ECLI:NL:RBROT:2026:7050

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/5383
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 Awbparagraaf 3.1.5 Beleidsregels VOG-NP-RP 2024paragraaf 3.1.3.1 Beleidsregels VOG-NP-RP 2024paragraaf 3.1.4.1 Beleidsregels VOG-NP-RP 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verklaring omtrent het gedrag voor alternatief therapeut

Eiseres heeft op 30 april 2024 een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aangevraagd voor de functie van alternatief therapeut. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de aanvraag afgewezen op grond van een bijzondere weigeringsmogelijkheid, omdat eiseres binnen de terugkijktermijn van twintig jaren is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan twaalf jaren wegens medeplegen van moord.

Eiseres voerde aan dat de belangenafweging onjuist was, onder meer omdat zij slachtoffer was van mishandeling en vrouwenhandel, het strafbare feit lang geleden is gepleegd, en zij sindsdien positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van hulpbehoevenden zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres.

Hoewel de rechtbank constateert dat de staatssecretaris in het bestreden besluit onvoldoende oog had voor de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd en het tijdsverloop, wordt dit motiveringsgebrek hersteld door de nadere toelichting in het verweerschrift. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, draagt de staatssecretaris op het griffierecht te vergoeden en veroordeelt hem in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. J.C. Herrewijnen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. N. El Amiri-Essabane).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG). Eiseres is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de staatssecretaris. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van hulpbehoevende personen in de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres bij het kunnen uitoefenen van de functie van alternatief therapeut. De staatssecretaris heeft de aanvraag dan ook kunnen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Op 30 april 2024 heeft eiseres een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aangevraagd voor de functie van alternatief therapeut.
2.2.
De staatssecretaris heeft eiseres op 13 augustus 2024 te kennen gegeven dat zij voornemens was om de aanvraag af te wijzen. Daarbij is eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze in te dienen.
2.3.
Op 27 augustus 2024 heeft eiseres een zienswijze ingediend.
2.4.
Bij besluit van 26 november 2024 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.5.
Bij besluit van 3 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.6.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op basis van de bijzondere weigeringsmogelijkheid van paragraaf 3.1.5. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (hierna: de beleidsregels). Blijkens deze paragraaf van de beleidsregels wordt de VOG in beginsel afgegeven wanneer de aanvrager binnen de van toepassing zijnde terugkijktermijn niet voorkomt in de justitiële documentatie of als binnen de terugkijktermijn in de justitiële documentatie een justitieel gegeven wordt vermeld dat, geoordeeld naar de omstandigheden van het geval, onvoldoende zwaarwegend is om op grond daarvan de VOG niet te verstrekken. Indien echter onder deze omstandigheden buiten de van toepassing zijnde terugkijktermijn een justitieel gegeven bekend wordt waarvan de aard en de ernst zodanig zijn dat, gelet op het doel van de aanvraag en het risico voor de samenleving, de belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de beoogde functie/taak/bezigheid te groot wordt geacht, kan de VOG worden geweigerd. Dat kan echter alleen als in de justitiële documentatie in de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag een justitieel gegeven wordt aangetroffen over een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waarvoor de aanvrager is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of jeugddetentie, de maatregel van terbeschikkingstelling aan de staat en/of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
3.2.
De staatssecretaris stelt dat aan de voorwaarden voor toepassing van de bijzondere weigeringsmogelijkheid is voldaan, omdat uit het justitieel documentatiesysteem blijkt dat eiseres in de twintig jaren voorafgaand aan haar VOG-aanvraag is veroordeeld wegens een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waarvoor zij is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Eiseres is namelijk op 14 december 2009 door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren wegens het medeplegen van moord. Bij arrest van 5 maart 2013 heeft de Hoge Raad deze uitspraak vernietigd, voor zover deze ziet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Daarbij is de opgelegde gevangenisstraf verminderd tot een gevangenisstraf van acht jaren en vijf maanden. De staatssecretaris heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat dit justitiële gegevens zijn die, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd (het objectieve criterium). Volgens de staatssecretaris weegt het belang van bescherming van hulpbehoevende personen in de samenleving bovendien zwaarder dan het persoonlijk belang van eiseres bij het kunnen uitoefenen van de functie van alternatief therapeut (het subjectieve criterium). De aanvraag van eiseres is dan ook afgewezen, welk besluit is gehandhaafd met het bestreden besluit.

