ECLI:NL:RBROT:2026:7011

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718840 / KG ZA 26-410
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 196 RvArt. 197 RvArt. 69 FwArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing inzagevordering niet-openbaar deel faillissementsdossier na faillissement

Eiser was failliet van 2017 tot 2021 en vordert inzage in zijn gehele faillissementsdossier, met name het niet-openbare deel dat mogelijk informatie bevat over gesprekken tussen rechtbankmedewerkers en zijn voormalige advocaat. De rechtbank Rotterdam behandelt de zaak in kort geding en wijst de vordering deels toe.

De Staat betwist de bevoegdheid van de voorzieningenrechter en de ontvankelijkheid van eiser voor het openbare deel van het dossier, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat eiser reeds over het openbare deel beschikt en daarom niet-ontvankelijk is voor dat deel. Voor het niet-openbare deel is de voorzieningenrechter wel bevoegd en wijst de vordering toe, omdat eiser voldoende belang heeft en partij is bij een rechtsbetrekking.

De gevorderde inzage wordt beperkt tot stukken van 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2020 die betrekking hebben op gesprekken van 21 november en 12 december 2019. De belangenafweging leidt tot toewijzing omdat het maatschappelijk belang van waarheidsvinding zwaarder weegt dan de vertrouwelijkheidsbelangen van de Staat. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vordering toe tot inzage in het niet-openbare deel van het faillissementsdossier over een beperkte periode en veroordeelt de Staat in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718840 / KG ZA 26-410
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.H.J. Körver,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, RAAD VOOR DE RECHTSPRAAK),
zetelend te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat
advocaten: mr. M.T. Beumers en mr. M. Moret.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] was failliet in de periode 2017-2021. Hij wil inzage in zijn gehele faillissementsdossier, omdat dat dossier informatie kan bevatten over gesprekken die volgens [eiser] hebben plaatsgevonden tussen medewerkers van de rechtbank Den Haag en (een of meer kantoorgenoten van) zijn toenmalige advocaat. De voorzieningenrechter wijst de vordering deels toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 april 2026, waarin de zaak is doorverwezen naar deze rechtbank;
- de dagvaarding van 11 mei 2026 met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1 tot en met 14;
- de akte wijziging eis van [eiser] ;
- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026;
- de spreekaantekeningen, tevens voorwaardelijke wijziging van eis van [eiser] .

3.De feiten

3.1.
[eiser] is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 juni 2017 in staat van faillissement verklaard. Gedurende het faillissement is [eiser] enkele maanden gegijzeld. Op 29 maart 2021 is het faillissement van [eiser] opgeheven wegens gebrek aan baten.
3.2.
Tijdens het faillissement werd [eiser] onder meer bijgestaan door de advocaat mr. [naam] (hierna: [naam] ), die toen werkzaam was bij het advocatenkantoor [advocatenkantoor X] (hierna: [advocatenkantoor X] ). [advocatenkantoor X] heeft eind 2019 haar werkzaamheden voor [eiser] gestaakt en de cliëntrelatie met hem beëindigd.
3.3.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 10 februari 2026 op verzoek van [eiser] een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Daarin heeft de rechtbank overwogen:

4.4. [eiser] heeft gesteld dat mr. [naam] hem heeft verteld dat mr. [naam] “in het tweede
semester” van 2019 in een gesprek bij de Rechtbank Den Haag van leden van de rechtbank
de boodschap heeft gekregen dat hij minder faillissementen toebedeeld zou krijgen als
[advocatenkantoor X] of hijzelf [eiser] zouden blijven bijstaan. Dat is een concrete stelling die met het horen
van getuigen mogelijk bewezen kan worden. Als die stelling bewezen wordt, is
aansprakelijkheid van de Staat niet ondenkbaar. (…)”
3.4.
Op 1 en 20 april 2026 hebben twee zittingen plaatsgevonden waarbij getuigen zijn gehoord in het kader van het in 3.3. bedoelde voorlopig getuigenverhoor.
3.5.
Bij e-mail van 16 april 2026 heeft [eiser] de rechtbank Den Haag verzocht om inzage te geven in zijn faillissementsdossier. De rechtbank Den Haag heeft daarop als volgt gereageerd:

