Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6865

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/10/705465 / FA RK 25-6422 en C/10/705468 / FA RK 25-6425 en C/10/709266 / FA RK 25-8277
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 10:86 BWArt. 815 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap en afwijzing verzoek tot verhuizing met minderjarige naar Engeland

Partijen zijn sinds 29 november 2022 geregistreerd partners en hebben een minderjarig kind. De vrouw verzocht vervangende toestemming om met het kind naar Engeland te verhuizen, wat de rechtbank afwees vanwege het belang van het contact tussen de man en het kind en het ontbreken van noodzaak voor verhuizing.

De rechtbank ontbond het geregistreerd partnerschap op verzoek van beide partijen wegens duurzame ontwrichting. De hoofdverblijfplaats van het kind werd bij de vrouw vastgesteld, met een zorgregeling waarbij het kind om en om bij beide ouders verblijft volgens een aangepast schema.

De rechtbank stelde de verdeling van vakanties en feestdagen vast, waarbij de meivakantie bij de vrouw en de voorjaars- en herfstvakantie bij de man zijn. De man moet een kinderbijdrage van €495 per maand en een partnerbijdrage van €153 bruto per maand betalen.

Het huurrecht van de woning werd aan de vrouw toegekend vanwege haar financiële situatie en het belang van het kind. De beperkte gemeenschap van goederen werd verdeeld, waarbij de vrouw de activa van haar pottenbakkerij behoudt en een vergoedingsrecht van de man wordt erkend.

Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor de ontbinding, het huurrecht en de partnerbijdrage.

Uitkomst: Verzoek tot verhuizing met minderjarige naar Engeland afgewezen; geregistreerd partnerschap ontbonden; hoofdverblijfplaats bij vrouw; zorgregeling, alimentatie en verdeling beperkte gemeenschap vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers:
C/10/705465 / FA RK 25-6422 (vervangende toestemming verhuizing)
C/10/705468 / FA RK 25-6425 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
C/10/709266 / FA RK 25-8277 (verdeling)
Beschikking van 5 juni 2026 over vervangende toestemming verhuizing en ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen
in de zaken van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. E.P.J. Palazzi-van Bruggen te Utrecht,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I. van Troost te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift tot vervangende toestemming verhuizing met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2025;
  • het verzoekschrift tot ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 29 oktober 2025;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens houdende aanvullende verzoeken met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 december 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 3 april 2026;
  • het bericht met bijlagen van de man van 4 april 2026;
  • het aanvullend verweerschrift tevens houdende (aanvullend) zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 8 april 2026;
  • een drietal berichten, één met een gewijzigd verzoek met bijlagen, van de vrouw van 9 april 2026;
  • het bericht van de man van 13 april 2026;
  • het bericht met bijlage van de vrouw van 15 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. J. van Elk als waarnemer van haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger].
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan te Rotterdam op 29 november 2022.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
2.3.
Bij beschikking over voorlopige voorzieningen van 19 augustus 2025 van deze rechtbank is, voor zover hier van belang, bepaald dat:
  • de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) als volgt zal zijn: de minderjarige verblijft bij de man van woensdagmiddag uit de opvang tot zaterdagochtend 10:00 uur en bij de vrouw van zondag 17:00 uur tot woensdagochtend naar de opvang, alsmede een wekend in de 14 dagen bij de man en een weekend in de 14 dagen bij de vrouw;
  • de man aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderbijdrage) een bedrag van € 250,- per maand;
  • de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage) zal verstrekken van € 361,- per maand.
2.4.
De vrouw heeft de Britse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.De beoordeling

Inzake C/10/705465 / FA RK 25-6422
3.1.
Vervangende toestemming verhuizing
3.1.1.
De vrouw verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing naar Engeland met de minderjarige.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Inhoudelijke beoordeling
3.1.4.
Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
3.1.5.
Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarige voornamelijk verblijft om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
  • de noodzaak om te verhuizen;
  • de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;
  • de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
  • de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
  • de mate waarin ouders nog in staat zijn tot overleg.
3.1.6.
