkering een grote overhoogte heeft. Bovendien is in de omgevingsvergunning geborgd dat de primaire waterkering goed bereikbaar moet blijven voor het noodzakelijke beheer en onderhoud. De met het beleid te dienen doelen en waterstaatkundige belangen worden dus gerealiseerd.
11.2. Onder bijzondere omstandigheden vallen zowel niet in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden als reeds in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden. [2] De rechtbank stelt voorop dat het college de hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang mocht beschouwen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. Het college hoefde dus niet voor elke factor afzonderlijk te motiveren dat dit een bijzondere omstandigheid is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderbouwd dat de combinatie van de overhoogte van de waterkering, de omarming door hooggelegen gronden en het hoge en brede voorland maakt dat de waterstaatkundige belangen in dit geval niet worden aangetast. Het college heeft deze combinatie van factoren kunnen aanmerken als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb.
Voor zover eisers ervan uitgaan dat bomen in de waterkering worden geplant, is dit een onjuiste veronderstelling. Eisers hebben de onderbouwing van het college verder vooral bestreden door te wijzen op elk van de factoren afzonderlijk. Het college heeft echter uitgelegd dat het juist de combinatie van de drie factoren is die er in dit geval voor zorgt dat de beplanting de veiligheid en stabiliteit van de waterkering niet in gevaar brengt. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen reden om aan de juistheid van de uitleg van het college te twijfelen.
Ook het betoog van eisers dat de situatie op deze locatie niet anders is dan in de omgeving leidt niet tot de conclusie dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen. In de eerste plaats hebben eisers hun stelling dat een voorland van deze breedte veel voorkomt in de directe omgeving van het camperpark of aan de zuidrand van Voorne-Putten niet met concrete gegevens onderbouwd. Verder heeft het beleid in de Nota betrekking op het volledige grondgebied van het waterschap en is dus niet alleen de directe omgeving van het camperpark bepalend voor de beantwoording van de vraag of de lokale omstandigheden als bijzonder kunnen worden beschouwd. Bovendien is de breedte van het voorland niet de enige factor geweest die het college heeft meegewogen. Het is juist de combinatie van de drie genoemde factoren op deze locatie die maakt dat er volgens het college sprake is van bijzondere omstandigheden.
- Leidt handelen overeenkomstig het beleid tot onevenredige gevolgen in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen?
12. Eisers voeren aan dat niet is aangetoond dat het volgen van het beleid leidt tot onevenredige gevolgen voor vergunninghoudster in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het college heeft ook in zoverre in strijd met artikel 4:84 van Pro de Awb gehandeld. Eisers betogen in dit verband met name dat de vergunde beplanting de stabiliteit en veiligheid van de waterkering aantast en dat het economische belang van vergunninghoudster bij uitbreiding van haar bestaande onderneming niet zwaarwegend genoeg is om een afwijking van het beleid uit de Nota te rechtvaardigen. In dat verband betogen eisers ook dat vergunninghoudster voor een andere locatie voor het camperpark had kunnen kiezen. Verder stellen eisers dat geen sprake is van een maatschappelijk belang, omdat de uitbreiding van het bedrijf van vergunninghoudster niet ten goede komt aan de lokale gemeenschap en vrijwel geen extra werkgelegenheid oplevert.
12.1. In TK-01 van de Nota zijn de uitgangspunten van de belangenafweging opgenomen. Daaruit volgt dat werken in en/of nabij waterstaatswerken, ondanks een potentiële inbreuk op de strategische doelstellingen van het waterschap, kunnen worden toegestaan met een vergunning als een nut en noodzaak worden aangetoond die opwegen tegen de invloed van de werken op het waterstaatkundige belang. Volgens het college maken de vergunde werken echter geen inbreuk op de strategische doelstellingen. Daarom weegt het belang van vergunninghoudster om bepaalde werken, beplanting en overige objecten te plaatsen zwaarder. Omdat er geen inbreuk is, is er geen zware motiveringsplicht voor de belangen van vergunninghoudster. In deze specifieke situatie is volgens het college daarom voldoende nut en noodzaak aangetoond.