In reactie op uw mail d.d. 16-04-2026 kunnen wij u berichten dat we geen afschrift verstrekken van het faillissementsdossier van de heer [eiser] . Op grond van het bepaalde in de faillissementswet kunnen we slechts een afschrift van enkele stukken verstrekken, te weten: de openbare verslagen van de curator, het verslag van de stand van de boedel en het proces-verbaal van de verificatievergadering. Deze stukken zijn tegen betaling verkrijgbaar en zijn in het verleden ook al aan de heer [eiser] verstrekt.
De overige stukken betreffen vertrouwelijke correspondentie tussen de curator en de rechter-commissaris en zijn niet openbaar.”

4.De vordering

4.1.
[eiser] vordert in verschillende varianten – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Staat gebiedt om hem binnen twee dagen na betekening van dit vonnis inzage te geven in het openbare en niet-openbare deel van faillissementsdossier van [eiser] , ongeacht het kenmerk, de interne archivering, het subdossier, de archiefcode of de digitale opslaglocatie, althans de inzage te beperken tot alle stukken uit de periode van 24 september 2019 tot en met 1 mei 2020, die betrekking hebben op de gesprekken van 21 november 2019 en 12 december 2019, of het bezoek aan [eiser] in de penitentiaire inrichting op 21 november 2021, de voorbereiding daarvan, de verslaglegging daarvan en de interne communicatie daarover. [eiser] heeft tijdens de zitting de aanvankelijk ook gevorderde dwangsommen ingetrokken.
4.2.
De Staat voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en ontvankelijkheid
5.1.
De Staat stelt dat [eiser] , voor zover zijn vordering ziet op het openbare gedeelte van het faillissementsdossier, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [eiser] heeft volgens de Staat geen belang bij die vordering omdat hij kennelijk al over die stukken beschikt. Voor inzage in het niet-openbare gedeelte van het faillissementsdossier stelt de Staat zich op het standpunt dat [eiser] daartoe een verzoek moet richten tot de (voormalig) rechter-commissaris – die dan een beschikking kan geven, waartegen hoger beroep openstaat – en dat de voorzieningenrechter daarom onbevoegd is van dat deel van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Het verweer slaagt ten aanzien van het openbare deel van het faillissementsdossier. De in 3.5. geciteerde e-mail, die [eiser] inhoudelijk niet weerspreekt, en de uitlatingen namens [eiser] ter zitting – onder andere randnr. 42 van diens pleitnota – rechtvaardigen de conclusie dat [eiser] beschikt over het openbare gedeelte van het faillissementsdossier. Bij zijn vordering tot inzage of afgifte daarvan heeft hij dan ook geen belang. Dat betekent dat hij niet-ontvankelijk is voor zover zijn vordering ziet op het openbare gedeelte.
5.3.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van de Staat echter niet ten aanzien van het niet-openbare deel van het faillissementsdossier. Het uitgangspunt is dat de route van verzoeken om een beschikking aan de rechter-commissaris (op grond van onder meer artikel 69 Fw Pro) alleen openstaat tijdens een faillissement. Er hebben zich, in andere zaken, weliswaar situaties voorgedaan waarin ook na het faillissement een dergelijk verzoek mogelijk was, bijvoorbeeld omdat er geen geëigende rechtsweg (meer) openstond, maar van een dergelijke situatie is hier geen sprake. [1] In dit geval staat wel een geëigende rechtsweg open, namelijk die van artikel 194 e.v. Rv.
5.4.
De voorzieningenrechter overweegt verder het volgende. In zijn algemeenheid wordt niet aangenomen dat een gefailleerde elke aanspraak op inzage van de niet openbare stukken in het faillissementsdossier ontbeert. In verband met de aard van de gegevens die zich in het niet openbare deel van het dossier kunnen bevinden en die zowel het vermogen als andere aspecten van de persoon van de gefailleerde kunnen betreffen, wordt aangenomen dat hij een zodanige inzage moet kunnen verlangen en dat de rechter de vraag of aan een zodanig verlangen in het gegeven geval gevolg moet worden gegeven, moet beoordelen aan de hand van een afweging van het belang van de gefailleerde bij de inzage tegen de eventuele belangen die