Dat terugkeer naar Engeland voor de vrouw gelet op haar persoonlijke situatie belangrijk is, staat niet ter discussie. De vrouw is naar Nederland gekomen om te studeren en vanwege de relatie met de man is zij in Nederland gebleven. Nu deze relatie is beëindigd, acht de rechtbank het begrijpelijk dat de vrouw terug wenst te keren naar haar thuisland. Daarmee bestaat echter nog geen noodzaak om te verhuizen. De redenen die de vrouw verder aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt dat een verhuizing naar Engeland noodzakelijk is, zijn vooral van financiële aard en ingegeven vanuit een gevoel van onveiligheid in haar relatie tot de man. De mentale problemen die zij heeft, zijn met name terug te voeren op de problematische relatie die zij met de man heeft gehad. Anders dan in Nederland heeft de vrouw in Engeland een sociaal vangnet, zou zij minimale woonlasten hebben en inkomsten kunnen generen door te werken in het bedrijf van haar vader. De vrouw heeft echter niet inzichtelijk gemaakt dat zij in Nederland niet in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Ook ziet de rechtbank niet in hoe een verhuizing naar Engeland een oplossing is voor de problemen die de vrouw in de verstandhouding met de man ervaart. De rechtbank is het met de raad eens dat juist wanneer ouders veel verder weg van elkaar gaan wonen, het nog belangrijker is dat ouders goed met elkaar kunnen communiceren en overleggen. Dit is bij een verblijf in het buitenland ook noodzakelijk om de band tussen de man en de minderjarige in stand te houden. De vrouw heeft zich onvoldoende ingespannen om alternatieven te zoeken die tot verbetering van de verstandhouding met de man zouden kunnen leiden, terwijl dit wel van haar kan worden verlangd. Anderzijds kan van de man worden verwacht dat hij rekening houdt met de gevoelens van de vrouw en haar grenzen respecteert. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van ouders is er voor zorg te dragen dat het goed gaat met de andere ouder.
3.1.7.
Het belang van de vrouw bij een verhuizing naar Engeland weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de belangen van de man en de minderjarige, mede gelet op het contactverlies tussen de man en de minderjarige dat met een verhuizing over zo’n afstand gepaard zou gaan. Bij een verhuizing naar Engeland kan de huidige zorgregeling, waarbij sprake is van gedeelde zorg, niet worden voortgezet. Weliswaar stelt de vrouw een zorgregeling voor waarbij de man zoveel als mogelijk wordt gecompenseerd, maar het wekelijkse contact tussen de man en de minderjarige valt daarmee weg. De aangeboden videobelmomenten zijn geen volwaardige vervanging voor het huidige wekelijkse contact. Dit zou betekenen dat de minderjarige zijn vader veel minder frequent kan zien en dit acht de rechtbank, mede gelet op de jonge leeftijd van de minderjarige, niet in zijn belang. Deze factoren acht de rechtbank van zo’n gewicht dat een verdere afweging van de door de vrouw aangedragen belangen achterwege kan blijven. De belangen van de man en de minderjarige gaan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voor op het algemene belang van de vrouw om met de minderjarige elders een gezinsleven en toekomst op te bouwen. Een en ander neemt niet weg dat van de man kan worden verwacht dat hij rekening houdt met de gevoelens van de vrouw en haar grenzen respecteert. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van ouders is er voor zorg te dragen dat het goed gaat met de andere ouder.
3.1.8.
Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing zal daarom worden afgewezen. Een onderzoek door de raad, zoals de man wenst, acht de rechtbank niet noodzakelijk.
3.1.9.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Inzake C/10/705468 / FA RK 25-6425 en C/10/709266 / FA RK 25-8277
3.2.
Ontbinding geregistreerd partnerschap
3.2.1.
De vrouw verzoekt het tussen partijen bestaande geregistreerd partnerschap te ontbinden. Zij stelt dat het partnerschap duurzaam is ontwricht.
3.2.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt bij zelfstandig verzoek eveneens over te gaan tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.3.
Omdat het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot ontbinding daarvan. Op grond van artikel 10:86 BW Pro is Nederlands recht op het verzoek van toepassing.
Ontvankelijkheid
3.3.1.
Op grond van artikel 815 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een geregistreerd partner in het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.3.2.
Partijen hebben geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815 lid 2 Rv Pro overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling
3.3.3.
De door ieder van partijen verzochte ontbinding van het geregistreerd partnerschap wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.4.
Verblijfplaats
3.4.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.4.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Inhoudelijke beoordeling
3.4.4.