Standpunt eiseres

4. Eiseres betoogt dat de staatssecretaris haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen, de gemaakte belangenafweging had niet in haar nadeel moeten uitvallen. Haar belangen bij afgifte van de VOG wegen namelijk evident zwaarder dan de belangen van de samenleving bij weigering van de VOG. De conclusie van de staatssecretaris dat sprake is van een te groot risico voor de samenleving als de VOG wordt afgegeven is onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd. De staatssecretaris heeft er in dit verband op gewezen dat eiseres de laatste jaren een aantal keer met de politie in aanraking is gekomen. Eiseres licht deze contacten met de politie toe en benadrukt dat zij hiervoor nooit is veroordeeld. Zij is ook niet bekend met het op haar justitiële documentatie weergegeven beleidssepot. Verder heeft de staatssecretaris onvoldoende oog gehad voor de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd waarvoor eiseres is veroordeeld. Eiseres was destijds zelf het slachtoffer van mishandeling en vrouwenhandel. De persoon die eiseres uitbuitte en gevangen hield is op enig moment om het leven gebracht, onder meer door andere van zijn slachtoffers. Bovendien is sprake van een groot tijdsverloop, omdat het strafbare feit waarvoor eiseres is veroordeeld is begaan in 2006. Sindsdien heeft eiseres hulp gezocht voor haar trauma’s. Ook heeft zij opleidingen en cursussen gevolgd. Dit heeft er ook toe geleid dat zij nu zelf werkzaam wenst te zijn in de (mentale) gezondheidssector. Tot slot voert eiseres aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Beoordeling door de rechtbank