zich tegen inzage verzetten. [2] Het voorschrift van artikel 69 Fw Pro is in beginsel slechts gegeven om de gefailleerde invloed toe te kennen op het beheer over de failliete boedel en om, zo hij meent dat bij dat beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen. [3] Een ander belang om informatie te verkrijgen, bijvoorbeeld om met de informatie aan te tonen dat daarmee het bestuur van een gefailleerde onrechtmatig jegens de partij die om de informatie verzoekt heeft gehandeld, is geen belang waarop artikel 69 Fw Pro ziet. [4] De door [eiser] verlangde gegevens kunnen, indien deze bestaan, zijn opgenomen in het niet openbare deel van het faillissementsdossier, maar hebben niet tot doel om tot een behoorlijk beeld van het beheer van de curator te komen. De gegevens worden immers opgevraagd, omdat, zoals hierna nog wordt overwogen, [eiser] met de inzage beoogt om informatie te krijgen over de (mogelijke) rechtsbetrekking waarbij hij partij vermoedt te zijn. De route van artikel 69 Fw Pro staat in dit geval dus niet open voor [eiser] . Het onbevoegdheidsverweer wordt daarom verworpen.
Toetsingskader kort geding
5.5.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.6.
Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv Pro). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan een rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 Rv Pro). In spoedeisende gevallen kan het verzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter (artikel 197 Rv Pro), zonder dat gezegd kan worden dat een inzagevordering per definitie een spoedeisend belang oplevert. Het uitgangspunt van de wetgever is dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid tot het voeren van een kort geding procedure om inzage te vragen blijft bestaan. Inzage kan daarom ook gevorderd worden in een dagvaardingsprocedure in kort geding. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Spoedeisend belang
5.7.
[eiser] stelt dat zijn spoedeisend belang volgt uit de aard van de door hem ingestelde vordering. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Een vordering tot afschrift of inzage is niet zonder meer spoedeisend, daar is meer voor nodig.
5.8.
Volgens [eiser] volgt zijn spoedeisend belang daarnaast uit de omstandigheid dat de rechtbank Rotterdam een voorlopig getuigenverhoor heeft bevolen waarin inmiddels een aantal getuigen is gehoord. [eiser] voert aan dat hij overweegt meer getuigen te horen en dat hij de in deze procedure gevorderde gegevens wil gebruiken ten behoeve van (de voortzetting van) het getuigenverhoor.
5.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel van [eiser] voldoende spoedeisend belang heeft. Het voorlopige getuigenverhoor geeft [eiser] immers op dit moment de mogelijkheid om getuigen te horen en hen te confronteren met stukken uit (het niet-openbare deel van) het faillissementsdossier, als die er zijn. Hoewel kan worden toegegeven dat [eiser] ook op een later moment nog getuigen zou kunnen horen, heeft [eiser] in ieder geval proceseconomisch gezien een spoedeisend belang om juist tijdens dit getuigenverhoor al te beschikken over schriftelijke informatie. Anders dan de Staat stelt, gelden er voor vorderingen tot inzage geen bijzondere of andere eisen aan het spoedeisend belang dan die in het algemeen voor kort geding procedures gelden.
[eiser] is partij bij een rechtsbetrekking
5.10.
[eiser] stelt dat hij mogelijk partij is bij een rechtsbetrekking, maar dat hij nog niet met voldoende zekerheid kan vaststellen wie de wederpartij bij deze rechtsbetrekking is. Volgens [eiser] heeft hij mogelijk een vordering op de Staat der Nederlanden, althans op een voor de rechtbank Den Haag werkzaam persoon. Die vordering zou voortvloeien uit de omstandigheid dat [advocatenkantoor X] de rechtsbijstand aan hem heeft gestaakt door toedoen van leden of medewerkers van de rechtbank Den Haag.
5.11.