De rechtbank begrijpt dat de man heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen, voor het geval de vrouw naar Engeland zou verhuizen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard niet naar Engeland te zullen verhuizen, als de rechtbank haar geen toestemming verleent om met de minderjarige te verhuizen. Daarbij heeft de man zelf verklaard dat de vrouw een goede opvoeder is en de bepaling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw financieel de meest logische keuze is, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw in het belang van de minderjarige zal toewijzen. Het zelfstandige verzoek van de man wordt afgewezen.
3.5.
Zorgregeling
3.5.1.
Omdat de rechtbank de vrouw geen vervangende toestemming verleent om met de minderjarige naar Engeland te verhuizen, laat de rechtbank de door partijen over en weer voorwaardelijk gedane verzoeken, zoals de rechtbank begrijpt voor de situatie dat de vrouw wel vervangende toestemming zou krijgen om met de minderjarige naar Engeland te verhuizen, onbesproken. De rechtbank zal hierna (alleen) beslissen op de verzoeken die partijen hebben gedaan voor de situatie dat de vrouw met de minderjarige in Nederland blijft wonen.
3.5.2.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarige als volgt bij de man zal verblijven:
  • om het weekend van vrijdag 17:00 uur tot maandag 8:00 uur;
  • om de week van woensdag 17:00 uur tot vrijdag 8:00 uur.
Daarbij verzoekt ze een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen waarbij de vakanties en feestdagen zodanig worden gedeeld dat de minderjarige de gehele kerstvakantie, meivakantie en de helft van de zomervakantie (even jaren eerste helft, oneven jaren tweede helft) bij de vrouw zal verblijven en alle overige vakanties en feestdagen bij de man.
3.5.3.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarige in een tweewekelijks schema de ene week van woensdagmiddag uit de opvang of school tot maandagochtend 7:45 uur en de andere week van woensdagmiddag uit de opvang of school tot vrijdagochtend tot de opvang of school bij de man verblijft . De vakanties verzoekt de man bij helfte te verdelen op de door hem voorgestelde wijze (productie 21).
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.5.4.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Pro Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
Inhoudelijke beoordeling
3.5.5.
De rechtbank acht het niet in het belang van de minderjarige de huidige (voorlopige) zorgregeling, waarbij sprake is van gedeelde zorg, te wijzigen. Niet gebleken is dat het niet goed met de minderjarige gaat wanneer hij bij de man verblijft, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet het contact tussen de minderjarige en de man te verminderen. Dat de communicatie tussen partijen zelf niet is zoals een co-ouderschap gewoonlijk vereist, ziet de rechtbank op dit moment niet als reden om anders te beslissen. Niet gebleken is dat de verstandhouding tussen partijen tot nu toe bij de uitvoering van de zorgregeling tot onoverkomelijke problemen heeft geleid. Partijen zijn het bovendien aan elkaar en de minderjarige verplicht om hun onderlinge verhouding, zo nodig met hulp, te verbeteren. Wel is de rechtbank van oordeel dat de wijziging van het wisselmoment zoals de man voorstelt passend is, omdat dit de meeste rust voor de minderjarige zal brengen. Door de wisseling in het vervolg bij de opvang en/of in de toekomst bij school te laten plaatsvinden zal er ook minder contact tussen de ouders zijn tijdens de wisselmomenten.
3.5.6.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling zal worden toegewezen en het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
Vakanties en feestdagen
3.5.7.
Beide partijen hebben hun standpunten over de verdeling van de vakanties en feestdagen naar voren gebracht. Met partijen is de rechtbank het eens dat het in het belang van de minderjarige is dat er duidelijkheid komt over de verdeling van de vakanties, waarbij uitgangspunt is dat de minderjarige jaarlijks om en om wisselend bij de ene ouder dan wel de andere ouder is, tenzij hierna anders aangegeven. De rechtbank komt dan ook tot de volgende verdeling.
Zomervakantie
3.5.8.
Partijen verzoeken beiden de zomervakantie bij helfte te verdelen. Om onduidelijkheid over te verdeling te voorkomen zal de rechtbank bepalen dat de minderjarige wisselend het ene jaar de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw zal zijn, en het andere jaar andersom.
Kerstvakantie
3.5.9.
De vrouw wenst dat de minderjarige de gehele kerstvakantie bij haar verblijft, zodat ze met de minderjarige haar familie in Engeland kan bezoeken. De man wenst de kerstvakantie bij helfte te verdelen, waarbij de eerste en tweede week ieder jaar wisselen.
