Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6987

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/1233
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75a, eerste lid, AwbArt. 8:75a, derde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na ingetrokken beroep tegen betalingscapaciteit Dienst Toeslagen

Verzoeker stelde beroep in tegen een besluit van de Dienst Toeslagen over de vaststelling van zijn betalingscapaciteit. Dit beroep werd ingetrokken tijdens de zitting van 22 januari 2026, waarbij verzoeker tevens een proceskostenvergoeding vorderde. De Dienst Toeslagen had het bezwaar van verzoeker eerder ongegrond verklaard.

Verzoeker stelde dat de Dienst Toeslagen aan hem was tegemoetgekomen omdat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een nieuw besluit had genomen dat zijn recht op kinderbijslag verlengde, waarop de Dienst Toeslagen een nieuw besluit over het kindgebonden budget zou nemen. De rechtbank oordeelde echter dat dit nieuwe besluit van de Dienst Toeslagen niet het gevolg was van het beroep, maar van het SVB-besluit, en dat de Dienst Toeslagen dit besluit ook zonder het beroep zou hebben genomen.

Daarom is geen sprake van tegemoetkoming in de zin van proceskostenvergoeding. Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.P. Ferwerda op 27 mei 2026.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de Dienst Toeslagen niet aan verzoeker is tegemoetgekomen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Met het besluit van 30 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 3 april 2024 ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 januari 2025.
Verzoeker heeft het beroep op de zitting van 22 januari 2026 ingetrokken en verzocht de Dienst Toeslagen te veroordelen in de proceskosten.
De Dienst Toeslagen heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. [1]

Overwegingen

1. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van tegemoetkomen sprake is indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. [3]
2. Verzoeker betoogt dat de Dienst Toeslagen aan hem tegemoet is gekomen. Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen over zijn recht op het kindgebonden budget over 2021. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft op 22 januari 2026 een nieuw besluit genomen waaruit volgt dat verzoeker recht heeft op kinderbijslag over een langere periode. De Dienst Toeslagen heeft daarop aangekondigd een nieuw besluit te zullen nemen over het recht op het kindgebonden budget. Daarmee is de Dienst Toeslagen tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
3. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat hij niet aan verzoeker is tegemoetgekomen. Het recht op het kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op kinderbijslag. De Dienst Toeslagen volgt de besluitvorming van de SVB daarover. Ook als verzoeker geen beroep zou hebben ingesteld, zou de Dienst Toeslagen het besluit over het kindgebonden budget herzien naar aanleiding van het nieuwe besluit van de SVB over de kinderbijslag.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de Dienst Toeslagen niet tegemoetgekomen aan verzoeker. Het aangekondigde nieuwe besluit van de Dienst Toeslagen is niet het gevolg van het door verzoeker ingestelde beroep, maar van het nieuwe besluit van de SVB. De Dienst Toeslagen zou ook een nieuw besluit hebben genomen over het recht van verzoeker op het kindgebonden budget als verzoeker geen beroep tegen het besluit van 30 januari 2025 zou hebben ingesteld. Het verzoek om een proceskostenvergoeding moet daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:75a, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
3.ABRvS 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5770.