Onder een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv Pro vallen de rechten en plichten van partijen bij een tussen hen gesloten overeenkomst en bij verbintenissen uit de wet, zoals een onrechtmatige daad. Gelet op het doel om opheldering over de feiten te verkrijgen en geschillen zo effectief mogelijk op te lossen moet het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ ruim worden opgevat. Het bestaan van de rechtsbetrekking hoeft ten tijde van het instellen van een inzagevordering nog niet in rechte vast te staan. Een partij kan juist aanspraak maken op bepaalde gegevens bij de partij die daarover beschikt, om de reden dat er onduidelijkheid bestaat over de feiten die van belang zijn voor het vaststellen van het bestaan, de inhoud of de omvang van een rechtsbetrekking.
5.12.
Gelet op het voorgaande heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat hij partij is bij een rechtsbetrekking. De enkele omstandigheid dat er nog onduidelijkheid bestaat over het bestaan, de omvang of de inhoud van de rechtsbetrekking, of dat de Staat het bestaan van een rechtsbetrekking of een vorderingsrecht aan de zijde van [eiser] betwist, maakt dit niet anders. Anders dan de Staat heeft aangevoerd hoeft [eiser] , zo volgt uit de wetsgeschiedenis van het nieuwe bewijsrecht, in deze procedure niet voldoende aannemelijk te maken dat hij ook een vorderingsrecht heeft. [5] Bovendien heeft de rechtbank Rotterdam in de beschikking van 10 februari 2026 – zie het citaat in r.o. 3.3. – reeds overwogen dat aansprakelijkheid van de Staat bij de door [eiser] geschetste omstandigheden niet ondenkbaar is.
De informatie die verlangd wordt, is voldoende bepaald
5.13.
Het vereiste van “bepaalde gegevens” waarborgt dat (i) voldoende concreet moet worden aangeven om welke gegevens het gaat en (ii) getoetst kan worden of voldoende belang bestaat bij inzage in juist die gegevens. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voor een, overigens slechts beperkt, gedeelte van de gevorderde informatie sprake van voldoende bepaalde gegevens en kan getoetst worden of voldoende belang bestaat bij de inzage van juist deze gegevens. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.14.
Het is niet nodig dat een partij elk stuk afzonderlijk aanduidt waarvan hij inzage of afschrift verzoekt. Omdat de partij die om informatie vraagt niet over die informatie beschikt, kan zo’n concretisering niet altijd worden verlangd. Het informatieverzoek moet wel voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. Dat betekent dat concreet moet worden gesteld waarom een redelijke grond bestaat dat de partij aan wie het verzoek wordt gedaan over de gevraagde informatie beschikt en dat voldoende concreet wordt vermeld waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een potentieel of ontstaan geschil over een rechtsbetrekking waarbij zij partij is.
5.15.
In de wetsgeschiedenis van het nieuwe bewijsrecht staat dat een verzoek om inzage in een volledig dossier te weinig specifiek is en kan daarom niet als voldoende bepaald worden aangemerkt. [6] De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit in dit geval, gelet op de beslissing in 5.2., ook geldt voor het volledige niet-openbare deel van het faillissementsdossier: in zoverre is de (nog resterende) vordering niet voldoende bepaald.
[eiser] heeft in zijn (meer) subsidiaire vorderingen het onderwerp waarop de verlangde gegevens betrekking hebben echter voldoende nauwkeurig afgebakend. Volgens [eiser] hebben de gegevens waar hij inzage van wenst betrekking op mogelijke vorderingen die hij heeft als gevolg van de omstandigheden die hebben geleid tot het beëindigen van de rechtsbijstand door (een van) zijn advocaten. Het gaat daarbij (zoals meer subsidiair gevorderd) specifiek om stukken over de periode 24 september 2019 tot en met 1 mei 2020 die betrekking hebben op gesprekken die zijn gevoerd op 21 november 2019 en 12 december 2019. [eiser] heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de gewenste informatie vervat kan zijn in de gevraagde gegevens, nu die gegevens betrekking hebben op de uitwisseling van schriftelijke of digitale berichten over [eiser] . Dergelijke berichten kunnen zijn gewisseld in de periode waarover inzage is gevorderd. Daarmee is sprake van gegevens die voldoende bepaald zijn. Dat [eiser] geen nadere duiding of specificering kan geven, leidt niet tot een ander oordeel. In zekere zin laat zijn situatie zich vergelijken met die welke aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2012. [7] Of de periode al dan niet te ruim is, komt hierna nog aan de orde.