De rechtbank zal bepalen dat de minderjarige het ene jaar de eerste week bij de man zal zijn en de tweede week bij de vrouw en het andere jaar andersom. De rechtbank laat het aan partijen de feestdagen in onderling overleg te verdelen.
Meivakantie
3.5.10.
De vrouw wenst dat de minderjarige de gehele meivakantie bij haar verblijft, zodat ze met de minderjarige haar familie in Engeland kan bezoeken. De man verzoekt de meivakantie bij helfte te verdelen, dan wel te bepalen dat de minderjarige het ene jaar bij de man of de vrouw verblijft en het andere jaar andersom.
De rechtbank zal bepalen dat de minderjarige ieder jaar de gehele meivakantie bij de vrouw verblijft, zodat de vrouw naast de zomervakantie ook in de meivakantie in de gelegenheid is een langere periode met de minderjarige bij haar familie te verblijven.
Voorjaars- en herfstvakantie
3.5.11.
De vrouw stelt voor dat de minderjarige de gehele voorjaars- en herfstvakantie bij de man verblijft, onder andere ter compensatie van het door haar verzochte met betrekking tot de mei- en kerstvakantie. De man verzoekt de voorjaars- en herfstvakantie zodanig te verdelen dat de minderjarige het ene jaar bij de man of de vrouw verblijft en het andere jaar andersom.
Gelet op de beslissing ter zake van de meivakantie, acht de rechtbank het redelijk het voorstel van de vrouw te volgen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de minderjarige de voorjaars- en herfstvakantie bij de man zal verblijven.
Overige feestdagen en bijzondere dagen
3.5.12.
Met betrekking tot de verdeling van de feestdagen hebben partijen ieder een voorstel gedaan. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarige dat partijen deze in onderling overleg verdelen. Wanneer het partijen niet lukt tot een verdeling te komen en de feestdagen in of aansluitend aan de vakantie vallen, is de vakantieverdeling bepalend.
Verder zal de rechtbank de volgende verdeling bepalen. Op Moederdag zal de minderjarige bij de vrouw verblijven, op Vaderdag bij de man. Ook verblijft de minderjarige op de verjaardag van een ouder bij de jarige ouder, tenzij de verjaardag in een vakantie valt en de minderjarige volgens de vakantieverdeling bij de andere ouder verblijft. In zo’n geval zal er videobelcontact plaatsvinden tussen de minderjarige en de jarige ouder op de dag dat de ouder jarig is. De verjaardag van de minderjarige wordt gevierd bij de ouder bij wie hij op dat moment volgens de zorgregeling of vakantieverdeling verblijft. Met de andere ouder zal er die dag videobelcontact zijn.
3.6.
Onderhoudsbijdragen
3.6.1.
Omdat eerder in deze beschikking is beslist dat de vrouw geen vervangende toestemming krijgt voor een verhuizing met de minderjarige naar Engeland, zal de rechtbank hierna (alleen) beslissen op de verzoeken die partijen hebben gedaan voor de situatie dat de vrouw met de minderjarige in Nederland blijft wonen en laat de rechtbank de door partijen over en weer gedane voorwaardelijke verzoeken voor de situatie dat de vrouw wel vervangende toestemming zou krijgen om met de minderjarige naar Engeland te verhuizen onbesproken.
3.6.2.
De vrouw verzoekt, na wijziging, een door de man te betalen kinderbijdrage van € 647,- per maand en een door de man te betalen partnerbijdrage van € 187,- per maand vast te stellen.
3.6.3.
De man voert gemotiveerd verweer. De man verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat de kinderopvang van de minderjarige via de vrouw loopt en door haar wordt geregeld bij de betreffende instanties naar de kinderopvangbehoefte van beide partijen.
Rechtsmacht en bevoegdheid
3.6.4.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een kinder- en partnerbijdrage.
3.6.5.
De vrouw voert aan dat op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen aan, dat Engels recht van toepassing is op de kinderbijdrage. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Artikel 4 lid 3 van Pro het betreffende Protocol wijst in dit geval het recht van forum aan. Op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage zal de rechtbank dan ook Nederlands recht toepassen. Ook op de partnerbijdrage is Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
3.6.6.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinder- en partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de bijdragen berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
Kinderbijdrage
De ingangsdatum
3.6.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderbijdrage moet worden vastgesteld met ingang van de datum van deze beschikking.
