ECLI:NL:RBROT:2026:7010
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag jaren 2011 en 2015-2019 op grond van Wet hersteloperatie toeslagen
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin compensatie voor de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 en 2015 tot en met 2019 werd afgewezen. De Dienst Toeslagen had compensatie toegekend voor 2012 tot en met 2014 wegens vooringenomenheid, maar niet voor de overige jaren. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van vooringenomenheid voor de jaren 2011 en 2015-2019. Voor 2011 was de toeslag pas toegekend na de geboorte van het eerste kind, en voor 2015-2019 waren de stopzettingen gebaseerd op door eiseres of haar vertegenwoordigers doorgegeven wijzigingen, zonder aanwijzingen dat deze niet overeenkwamen met de feitelijke opvangsituatie.
Eiseres stelde dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie toekende vanwege vermeende onjuiste stopzettingen en dat verrekeningen in latere jaren buiten beschouwing waren gelaten. De rechtbank stelt dat verrekeningen niet leiden tot compensatie in die jaren en dat de hardheidsclausule van de Wht niet van toepassing is omdat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat toepassing van de Wht tot onbillijkheid van overwegende aard leidt.
Daarnaast heeft eiseres recht op een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Dienst Toeslagen. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van deze schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten van €467. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand, met een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding redelijke termijn.