[eiser] heeft voldoende belang bij inzage
5.16.
De Staat voert aan dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij inzage, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vorderingsrecht heeft op de Staat. Zoals hiervoor overwogen, hoeft dat op dit moment ook nog niet.
5.17.
[eiser] stelt dat de gegevens waar hij inzage van wenst, betrekking hebben op (mogelijke) vorderingen die hij heeft als gevolg van de omstandigheden die hebben geleid tot het beëindigen van de rechtsbijstand door [advocatenkantoor X] . [eiser] wil achterhalen wat er precies is gebeurd rondom en tijdens de gesprekken die volgens hem hebben plaatsgevonden in het tweede semester van 2019 tussen de advocaten van [advocatenkantoor X] en medewerkers van de rechtbank Den Haag, om te bepalen of het opportuun is een procedure te starten op basis van deze nog onduidelijke feiten en omstandigheden.
Uit de in dit kort geding overgelegde verklaringen van getuigen, hoewel deze op punten van elkaar verschillen, volgt dat in de periode november-december 2019 twee gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de rechtbank en advocaten van [advocatenkantoor X] , waaronder een gesprek met de toenmalige advocaat van [eiser] . Anders dan de Staat stelt leidt de omstandigheid dat de verklaringen op punten verschillen juist eerder tot het aannemen van een voldoende belang bij inzage. De gevorderde stukken kunnen immers voor nadere opheldering zorgen over de (on)juistheid van wat is verklaard. Daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang bij de gevorderde inzage.
5.18.
Dit geldt dan weer niet voor zover de gegevens betrekking hebben op het bezoek aan [eiser] in de penitentiaire inrichting. [eiser] heeft dit deel van zijn vordering in het geheel niet voorzien van enige toelichting en onderbouwing, zodat onduidelijk wat is wat zijn belang is bij de gevorderde gegevens. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Gewichtige redenen die aan inzage in de weg staan?
5.19.
De Staat stelt dat er gewichtige redenen bestaan om geen inzage te verschaffen. In een faillissementsdossier zit informatie waarvan het niet wenselijk is dat deze gedurende, maar ook na, het faillissement openbaar wordt gemaakt. De Staat wijst daarbij op de voorbeelden genoemd in de beschikking van de Hoge Raad van 22 september 1995 (zie voetnoot 2). De Staat wijst er verder op dat de in het faillissementsdossier opgenomen correspondentie tussen de curator en de rechter-commissaris, in het belang van de gezamenlijke schuldeisers, vertrouwelijk is. Daarbij is sprake van bewuste keuze van de wetgever op het punt van publiciteit inzake faillissementen.
5.20.
De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. Vooropgesteld zij dat volstrekt helder is dat [eiser] niet op zoek is naar informatie die ook maar enigszins vergelijkbaar is met de voorbeelden die zijn genoemd in de beschikking van de Hoge Raad van 22 september 1995. [eiser] is, naar het zich laat aanzien, evenmin op zoek naar al dan niet vertrouwelijke correspondentie tussen de curator en de rechter-commissaris. Waar [eiser] naar op zoek is, is naar gegevens over twee gesprekken tussen de rechter-commissaris en advocaten van kantoor [advocatenkantoor X] . Niet uit te sluiten is dat in die context vertrouwelijkheid aan de orde kan komen, maar daar heeft de Staat zich niet op beroepen. Het gaat [eiser] er, blijkbaar, alleen, althans vooral, om (meer) bevestiging te vinden van de mededeling die [naam] aan hem heeft gedaan en die inhoudt dat de rechtbank Den Haag aan [naam] de boodschap heeft afgegeven dat hij minder faillissementen toebedeeld zou krijgen als [advocatenkantoor X] of hijzelf [eiser] zouden blijven bijstaan. Als dat zo is, dan moet het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, prevaleren. Dan is immers niet uitgesloten dat dit als onrechtmatig wordt bestempeld, zoals de rechtbank Rotterdam ook in de beschikking van 10 februari 2026 heeft overwogen. In dat geval prevaleren de belangen van [eiser] om de waarheid boven water te krijgen boven de belangen om de gegevens vertrouwelijk te houden.