De behoefte
3.6.8.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen zijn in maart 2025 uit elkaar gegaan, zodat uitgegaan zal worden van de inkomensgegevens en de tarieven 2025-1.
3.6.9.
Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man moet worden bepaald aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat van € 64.355,-.
De volgende heffingskortingen worden daarbij in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man hiernaast maandelijks € 1.100,- aan netto inkomsten had uit (onder)verhuur.
Rekening houdend met het vorenstaande bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man in 2025 op € 4.923,- per maand.
3.6.10.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de vrouw in het jaar 2025 aan de hand van de winst uit onderneming van € 7.864,-, die door de vrouw is gesteld en door de man niet is betwist, op € 635,- per maand
De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:
- zelfstandigenaftrek van € 2.470,-.
De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 685,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de vrouw in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 248,-.
3.6.11.
De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen hiermee op € 5.558,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen van € 23,- per maand, wordt uitgekomen op een totaalbedrag van € 5.581,- per maand. Dit levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een behoefte op van € 756,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 791,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
Draagkrachtberekening
3.6.12.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.6.13.
Hiertoe moet eerst het huidige NBI van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-I.
de man
3.6.14.
Tussen partijen is niet in geschil dat het huidige NBI van de man € 4.016,- per maand bedraagt.
3.6.15.
De draagkracht van de man moet, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- per maand, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI –(0,3xNBI + 1.365)]. Dat resulteert in een draagkracht van € 1.012,- per maand.
3.6.16.
De man stelt tijdens de mondelinge behandeling dat zijn draagkrachtloos inkomen met € 424,- moet worden verhoogd wegens de aflossing van leningen, die hij is aangegaan om de advocaatkosten te kunnen betalen. De vrouw verzet zich hiertegen.
De man stelt dat hij per 1 januari 2027 tussen de € 400,- en € 500,- per maand op de betreffende leningen gaat aflossen. Hij verwijst ter onderbouwing naar stukken die kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling, op 4 april 2026, zonder enige toelichting door de man zijn overgelegd (productie 16). De rechtbank ziet in die stukken enkele, al dan niet ondertekende geldleningsovereenkomsten, met daarin steeds andere aflossingsperiodes en bedragen. Geen van die aflossingen komt op zichzelf of samen met een andere aflossing neer op de door de man gestelde € 424,- per maand vanaf 1 januari 2027. De man heeft niets gesteld over hoe de aflossingsverplichtingen tot stand zijn gekomen en welke invloed hij daarin heeft gehad. De man heeft met de enkele verwijzing naar genoemde stukken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van extra lasten die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de gestelde betalingsverplichtingen.
3.6.17.
Hiernaast speelt volgens de man in dit kader een rol zijn verzoek om te bepalen dat de kinderopvang via de vrouw loopt en door haar wordt geregeld bij de betreffende instanties naar de kinderopvangbehoefte van beide partijen. De man verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat hij dit in het belang van de minderjarige vindt, omdat aannemelijk is dat de vrouw de meeste kinderopvangtoeslag zal krijgen. De man grondt zijn verzoek daarmee op artikel 1:253a BW. Als het verzoek niet wordt toegewezen, dan moeten volgens de man de kosten voor de kinderopvang van op dit moment € 300,- per maand in mindering komen op zijn draagkracht.
3.6.18.
De vrouw verzet zich ertegen om de kinderopvang (volledig) voor haar rekening te nemen en ook om de kosten hiervan bij de draagkrachtberekening van de man mee te nemen.
3.6.19.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft het betreffende verzoek een aantal dagen voor de mondelinge behandeling gedaan zonder enige onderbouwing. Tijdens de mondelinge behandeling komt er niet meer toelichting dan dat de zaken in het belang van de minderjarige goed geregeld moeten worden tegen een zo laag mogelijke kostenpost. De man geeft evenwel geen inzicht in de (financiële) gevolgen van toe- of afwijzing van zijn verzoek voor de minderjarige. Van de man had in het kader van artikel 1:253a BW op zijn minst mogen worden verwacht daar een met redenen omklede stelling over in te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn verzoek dus onvoldoende onderbouwd. De rechtbank ziet op basis van de voorliggende informatie geen aanleiding in het belang van de minderjarige een beslissing te nemen die afwijkt van het uitgangspunt dat elke ouder naar eigen behoefte kinderopvang regelt en betaalt. Het verzoek van de man wordt dus afgewezen.