12.2. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vasthouden aan de toetsingscriteria uit BL-02 van de Nota in dit geval voor vergunninghoudster leidt tot onevenredige gevolgen in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals onder 11.2 is overwogen, worden vanwege de specifieke kenmerken van de locatie de waterstaatkundige belangen niet aangetast, ondanks het feit dat niet volledig wordt voldaan aan de toetsingscriteria. Vergunninghoudster heeft belang bij het aanbrengen van de beplanting op en rond het camperpark, onder meer vanwege privacy, afscherming, aantrekkelijkheid van het camperpark en landschappelijke inpassing. Anders dan eisers betogen, is voor het afwijken van de beleidsregel niet vereist dat er een zwaarwegend economisch en/of maatschappelijk belang bestaat. Nu de beplanting in dit concrete geval geen invloed heeft op de veiligheid van de waterkering, volstaat ook een minder zwaarwegend belang van vergunninghoudster voor de conclusie dat vasthouden aan BL-02 van de Nota onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, namelijk de waterstaatkundige belangen als bedoeld in artikel 1.12 van de Waterschapsverordening.
13. Gelet op het voorgaande mocht het college afwijken van de beleidsregels uit BL-02 van de Nota. De beroepsgronden slagen niet.
Is vergunningvoorschrift 16 over onderhoud toereikend?
14. In vergunningvoorschrift 16 is het volgende bepaald: “De uitvoering en constructie van de in deze vergunning genoemde activiteiten moeten van een zodanige aard zijn, dat de beschermingszone langs de waterstaatswerken bereikbaar en berijdbaar is en blijft voor onderhoudsmaterieel.”
14. Eisers voeren aan dat voorschrift 16 niet toereikend is om te waarborgen dat onderhoud aan de waterkering mogelijk blijft. Zij wijzen erop dat volgens BL-02 van de Nota een reservering van ruimte nodig is met betrekking tot de kruin en de taluds van de waterkering. Er wordt echter een groot aantal bomen in een plantsoensingel/struweelhaag geplant. Dit staat aan het onderhoud van de waterkering in de weg. Voorschrift 16 is volgens eisers niet toereikend om voldoende ruimte voor onderhoud te garanderen. Dat voorschrift gaat namelijk over de beschermingszone, maar de beplanting in de singel bevindt zich in de kernzone van de waterkering.
15.1. Een deel van de vergunde beplanting op het camperpark bevindt zich in de kernzone van de waterkering. Het college heeft echter toegelicht dat er geen beplanting wordt aangebracht in het dijklichaam zelf (de kruin en het talud). Tussen de waterkering en het camperpark ligt bovendien nog een weg. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de vergunde beplanting in de kernzone van de waterkering het onderhoud aan de waterkering zal belemmeren. Het college hoefde hierover geen aanvullend voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar de ligging van de gastank?
16. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of de gastank binnen de veiligheidszone ligt. In het primaire besluit is hierover vermeld dat de gastank “naar verwachting buiten de veiligheidszone ligt”. Onderzoek naar de ligging van de gastank ten opzichte van de veiligheidszone is noodzakelijk om de gevolgen van een gastank voor de waterkering te kunnen beoordelen en om de aanvraag te toetsen aan de Nota.
16.1. De locatie van de gastank is vastgelegd in de omgevingsvergunning. De ligging is weergegeven in bijlage 2, die deel uitmaakt van de vergunning. Verder is in de vergunningvoorschriften vastgelegd dat de werken moeten worden gemaakt en behouden ter plaatse zoals is aangegeven op de bij de aanvraag ingediende situatietekeningen en dat de activiteiten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de bij de vergunning behorende bijlagen. Naar het oordeel van de rechtbank is de locatie van de gastank hiermee duidelijk bepaald. Daarnaast is duidelijk dat de gastank zich in de beschermingszone van de waterkering bevindt op ongeveer 25 m van de teen van de waterkering. Vanwege de ligging in de beschermingszone geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.123, tweede lid, van de Waterschapsverordening.