Geen andere afwijzingsgronden
5.21.
De voorzieningenrechter zijn geen andere gronden voor afwijzing van de vorderingen gebleken. De vorderingen zijn niet in strijd met de goede procesorde en er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Anders dan de Staat stelt, staat de omstandigheid dat [eiser] de informatie ook op een andere wijze, bijvoorbeeld via de getuigenverhoren, zou kunnen verkrijgen ook niet aan toewijzing in de weg, nog afgezien van het mogelijke verschil in bewijs- en overtuigingskracht tussen informatie op papier en informatie in de vorm van een verklaring gebaseerd op herinneringen aan gebeurtenissen die zich meer dan zes jaar geleden hebben voorgedaan. Een inzagevordering geldt met de invoering van het nieuwe bewijsrecht niet langer als een ultimum remedium en de eis van artikel 843a lid 4 (oud) Rv is komen te vervallen. [8]
Belangenafweging
5.22.
Voor de beantwoording van de vraag of stukken uit het niet-openbare deel van een faillissementsdossier moeten worden verschaft, geldt, naast de toets van artikel 254 Rv Pro, het toetsingskader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn beschikking van 22 september 1995, waarin is bepaald dat het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van een afweging tussen het belang van de gefailleerde bij inzage en de eventuele belangen die zich tegen inzage verzetten. [9]
5.23.
De Staat hecht in het kader van de belangenafweging, blijkbaar, doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen van de voormalig curator van [eiser] en die van een advocaat-partner van [advocatenkantoor X] (toen en nu). Daarbij verliest de Staat uit het oog dat er ook andersluidende verklaringen zijn en een e-mail van [naam] aan de advocaat-partner, die, mede gelet op de verklaringen van [naam] en een bedrijfsjurist, ook heel anders uitgelegd kan worden dan de advocaat-partner in zijn verklaring doet.
De Staat wijst er ook op dat [eiser] al over veel informatie beschikt, ook informatie die hij van [advocatenkantoor X] heeft verkregen. Dat laatste is inderdaad het geval, maar de stelling van [eiser] is ook dat de door [advocatenkantoor X] verstrekte stukken onvolledig zijn. [10]
5.24.
Uit wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het belang van [eiser] bij inzage volgt dat een belangenafweging uitvalt in het voordeel van [eiser] . De twee hiervoor in 5.23 besproken punten leiden, gelet op het belang van waarheidsvinding, niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging.
5.25.
Gelet op het voorgaande is het uitgangspunt dat de meer subsidiaire vordering van [eiser] toewijsbaar is. De primaire en subsidiaire vordering zijn veel te ruim geformuleerd. Dan rest nog een beoordeling van de periode. [eiser] vordert stukken over de periode 24 september 2019 tot en met 1 mei 2020, voor zover betrekking hebbend op de gesprekken van 21 november 2019 en 12 december 2019.
Uit de pleitnota volgt dat [eiser] voor de eerste datum aanknoopt bij een datum waarop de rechter-commissaris is gewraakt en een andere rechter als waarnemend rechter-commissaris is gaan optreden. Over de tweede datum wordt opgemerkt dat hij ervan uitgaat dat er na dat moment niet meer wordt gecommuniceerd over wat in november en december 2019 is geschied.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat, ondanks de verfijning van de vordering tot de twee gesprekken, die periode te ruim is. Aangenomen mag worden dat met de gestelde mededeling – indien daadwerkelijk gedaan – enige voorbereiding en enig nawerk gemoeid zijn geweest, maar geen maanden. De periode wordt daarom beperkt tot 1 oktober 2019 tot 31 januari 2020. De termijn voor het verlenen van inzage wordt bepaald op twee weken na betekening van dit vonnis. Daarbij is in aanmerking genomen dat de Staat heeft gesteld pas recent het dossier uit het archief te hebben ontvangen en nog niet in de gelegenheid te zijn geweest om daarin te kijken en te constateren of de gevorderde gegevens al dan niet bestaan.
Wijze van inzageverlening
5.26.
