AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit gemeente Rotterdam wegens strijd motiveringsbeginsel en toekenning schadevergoeding
De rechtbank Rotterdam heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak tussen eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam. De rechtbank bevestigt haar eerdere tussenuitspraak waarin het college de gelegenheid kreeg om gebreken in het bestreden besluit te herstellen, maar het college heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet voldoet aan het motiveringsbeginsel zoals vereist in artikel 7:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigt het besluit. Het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak en de tussenuitspraak.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep aanzienlijk is overschreden, met een totale duur van ruim vijf jaar. De overschrijding wordt deels toegerekend aan het college en deels aan de rechtbank, wat leidt tot een schadevergoeding aan eiser van in totaal €4.001,-, te betalen door het college en de Staat der Nederlanden.
Tot slot wordt het college veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1904
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (het college)
(gemachtigde: mr. E. van Lunteren).
Als derde-partijen nemen aan het geding deel:
Stichting Woonstad Rotterdam, uit Rotterdam en
Bouwfonds Property Development B.V., uit Amsterdam
(gemachtigde: mr. C.J. Dekker) en
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
1.1.
Voor het verloop van de procedure tot en met 12 maart 2026 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum (ECLI:NL:RBROT:5956). In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
1.2.
Het college heeft bij brief van 25 maart 2026 laten weten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen.
1.3.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. [1]
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college niet voldoet aan het vereiste van een belangenafweging op documentniveau, het bestreden besluit geen uitdrukkelijke motivering bevat als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, van de Wet open overheid (Woo) en bij de weigering tot openbaarmaking van informatie die ouder is dan vijf jaar niet (voldoende) motiveert waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 van de Woo bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid. [2] Door niet aan de hiervoor geschetste vereisten te hebben voldaan heeft het college aan de weigering om bepaalde informatie uit documenten te openbaren een ondeugdelijke motivering ten grondslag gelegd. Om de gebreken te herstellen, moet het college voor de documenten waar het geschil nog op ziet:
op de inventarislijst per (relevant) document vermelden welke uitzonderingsgrond van de Woo – beperkt tot artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, onder f en onder i en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo – van toepassing is en om welke (soort) informatie het gaat die niet openbaar wordt gemaakt;
in de relevante gelakte documenten per passage aangegeven welke uitzonderingsgrond – beperkt tot artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, onder f en onder i en artikel 5.2, eerste lid, van de Woo – van toepassing is en per uitzonderingsgrond een motivering geven;
duidelijk maken dat een afweging tussen het algemeen belang van openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang is gemaakt en wat de uitkomst daarvan is;
bij een verzoek om informatie die ouder is dan 5 jaar bij een weigering van die informatie motiveren waarom de in artikel 5.1, tweede lid, aanhef onder b, onder f en onder i of in artikel 5.2, eerste lid, bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid;
bij toepassing van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo gemotiveerd beslissen of de informatie kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college ook opgedragen om de zienswijzen van de derde partijen van 10 oktober 2023 en van 16 april 2024 zonder bijlagen in te dienen, zo nodig gelakt voor persoonsgegevens.
4. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 vanPro de Awb. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties (bezwaar en beroep) in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging of verkorting van deze termijn. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,00 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6. Het bezwaarschrift van eiser is door het college ontvangen op 30 oktober 2020. De beoordeling van de redelijke termijn ziet op de periode vanaf die datum tot de datum van deze uitspraak van de rechtbank, te weten 27 mei 2026. Vastgesteld wordt dat de totale behandelingsduur 5 jaar en ruim zes maanden is. De redelijke termijn is dan ook met 3 jaar en ruim zes maanden overschreden.
7. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het overschrijden van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan het college of aan de rechtbank.
8. Het college heeft op 19 mei 2022 beslist op eisers bezwaar en bij brief van 16 december 2022 aangekondigd zich te beraden en naar verwachting medio maart 2023 een nieuw besluit te nemen. Dat besluit heeft het college uiteindelijk op 16 juli 2024 genomen. Het college heeft de redelijke termijn in de bezwaarfase dan ook overschreden met 3 jaar en ruim twee maanden. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser hiervoor toe te kennen bedrag € 3.500,-.
9. De rechtbank had uiterlijk 16 januari 2026 uitspraak moeten doen om de redelijke behandelingsduur van de beroepsfase niet te overschrijden. De rechtbank heeft echter – na de tussenuitspraak op 12 maart 2026 – op 27 mei 2026 einduitspraak gedaan. De rechtbank heeft na 1 jaar en ruim 9 maanden beslist op het bij haar ingestelde beroep. Dat zou normaal gesproken betekenen dat de rechtbank de redelijke behandelingsduur van het beroep met ruim 3 maanden heeft overschreden. Een deel van die overschrijding is echter het gevolg van het toepassen van een bestuurlijke lus en moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Voor zover de overschrijding komt doordat de rechtbank de redelijke behandelingsduur voor het beroep heeft overschreden moet deze aan de rechtbank worden toegerekend. [3] De overschrijding in de beroepsfase in de periode van 16 januari 2026 tot 12 maart 2026 (afgerond twee maanden) kan aan de rechtbank worden toegerekend en de overige overschrijding (afgerond 1 maand) aan het college. Uitgaand van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser hiervoor toe te kennen bedrag € 500,-, waarvan 2/3 (afgerond € 334,-) moet worden toegerekend aan de rechtbank en 1/3 (afgerond € 167,-) aan het college.
10. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan het college en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van het college en de Staat, die de schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank moet betalen (de minister van Justitie en Veiligheid). Dat betekent dat de rechtbank het college zal veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van in totaal € 3.667,- (€3.500 + € 167,-) en de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van in totaal € 334,-.
Vergoeding griffierecht en proceskostenveroordeling
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 juli 2024 voor zover daarbij is beslist op de bezwaren van eiser;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
- veroordeelt het college tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 3.667,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 334,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzitter, en mr. J.J. Klomp en mr. C.J. Wolswinkel, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).