3.6.20.
Dan ligt de vraag voor of bij de draagkrachtberekening van de man de kinderopvangkosten die hij nu maakt, moeten worden meegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Mede gelet op het feit dat de minderjarige binnenkort naar de basisschool gaat, ziet de rechtbank geen uitzonderlijk hoge kosten die niet uit de vrije ruimte van de man betaald zouden kunnen worden.
3.6.21.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank niet tot aanpassing van de draagkrachtformule overgaan. De rechtbank bepaalt de draagkracht van de man kortom op een bedrag van € 1.012,- per maand.
de vrouw
3.6.22.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw aan de hand van haar loonstrook van februari 2026 (productie 25) op € 1.766,- per maand. Daarbij is rekening gehouden met de volgende (afgeronde) gegevens:
- basisloon € 1.229,- bruto per maand
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 60,- per maand
- HOP-premie € 1,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Rekening is ook gehouden met het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop van € 5.996,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.6.23.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI lager is dan € 1.950,-, aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport vastgesteld op € 25,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.6.24.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 1.012 / € 1.037 x € 791 = € 771,93
het deel van de vrouw bedraagt: € 25 / € 1.037 x € 791 = € 19,07 +
-----------
samen € 791
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus afgerond een gedeelte van € 772,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 19,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.6.25.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 35%. De vrouw voert verweer en stelt dat een zorgkorting van 25% passend is.
Bij de nu vast te stellen zorgregeling heeft de man gemiddeld drie dagen per week de zorg voor de minderjarige, hierbij hoort een zorgkorting van 35%. Omdat de behoefte van de minderjarige € 791,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van afgerond € 277,- per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 495,- per maand.
Conclusie
3.6.26.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 495,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.6.27.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Partnerbijdrage
Ingangsdatum
3.6.28.
Op grond van artikel 1:157 lid 6 BW Pro vangt een partnerbijdrage niet eerder aan dan op de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voor de eerder verzochte ingangsdatum bestaat geen rechtsgrond. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Behoefte
3.6.29.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’, zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het geregistreerd partnerschap, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een samenwoner
3.6.30.
Tijdens het geregistreerd partnerschap hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van € 5.581,- netto per maand, inclusief het kindgebonden budget. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarige van € 756,- per maand. Een en ander volgt uit rechtsoverweging 3.6.11. De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde ((5.581 - 756) x 0,6 =) € 2.895,-. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 3.028,- netto per maand.
Behoeftigheid
3.6.31.
De man stelt primair dat de vrouw zelf in haar behoefte kan voorzien. De man houdt als verdiencapaciteit van de vrouw aan het bedrag dat zij zelf heeft aangegeven in Engeland te kunnen verdienen, te weten circa € 34.000,- per jaar. De rechtbank volgt de man daar niet in. De vrouw kan op het bedrijf van haar vader zonder substantiële opstartkosten cursussen, meerdaagse workshops en retraites organiseren, aardewerk maken en verkopen. Die situatie is niet vergelijkbaar met de situatie van de vrouw in Nederland, waar ze met haar voormalige onderneming slechts een beperkt inkomen heeft gerealiseerd (zie rechtsoverweging 3.6.10.) Subsidiair stelt de man dat de vrouw 30 uur per week kan gaan werken. De rechtbank is het met de man eens dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij (minimaal) 30 uur per week gaat werken om zoveel mogelijk zelf in haar behoefte te kunnen voorzien. Bij het huidige uurloon van de vrouw van € 15,- bruto, zoals dat volgt uit haar salarisspecificaties, verdient zij met een werkweek van 30 uur een bruto maandsalaris van € 1.950,-, exclusief vakantiegeld, wat resulteert in een NBI van € 2.009,- per maand. De rechtbank becijfert de aanvullende behoefte van de vrouw daarom op (3.028,- - € 2.009,- =) € 1.019,- netto per maand, ofwel € 1.677,- bruto per maand (zie de aan deze beschikking gehechte berekening).
Draagkrachtberekening
3.6.32.
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de verzochte partnerbijdrage te betalen.
De rechtbank zal voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een huidig NBI van € 4.016,- per maand (zie rechtsoverweging 3.6.14).
De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 868,- per maand. Zoals reeds overwogen onder rechtsoverwegingen 3.6.16 tot en met 3.6.21 zal de rechtbank niet tot aanpassing van de draagkrachtformule overgaan.
