Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6950

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
10-284712-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen handel in heroïne, witwassen en deelname criminele organisatie

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van vier strafbare feiten: medeplegen van het aanwezig hebben van 96 kilogram heroïne, witwassen van €176.770, het gedurende ongeveer een jaar handelen in heroïne en deelname aan een criminele organisatie gericht op drugshandel.

De verdediging voerde aan dat de gebruikte data van SkyECC en EncroChat onrechtmatig waren verkregen en dat vrijspraak moest volgen voor meerdere feiten. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat de data rechtmatig en betrouwbaar waren, mede op basis van recente arresten van de Hoge Raad en het Europees Hof.

De bewijsmiddelen bestonden uit onderschepte en ontsleutelde chatberichten, politieprocessen-verbaal en laboratoriumrapporten. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte een leidende rol had in de georganiseerde handel in heroïne en het witwassen van geld. De handel in harddrugs werd als ernstig misdrijf beoordeeld vanwege de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en de samenleving.

De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en matigde de straf met 10%, maar veroordeelde verdachte toch tot 7 jaar gevangenisstraf. Daarnaast werd het in beslag genomen geldbedrag van €2.100,- verbeurd verklaard. De straf wordt uitgevoerd in een penitentiaire inrichting totdat voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf en verbeurdverklaring van in beslag genomen geld.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-284712-21
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Datum zitting: 15 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
huidige verblijfplaats onbekend.
Advocaat van de verdachte: mr. A.N. Slijters
Officier van justitie: mr. J. Spaans
Kern van het vonnis
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en gebruikt de data, afkomstig van SkyECC en EncroChat, voor het bewijs. Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier strafbare feiten, namelijk het (medeplegen van het) aanwezig hebben van
96 kilogram heroïne, het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 176.770,-, het zich gedurende een periode van ongeveer een jaar bezighouden met de handel in heroïne (het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren) en de deelname aan een criminele organisatie. Daarvoor wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar. Het in beslag genomen geld wordt verbeurd verklaard.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat
1
hij op 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 96 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176.770,- euro,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176. 770 euro heeft verworven en/ of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of
gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
3
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam,
gemeente Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen (telkens) opzettelijk heeft bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt
en/ of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam,
gemeente Rotterdam, althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband
van natuurlijke personen, te weten (voor zover bekend) verdachte, [medeverdachte 1] en
[medeverdachte 2] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het
bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/ of vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans enige middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.Bewijsuitsluiting