16.2. Ter zitting hebben eisers verduidelijkt dat zij bedoelen dat niet duidelijk is waar de veiligheidszone van de gastank ligt en dat daarom onduidelijk is welke gevolgen een calamiteit met de gastank kan hebben voor de veiligheid van de waterkering. De rechtbank begrijpt dit als betoog dat niet is voldaan aan de criteria uit artikel 1.12 van de Waterschapsverordening.
16.3. In het primaire besluit heeft het college overwogen dat de eventuele krater van de gastank bij een eventuele ontploffing naar verwachting buiten de veiligheidszone ligt en dat de gastank op deze locatie daarom is toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit alleen zo begrepen worden dat het college hiermee een veiligheidszone van de waterkering heeft bedoeld.
Het college heeft gesteld dat de gastank in het voorland van de primaire waterkering wordt geplaatst in de beschermingszone van de waterkering en niet in de kernzone. Volgens het college heeft de beschermingszone een overhoogte van ongeveer 1 m boven de dijktafelhoogte en is er een breed voorland. Bij een mogelijke ontploffing is er, gelet op de ligging, altijd voldoende hoog en breed land aanwezig, zodat de werking van de waterkering niet in gevaar komt. Hierdoor is een theoretische krater binnen een gebruikelijke 48 uur te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat er bij een calamiteit zoals een explosie van de gastank geen aantasting van de waterkering te verwachten is. Het college heeft hierover ter zitting ook toegelicht dat er bij een explosie vooral een effect in de lucht is. Er kan ook een krater ontstaan, maar die zal zich volgens het college niet uitstrekken tot de kernzone van de waterkering. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college hiervan uitgaan, gelet op de afstand van 25 m van de gastank tot de teen van de waterkering. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gastank op de vergunde locatie verenigbaar is met het belang van het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. De omgevingsvergunning is daarom niet verleend in strijd met artikel 1.12, eerste lid, van de Waterschapsverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het leggen van kabels en leidingen ten onrechte buiten beschouwing gelaten?
17. In het primaire besluit staat dat het leggen van kabels en leidingen na overleg met de aanvrager in de omgevingsvergunning buiten beschouwing wordt gelaten. Volgens eisers blijkt uit de tekeningen bij de aanvraag dat een aanzienlijk aantal kabels en leidingen moet worden aangelegd om het camperpark te laten functioneren, bijvoorbeeld voor gas, water, stroom en riolering. Een deel daarvan loopt door de kernzone van het waterstaatswerk.
Eisers betogen dat het college de kabels en leidingen niet buiten beschouwing had mogen laten bij het nemen van een besluit op de aanvraag. De aangevraagde activiteit wordt daarmee ten onrechte opgeknipt in losse delen. Eisers wijzen op de memorie van toelichting bij de Omgevingswet (Kamerstukken II 2013/2014, 33 962, nr. 3, p. 166). Daarin is vermeld dat het niet mogelijk is om voor delen van een bouwwerk die bouwkundig en functioneel onlosmakelijk verbonden zijn afzonderlijke vergunningen aan te vragen. Het bevoegd gezag moet daarbij beoordelen of de minimale omvang van de activiteit die in de aanvraag is afgebakend toereikend is om een zinvolle beoordeling van de aanvaardbaarheid van de activiteit te kunnen uitvoeren. Eisers stellen zich op het standpunt dat dit ook geldt voor andere activiteiten dan bouwen. Volgens hen zijn de kabels en leidingen die in de waterkering worden aangebracht bouwkundig en functioneel onlosmakelijk verbonden met de voorzieningen die als onderdeel van het camperpark op de waterkering worden aangebracht, zoals de gastank, het sanitairgebouw en de stortplaatsen. Die voorzieningen kunnen zonder de kabels en leidingen niet zelfstandig functioneren. Een zinvolle beoordeling van de gevolgen van het aanleggen en exploiteren van het camperpark voor het waterstaatswerk is alleen mogelijk als de bovengrondse en ondergrondse onderdelen in samenhang worden bezien en in één besluit worden getoetst. Volgens eisers had het college daarom bij de beslissing op de aanvraag ook de gevolgen van het aanleggen van kabels en leidingen voor de stabiliteit van de waterkering moeten beoordelen.