5.1.
De staatssecretaris heeft aan de weigering van de VOG de bijzondere weigeringsmogelijkheid van paragraaf 3.1.5. van de beleidsregels ten grondslag gelegd.
In deze paragraaf staat – voor zover van belang – vermeld dat voorwaarde voor toepassing van deze bijzondere weigeringsgrond is dat in de justitiële documentatie van de twintig jaren voorafgaand aan de aanvraag een justitieel gegeven is aangetroffen over een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en waarvoor de aanvrager is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres binnen de terugkijktermijn van twintig jaren is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een strafbaar feit waarvoor een gevangenisstraf van 12 jaar of meer kan worden opgelegd. Er is dus aan de formele voorwaarden van paragraaf 3.1.5. van de beleidsregels voldaan.
5.3.
Voor toepassing van de bijzondere weigeringsmogelijkheid bestaat echter niet alleen al aanleiding als aan de in paragraaf 3.1.5. van de beleidsregels genoemde formele voorwaarden is voldaan. Gelet op de facultatieve formulering van deze paragraaf vergt de toepassing ervan door de staatssecretaris een op de omstandigheden van het geval toegespitste belangenafweging. Daarbij spelen dezelfde omstandigheden een rol als bij de toepassing van het subjectieve criterium. [1] Gelet hierop komt niet alleen betekenis toe aan de aard en de ernst van het gepleegde delict, de opgelegde gevangenisstraf en/of maatregel en het tijdsverloop, maar ook aan de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden en de belangen van de aanvrager. Bij deze belangenafweging heeft de staatssecretaris beoordelingsruimte. [2] Dat betekent dat de rechtbank terughoudend toetst of de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van het beschermen van de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres bij het kunnen uitoefenen van de functie van alternatief therapeut.
5.4.
De staatssecretaris heeft met betrekking tot de belangen van eiseres overwogen dat hij begrijpt dat eiseres een persoonlijk belang heeft bij afgifte van de VOG in die zin dat eiseres anderen wil helpen en daarmee in haar levensonderhoud wil voorzien. De staatssecretaris heeft daarbij ook van belang geacht dat eiseres verschillende trajecten succesvol heeft afgerond en daarmee aantoonbaar stappen heeft gezet in aan haar ontwikkeling. Verder heeft de staatssecretaris betrokken dat eiseres de VOG heeft aangevraagd voor een functie in de gezondheidszorg, waarbij zij verantwoordelijk zou zijn voor de gezondheid en veiligheid van personen. Eiseres zou dan ook alleen kunnen zijn met een persoon en deze persoon zou dan van eiseres afhankelijk zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de staatssecretaris zich in dit geval op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een risico bestaat dat de personen waarmee eiseres in aanraking zou komen getuige worden van geweld, zelf het slachtoffer worden van geweld of met wapens te maken krijgen. De staatssecretaris heeft hierbij kunnen betrekken dat eiseres veroordeeld is tot een gevangenisstraf van acht jaren en vijf maanden wegens het medeplegen van moord en dat dit een zeer ernstig geweldsdelict betreft. De rechtbank constateert dat eiseres op 19 november 2022 ook nog in aanraking is gekomen met de politie wegens het bezit van een wapenstok. De omstandigheid dat hiervoor een beleidssepot volgde maakt dit niet anders, omdat in paragraaf 3.1.3.1 van de beleidsregels is bepaald dat beleidssepots kunnen worden betrokken in de beoordeling van een aanvraag voor een VOG. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de drie politiecontacten van eiseres sinds haar vrijlating in 2014 niet dat eiseres zich nog altijd in hetzelfde milieu bevindt als vroeger, zoals de staatssecretaris dat wel tijdens de zitting heeft gesteld. Toch blijft het een feit dat sprake was van contacten met de politie. Uit paragraaf 3.1.4.1 van de beleidsregels blijkt bovendien dat politiegegevens in de beoordeling kunnen worden betrokken. De staatssecretaris mocht deze politiecontacten dan ook van belang achten.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in het bestreden besluit wel onvoldoende oog heeft gehad voor de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd en het tijdsverloop sinds dit feit, zoals door eiseres is betoogd. De staatssecretaris is in het bestreden besluit immers niet ingegaan op de door eiseres (ook al in bezwaar) geschetste context. Ook is in het bestreden besluit niet afdoende toegelicht wat het grote tijdsverloop sinds het strafbare feit in dit geval betekende voor de beoordeling. De staatssecretaris heeft deze punten in het verweerschrift nog nader toegelicht. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift overwogen dat in de belangenafweging is betrokken dat het levensdelict is begaan omdat eiseres ten prooi is gevallen aan uitbuiting, dat het slachtoffer eiseres uitbuitte en haar familie heeft bedreigd met de dood, dat het slachtoffer eiseres heeft gechanteerd met compromitterend videomateriaal en dat eiseres daarbij is blootgesteld aan psychische en fysieke mishandeling. De staatssecretaris heeft bovendien erkend dat tussen het gepleegde levensdelict en de VOG-aanvraag een ruime tijd is verstreken, waarbij is opgemerkt dat de veroordeling in eerste aanleg nog altijd binnen de terugkijktermijn van twintig jaren valt en dat die terugkijktermijn ook nog verlengd mag worden met de duur van de detentieperiode van eiseres. De staatssecretaris heeft daarbij benadrukt dat de ernst van het strafbare feit maakt dat dit feit bijzonder zwaar moet worden meegewogen en dat de positieve ontwikkelingen in het leven van eiseres door de recente politiecontacten van eiseres onvoldoende op waarde geschat kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiermee het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld.
5.6.
De rechtbank concludeert dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van hulpbehoevende personen in de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiseres bij het kunnen uitoefenen van de functie van alternatief therapeut. De staatssecretaris heeft (uiteindelijk) alle relevante omstandigheden en belangen in de besluitvorming betrokken en daarbij een deugdelijke belangenafweging gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het toepassen van de bijzondere weigeringsgrond onevenredig en daardoor onredelijk was. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel moet de staatssecretaris het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden en de door haar gemaakte proceskosten betalen, omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt de staatssecretaris op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2552.
2.Bv. de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:208.