2.1.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het verweer gevoerd dat de data die afkomstig zijn uit hacks van de applicaties SkyECC en EncroChat onrechtmatig zijn verkregen en van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Hiertoe heeft zij onder meer verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) en gesteld dat het gebruik van deze data als bewijs in strijd is met artikel 6 van Pro het EVRM. Volgens de verdediging heeft zij niet over adequate mogelijkheden kunnen beschikken om te kunnen onderzoeken, toetsen en inhoudelijk te betwisten of / dat de verkregen data integer en betrouwbaar zijn.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de data van SkyECC en EncroChat rechtmatig zijn verkregen en voor het bewijs mogen worden gebezigd.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar verweer.
In zijn beslissing van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken. In die beslissing heeft de Hoge Raad het toetsingskader uiteengezet in het geval dat het openbaar ministerie in een strafzaak de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek bij de stukken voegt, in het bijzonder met het oog op het gebruik voor het bewijs van die resultaten. Op grond van deze beslissing van de Hoge Raad kan en mag ervan worden uitgegaan dat de verkregen data rechtmatig verkregen en betrouwbaar zijn.
In een 14 april 2026 gewezen arrest (ECLI:HR:NL:2026:650) heeft de Hoge Raad uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670/22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft het juni 2023 geformuleerde toetsingskader bijgesteld en overwogen dat artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU niet alleen strekt tot bescherming van staatssoevereiniteit, maar ook tot bescherming van de rechten van afgetapte gebruikers, wat reden is om rechtsoverweging 6.23.4 van ECLI:NL:HR:2023:913 bij te stellen. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat voorschriften inzake het Europese onderzoeksbevel niet van toepassing zijn op bewijsvergaring en uitwisseling binnen een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT), zoals het gemeenschappelijke onderzoeksteam van Nederland en Frankrijk dat SkyECC en EncroChat onderzocht. Omdat de Nederlandse rechter-commissaris vooraf een gecombineerde 126uba- en 126t-machtiging verleende en Nederland via het JIT op de hoogte was van de interceptie van EncroChat-toestellen op Nederlands grondgebied, is van onregelmatigheden geen sprake. Het interstatelijke vertrouwensbeginsel blijft in stand, met inachtneming van voornoemde bijstelling.
Uit deze rechtspraak van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de verkregen EncroChat- en SkyECC-data in het algemeen kan worden uitgegaan. De rechtbank gaat ook in de zaak van deze verdachte uit van de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van de EncroChat- en SkyECC-data. Op verzoek van de verdediging zijn vele stukken aan het dossier toegevoegd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat die data rechtmatig verkregen zijn. Ook de rechter-commissaris heeft de rechtmatigheid getoetst in het kader van een verzoek ex artikel 182 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De verdediging is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate in staat geweest de verkrijging en de inhoud van de data te betwisten. Zij heeft niet onderbouwd waarom in deze zaak geen gebruik mag worden gemaakt van die data.
De EncroChat- en SkyECC-data kunnen voor het bewijs worden gebezigd. Door de verdediging is niets aangevoerd wat de rechtbank in het licht van de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad noopt tot nadere motivering van dit oordeel.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de vier ten laste gelegde feiten.
3.2.
Conclusie van de verdediging
Voor feit 2 moet vrijspraak volgen, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van het bij zijn vader thuis aangetroffen geld. Verder kan niet worden bewezen dat er verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden. Voorts moet vrijspraak volgen voor feit 3, omdat niet uit de chatberichten kan worden opgemaakt dat de gesprekken gingen over heroïne. Niet valt uit te sluiten dat de gesprekken gingen over hasj of iets anders. Deze chatberichten zijn slechts een selectie van alle chatberichten. Ten slotte moet voor feit 4 vrijspraak volgen, omdat er onvoldoende bewijs bestaat voor een crimineel samenwerkingsverband (met betrekking tot heroïne).
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Ten laste van de verdachte is bewezen dat:
1
hij op 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 96 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,
van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 176.770,- euro, de vindplaats heeft verborgen en heeft verhuld en een geldbedrag van 176.770,- euro heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
3
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen (telkens) opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4
hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Hoogvliet Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (voor zover bekend) verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage I opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Het bewijs in deze zaak bestaat voor een deel uit onderschepte en vervolgens ontsleutelde chatberichten. Deze berichten zijn verstuurd door gebruikers van onder meer Sky-accounts die zijn geïdentificeerd als toebehorend aan de verdachte, [verdachte], zijn vader, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De rechtbank twijfelt niet aan de identificatie van de verdachte en zijn medeverdachten, zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. De verdediging heeft niet onderbouwd waarom in dit geval niet op de identificatie van de gebruikers mag worden vertrouwd, noch waarom geen geloof kan worden gehecht aan de aan hen toegeschreven berichten.
Uit onder meer de chatberichten blijkt dat de verdachte zich tezamen met zijn medeverdachten bezighield met de handel in heroïne. Gezien de context van de chatberichten, zoals opgenomen in de bewijsmiddelen en de omstandigheid dat een grote hoeveelheid heroïne is aangetroffen in de woning van de vader van de verdachte, waar ook de verdachte een kamer had, acht de rechtbank onaannemelijk dat de chatberichten over iets anders dan heroïne gingen. Er is bijvoorbeeld geen hasj gevonden.
Er zijn door de verdachte, zijn vader en [medeverdachte 2] vele chatgesprekken over geld gevoerd. Met het aantreffen van grote geldbedragen is een vermoeden van witwassen ontstaan. De verdachte heeft dit vermoeden niet ontkracht. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte geen wetenschap zou hebben van de geldbedragen die in het huis van zijn vader zijn aangetroffen. Dit strookt niet met de inhoud van de chatberichten. Het geld leek het bedrijfskapitaal te zijn van de organisatie van de verdachte en medeverdachten. Een groot deel van het geld dat is aangetroffen in de woning van verdachtes vader, was op twee plaatsen onder de vloer verborgen.
3.3.3.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vier strafbare feiten, namelijk het medeplegen van het aanwezig hebben van 96 kilogram heroïne, het witwassen van een groot geldbedrag van € 176.770,- en het zich gedurende een periode van ongeveer een jaar bezighouden met de handel in heroïne (het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren), in georganiseerd verband.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod

2.medeplegen van witwassen

3.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
4.
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de vier feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van
7 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Subsidiair heeft de verdediging er op gewezen dat de redelijke termijn voor berechting aanmerkelijk is overschreden. Meer subsidiair heeft de verdediging gesteld dat er samenhang bestaat tussen de feiten en dit een matigend effect op de straf moet hebben.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen 96 kilogram heroïne en grote geldbedragen aanwezig gehad en heeft zich gedurende een periode van ongeveer een jaar in georganiseerd verband beziggehouden met de handel in heroïne (verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren). Door zijn handelen heeft hij bijgedragen aan de verspreiding van grote hoeveelheden heroïne. De verdachte had daarbij een leidende en aansturende rol. Harddrugs leveren een groot gevaar op voor de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat dergelijke verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de verslaving van een grote groep door hun verslaving veelal kwetsbare afnemers. Verder leidt de handel in en het gebruik van harddrugs, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit. Om deze redenen moet streng worden opgetreden tegen de handel in verdovende middelen. Dit geldt ook voor witwassen, dat het mogelijk maakt om de winsten uit criminele activiteiten veilig te stellen.
5.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 25 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
5.3.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht, die in het geval van de verdachte – die zich niet in voorlopige hechtenis bevond – twee jaar bedroeg. Nu de vervolging aanving in 2021, is de redelijke termijn tot aan dit vonnis met een zeer ruime periode overschreden. Dat de duur van de vervolging deels verklaard kan worden uit de omstandigheid dat aan onderzoekswensen van de verdediging voldaan moest worden, doet hieraan niet wezenlijk af. De rechtbank zal de overwogen straf daarom met 10% verminderen.
5.3.4.
Oplegging straf
Straf
Bij de ernst van de strafbare feiten past een gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de overschrijving van de redelijke termijn. Niettemin veroordeelt de rechtbank de verdachte tot een straf als door de officier van justitie is gevorderd, nu hij ten aanzien van de bewezen verklaarde strafbare feiten een leidende rol vervulde, dus zijn handelen strafwaardiger is dan dat van zijn vader.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen geld wordt verbeurd verklaard.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
6.2.1.
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor de feiten wordt verbeurd verklaard de onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen, te weten:
  • €100,- (voorwerpnummer 654698, omschrijving B.01.02.001);
  • €2.000,- (voorwerpnummer 654697, omschrijving B.01.01.001).
Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte.
Aannemelijk is dat de geldbedragen verkregen zijn uit de strafbare feiten.
Ten overvloede merkt de rechtbank ten aanzien van de overige beslagen goederen en geldbedragen op, dat deze niet onder de verdachte in beslag zijn genomen. De rechtbank zal hierover in deze zaak derhalve geen beslissing nemen.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor de feiten geldbedragen, te weten:
  • €100,- (voorwerpnummer 654698, omschrijving B.01.02.001);
  • €2.000,- (voorwerpnummer 654697, omschrijving B.01.01.001).

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. M.M. Dolman en E. Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 29 mei 2026.
Mr. E. Laanen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

Voetnoten

2.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 2] (pagina 14 e.v. van zaaksdossier Karwei);
3.Het proces-verbaal van politie (pagina 5 en 6 van het relaas van 9 september 2021 van zaaksdossier Karwei);
4.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 3] (pagina 60 e.v. van zaaksdossier Karwei en de daarbij behorende bijlagen);
5.Het rapport van het Douane Laboratorium, kenmerk [kenmerk] (pagina 97 e.v. van zaaksdossier Karwei);
6.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 4] (pagina 23 e.v. van zaaksdossier Karwei);
7.Het proces-verbaal van politie (pagina 5 van het relaas van 9 september 2021 van zaaksdossier Karwei);
8.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 5] (pagina 83 e.v. van zaaksdossier Karwei en de bijbehorende lijst van inbeslaggenomen goederen.
9.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 6], datum 9 maart 2021 (pagina 34 e.v. van zaaksdossier Karwei);
10.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 7] (pagina 127 e.v. van zaaksdossier Karwei);
11.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 8] (pagina 156 e.v. van zaaksdossier Karwei);
12.Het proces-verbaal van politie, met nummer [documentcode 9] (pagina 145 e.v. van zaaksdossier Karwei);
13.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 10] (pagina 118 e.v. van zaaksdossier Karwei);
14.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 11] (pagina 141 e.v. van zaaksdossier Karwei);
15.Het proces-verbaal van politie, documentcode [documentcode 12] (pagina 159 e.v. van zaaksdossier Karwei);