17.1. De rechtbank stelt vast dat vergunninghoudster de aanvraag na het indienen heeft gewijzigd. Het leggen van kabels en leidingen was daardoor geen onderdeel meer van de aanvraag. Het college heeft deze activiteit daarom buiten beschouwing gelaten bij het verlenen van de omgevingsvergunning. Het betoog van eisers komt erop neer dat vergunninghoudster tegelijk met de andere werkzaamheden ook een omgevingsvergunning had moeten aanvragen voor het leggen van de kabels en leidingen, omdat dit met elkaar samenhangt en niet los van elkaar beoordeeld kan worden.
De rechtbank volgt dat betoog niet. In de Omgevingswet is het uitgangspunt dat de aanvrager zelf kan kiezen of hij de activiteiten samen of afzonderlijk aanvraagt. Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet. Ook activiteiten die met elkaar samenhangen, hoeven niet op hetzelfde moment te worden aangevraagd. De in artikel 5.7, vierde lid, van de Omgevingswet genoemde uitzondering doet zich in dit geval niet voor.
De passage uit de wetsgeschiedenis waarop eisers hebben gewezen, gaat specifiek over bouwactiviteiten waarbij de bouwdelen vanwege functionele en bouwkundige onlosmakelijkheid niet kunnen worden gesplitst; in dat geval kunnen geen afzonderlijke vergunningen worden aangevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit echter niet worden toegepast op andere activiteiten, zoals de wateractiviteiten die in dit geval aan de orde zijn. Het leggen van kabels en leidingen kon daarom los van de overige werkzaamheden worden aangevraagd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor de werkzaamheden voor de aanleg van het camperpark blijft gelden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzitter, en mr. J. Fransen en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
(…)
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…)
f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:
(…)
2°. een waterstaatswerk,
(…)
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.3. (omgevingsvergunningplicht waterschapsverordening)Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald.
Artikel 5.7. (aanvraag los of gelijktijdig)
1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben.
2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4.
3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten.
4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als:
a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of
b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is.
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Artikel 5.30. (beoordelingsregels artikel 5.3- en 5.4-activiteiten)
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4, kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn bepaald in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening.
Artikel 16.15. (advies)1. Bij algemene maatregel van bestuur worden bestuursorganen of andere instanties aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van deze wet.
(…)
Artikel 16.16. (instemming)1. Als een aanvraag om een besluit op grond van deze wet betrekking heeft op een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval, behoeft de voorgenomen beslissing op de aanvraag instemming van het bestuursorgaan dat op grond van artikel 16.15 in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen. Bij de aanwijzing kan worden bepaald dat alleen een voorgenomen beslissing tot het toewijzen van de aanvraag instemming behoeft.