De Staat heeft geen stellingen ingenomen over de wijze waarop inzage of afschrift aan [eiser] verleend zou moeten worden in geval de vorderingen worden toegewezen, noch verzocht dat de inzage door [eiser] op enige wijze zou moeten worden beperkt. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om beperkingen voor de inzage te bepalen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.27.
De Staat verzoekt om een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Staat stelt dat inzage onomkeerbaar is, dat hij belang heeft bij een toetsing van een toewijzende beslissing in hoger beroep en dat de omstandigheid dat er ingevolge artikel 200 lid 1 Rv Pro tegen een beslissing op een inzageverzoek hoger beroep ingesteld kan worden, volgt dat er voldoende reden is om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [eiser] beschikt daarnaast reeds over voldoende informatie, zodat hij geen belang heeft bij inzage voorafgaand aan een behandeling in hoger beroep.
5.28.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Het uitgangspunt bij het treffen van voorlopige voorzieningen is dat vonnissen in kort geding uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De wetgever heeft zelfs de bewuste keuze gemaakt om de voorzieningenrechter de mogelijkheid te geven dit ambtshalve te doen. Uitvoerbaarheid bij voorraad is in zekere zin ook complementair aan het aannemen van een spoedeisend belang en treffen van een voorziening in kort geding. Dat ingevolge artikel 200 lid 1 Rv Pro hoger beroep ingesteld kan worden tegen beslissingen op inzagevorderingen, leidt niet tot een ander oordeel alleen al niet omdat dit ook in algemene zin geldt voor vonnissen in kort geding. De enkele omstandigheid dat een partij een belang heeft bij het instellen van hoger beroep vormt geen reden om een vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het is verder vaste en bestendige rechtspraak van de Hoge Raad dat de omstandigheid dat een voorlopige voorziening mogelijk onomkeerbare gevolgen heeft niet in de weg staat aan toewijzing daarvan, als aan de overige eisen voor toewijzing is voldaan. [11] Verder is in 5.21 al geoordeeld dat de omstandigheid dat een partij informatie ook op een andere wijze kan vergaren aan een inzageverzoek niet aan toewijzing in de weg staat.
Proceskosten
5.29.
De Staat is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De nakosten worden toegewezen tot een lager bedrag dan het geldende liquidatietarief, omdat [eiser] enkel dit lagere bedrag heeft gevorderd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
50,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.719,94

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot inzage in het openbare gedeelte van zijn faillissementsdossier,
6.2.
gebiedt de Staat om uiterlijk binnen veertien dagen na dit vonnis inzage te geven in het niet-openbare deel van het faillissementsdossier van [eiser] , te weten alle stukken uit de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 januari 2020, die betrekking hebben op de gesprekken van 21 november 2019 en 12 december 2019, de verslaglegging daarvan en de interne communicatie daarover, ongeacht het kenmerk, de interne archivering, het subdossier, de archiefcode of de digitale opslaglocatie,
6.3.
veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 1.719,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 68,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart de onderdelen 6.2. en 6.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
4049 / 2009

Voetnoten

1.Rb. Den Haag 27 november 1996, JOR 1997/22
2.HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1819.
3.HR 10 mei 1985 , ECLI:NL:HR:1985:AG5016.
4.HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS3534.
5.Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 47.
6.Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 48.
7.HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244.
8.Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 13.
9.Ziet het arrest genoemd in noot 2.
10.Randnummer 28 dagvaarding in combinatie met producties 12 en 13 bij dagvaarding.
11.O.a. HR 8 februari 1946, ECLI:NL:HR:1946:67 en HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499.