(…)
Bijlage bij artikel 1.1A. BegrippenVoor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
(…)
beperkingengebied:bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object;
beperkingengebiedactiviteit:activiteit binnen een beperkingengebied;
(…)
wateractiviteit:beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie, niet zijnde een mijnbouwinstallatie, in een waterstaatswerk, lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteit op zee, wateronttrekkingsactiviteit of, voor zover het gaat om een waterschapsverordening, elke andere activiteit waarover die verordening regels bevat;
(…)
waterstaatswerk:oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk;
(…)

Besluit activiteiten leefomgevingArtikel 6.17. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen: beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam)

1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk te verrichten, geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is, voor zover het gaat om:
a. het boven het maaiveld aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een verharding die geen bouwwerk is;
b. het plaatsen of in stand houden van een opgaande houtbeplanting, anders dan die is omschreven in de legger, tussen 1 oktober en 1 april;
c. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk om oeverafslag tegen te gaan dat boven het oeverland uitsteekt;
d. het bouwen of in stand houden van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening en de voorzieningen die daarbij horen, voor zover die:
1°. zijn gelegen binnen de vaarweg; of
2°. zijn gelegen buiten de vaarweg en niet alleen door een huishouden worden gebruikt;
e. het permanent afmeren van een woonschip of een ander drijvend werk in een oppervlaktewaterlichaam voor zover dat bij ministeriële regeling is aangewezen;
f. het bouwen, aanleggen, plaatsen of in stand houden van een kabel of leiding voor zover:
1°. daarmee vloeibare gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 3.24 worden getransporteerd;
2°. die in een kunstwerk of een vaarweg ligt; of
3°. die wordt geplaatst met een boring die lagen met verschillende stijghoogtes doorkruist; en
g. het bouwen of in stand houden van een bouwwerk, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een werk dat geen bouwwerk is en het plaatsen of in stand houden van een ander object, anders dan bedoeld onder a tot en met f, voor zover:
1°. bij een bouwwerk: de oppervlakte meer is dan 30 m2; of
2°. bij een werk dat geen bouwwerk is of een ander object: de oppervlakte meer is dan 30 m2 of als daarvoor een vaste fundering nodig is.
2. Het verbod geldt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.16, eerste lid, die worden verricht in een beperkingengebied met betrekking tot een kanaal in beheer bij het Rijk, voor zover het gaat om:
a. het bouwen of in stand houden van bouwwerken;
b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn; en
c. het plaatsen of in stand houden van andere objecten.

Waterschapsverordening Hollandse DeltaArtikel 1.12 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

1. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
c. de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
a. niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;
b. de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en
c. een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
(…)
Afdeling 2.12 Bomen
Artikel 2.82 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het aanplanten en behouden van bomen in het beperkingengebied waterstaatswerk.
Artikel 2.83 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom aan te planten en te behouden in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam, als deze wordt aangeplant in een primaire watergang en het beperkingengebied waterkering.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom aan te planten en te behouden, als het geen knotbomen betreffen.
Afdeling 2.18 Werken plaatsenArtikel 2.122 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen, wijzigen, vervangen, verwijderen of behouden van werken in het beperkingengebied waterstaatswerk.
Artikel 2.123 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het profiel van vrije ruimte van een waterstaatswerk werken te plaatsen, wijzigen, vervangen, verwijderen of te behouden.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de beschermingszone en buitenbeschermingszone van een waterstaatswerk:
a. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben; of
b. leidingen, tanks of andere werken met een overdruk van 10 bar te plaatsen of te hebben.
(…)
Afdeling 2.19 Overige activiteiten bij waterstaatswerkenParagraaf 2.19.2 Gras en eenjarige gewassen
Artikel 2.126 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen en behouden van gras of eenjarige gewassen in de beschermingszone van een waterstaatswerk.
Artikel 2.127 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gras of eenjarige gewassen aan te brengen of te behouden, als het betreffende perceel geen agrarische bestemming heeft.

Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014BL-02 Beplanting op en nabij waterkeringen

Versie 2, 2014, Tekst aangepast aan keur 2014
Kader
Artikel:
- Deze beleidsregel heeft betrekking op keurartikel 3.2.

Reikwijdte:

- Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen en de daarbij behorende (buiten)beschermingszones, die zijn opgenomen in de legger, met uitzondering van het duingebied.
Toetsingscriteria
Primaire waterkeringen
Ruimtelijke inpassing
1. Beplanting (inclusief de ontgrondingkuil) mag het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden.
2. Indien het fysiek aanwezige profiel groter is dan het profiel van vrije ruimte dan moet beplanting worden aangebracht boven het fysiek aanwezige maaiveld, met uitzondering van het wortelpakket (met een gebruikelijke ontgrondingkuil van maximaal 1,00 m).
3. Buitendijks wordt beplanting alleen toegelaten als het aanwezige voorland zich 1,00 m boven het maatgevend hoogwater (MHW) bevindt.
4. Beplanting (inclusief ontgrondingkuil) mag niet in de kruin of het (toekomstige) talud van het waterstaatswerk worden aangebracht. Daarnaast moet beplanting op minimaal 5,00 m uit de (teen)lijn van het (toekomstig) binnen- en/of buitentalud worden aangebracht.
(…)
Motivering van de beleidsregel
Ruimtelijke inpassing
Doordat sommige beplanting een lange levensduur kan hebben, zijn er tijdens deze duur mogelijk dijkversterkingen noodzakelijk. Hierdoor mogen de bomen niet worden aangebracht binnen het profiel van vrije ruimte en mag de ontgrondingkuil dit profiel niet doorsnijden. Omdat voor het aanbrengen van de beplanting ontgravingen nodig zijn wordt dit toegestaan, maar wordt dit geminimaliseerd ten behoeve van het behoud van het aanwezig profiel en daarmee samenhangend de stabiliteit en veiligheid van de waterkering. Om het beheer en onderhoud van de waterkering te waarborgen wordt er tevens een ruimte gereserveerd met betrekking tot de kruin en de taluds van de waterkering.
Ontgrondingkuil
Als gevolg van windbelasting bestaat de mogelijkheid dat beplanting kan afbreken of omwaaien. Ondiep wortelende beplanting kan omwaaien, waarbij het wortelpakket schade kan aanrichten aan de waterkering. Dit heeft tot gevolg dat er bij de beoordeling uitgegaan wordt van de beplanting inclusief de ontgrondingkuil. In principe is de ontgrondingkuil afhankelijk van onder andere de boomsoort en grondslag. Wegens het ontbreken van specifieke afmetingen per voorkomende situatie wordt uitgegaan van de volgende afmetingen voor de ontgrondingkuil: een fictieve schijf met een diameter van 4,00 m en een maximale diepte van 1,00 m.
Toelichting
Het waterschap is kritisch in het aanbrengen van beplanting binnen de zonering van de waterkeringen vanwege de volgende redenen:
- beplanting is van invloed op het in gang zetten van faalmechanismen. Zo dringt bijvoorbeeld het wortelstelsel van de beplanting door de kleilaag en kan het wortelstelsel piping tot gevolg hebben. Het omwaaien van bomen kan een ontgrondingkuil veroorzaken die de waterkering verzwakt, door verminderde stabiliteit en verkorte kwelweglengte;
- de aanwezigheid van beplanting is van invloed op de erosiebestendigheid van de waterkering, doordat aaneengesloten dijkbekleding wordt doordrongen door de beplanting en daarnaast de schaduwwerking een negatieve invloed heeft op de groei van de grasmat;
- voor het beheer, onderhoud en de inspectie van de waterkering is een bepaalde obstakelvrije ruimte nodig, beplanting vormt hiervoor een belemmering.
Beplanting kan binnen het waterstaatswerk en beschermingszone vanwege (economisch) maatschappelijke belangen wenselijk zijn voor derden. Voor deze gevallen is het noodzakelijk om te voldoen aan de in deze beleidsregel genoemde criteria om het aanvullende risico van de beplanting op de waterkering op te kunnen vangen.
Vanuit de historie is op veel van de regionale waterkeringen een bepaald beslag gelegd door onder andere bebouwing, volkstuinen en overige infrastructuur. Met name bomen zijn op regionale waterkeringen in een aantal gebieden reeds aanwezig. Indien er een zwaarwegend belang is bij eventuele herplant van bomen, bijvoorbeeld bij bomenrijen met een bepaalde landschappelijke, natuur- of cultuurwaarde, kan het waterschap overwegen deze in stand te laten houden.

Voetnoten

1.Zie artikel 4:84 van Pro de Awb.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2290.