Na aftrek van de kinderbijdrage verhoogd met de zorgkorting van in totaal € 772,- per maand resteert een bedrag van € 96,- netto per maand, ofwel € 153,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening .
Conclusie
3.6.33.
Een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 153,- bruto per maand is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.6.34.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.7.
Huurrecht woning
3.7.1.
De vrouw verzoekt, voor het geval haar geen vervangende toestemming om te verhuizen met de minderjarige wordt verleend, het huurrecht van de woning in [adres]
3.7.2.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek het huurrecht van de woning.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.7.3.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
Inhoudelijke beoordeling
3.7.4.
In geval van beëindiging van geregistreerd partnerschap kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 onderdeel Pro f Rv in samenhang met artikel 7:266 lid 5 BW Pro, op verzoek van een geregistreerde partner bepalen wie van de geregistreerde partners huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur met deze partner. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere partner.
De rechtbank stelt voorop dat voor de toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan één van partijen een belangenafweging tussen partijen moet worden gemaakt. De rechtbank betrekt daarbij ook de belangen van de minderjarige. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.7.5.
Hoewel beide partijen stellen dat zij belang hebben bij het huurrecht van de woning, is de rechtbank na afweging van de belangen van partijen van oordeel dat het belang van de vrouw bij het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij. Voor dit oordeel zijn in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden van belang.
3.7.6.
De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat de man de echtelijke woning langer bewoont dan de vrouw, niet maakt dat het belang van de man bij verkrijging van het huurrecht zwaarder moet wegen dan dat van de vrouw. Daarbij betrekt de rechtbank de omstandigheden op grond waarvan de vrouw in Nederland blijft wonen. De rechtbank acht het aannemelijk dat de man, met zijn inkomen, makkelijker vervangende woonruimte zal kunnen vinden dan de vrouw. Het is aannemelijk dat de vrouw op korte termijn geen huurwoning in de sociale huursector kan verkrijgen en zij niet de financiële middelen heeft een huurwoning in de vrije huursector te verkrijgen. Het is daarbij in het belang van de minderjarige, mede gelet op de zorgregeling waarbij de zorg wordt gedeeld, dat partijen in de nabije omgeving van elkaar blijven wonen. Zoals blijkt uit de recente salarisspecificaties die door partijen in het geding zijn gebracht, heeft de man een inkomen van € 5.146,60 bruto per maand (salarisspecificatie februari 2026), terwijl de vrouw een inkomen heeft van € 1.229,25 bruto per maand (salarisspecificatie februari 2026). Verder is gebleken dat de huur van de woning op dit moment € 1.197,70 per maand bedraagt. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat ze aanspraak kan maken op de maximale huurtoeslag van € 525,- per maand, zodat een netto huur resteert van afgerond € 675,- per maand. Gelet op het inkomensverschil tussen partijen en de huurprijs van de echtelijke woning is de rechtbank van oordeel dat het belang van de vrouw bij verkrijging van het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man hierbij.
3.7.7.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van de vrouw wordt toegewezen en het verzoek van de man worden afgewezen.
3.8.
Verdeling
3.8.1.
De man verzoekt bij zelfstandig verzoek de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte gemeenschap van goederen vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze.
3.8.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.8.3.
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing. Omdat de Nederlandse rechter op grond van Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening Pro huwelijksvermogensstelsels).
3.8.4.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben gedaan. Op grond van artikel 26, lid 1 onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, omdat partijen na het aangaan van het geregistreerd partnerschap hun eerste gewone gemeenschappelijke verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
Inhoudelijke beoordeling
3.8.5.
Partijen zijn na 1 januari 2018 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan, zodat er tussen hen een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen is ontstaan.
3.8.6.
De beperkte gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW Pro alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de geregistreerd partners gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Het artikel noemt verder expliciet de goederen die hiervan zijn uitgezonderd. Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW Pro omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere geregistreerd partner en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
3.8.7.
Wat betreft de lasten omvat de beperkte gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW Pro alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de geregistreerd partners gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de geregistreerd partners, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder Pro a tot en met c BW.
3.8.8.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en onder b BW is de peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden beperkte gemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingediend, te weten 21 augustus 2025.
3.8.9.
Voor de waardering van de bestanddelen van de ontbonden beperkte gemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
3.8.10.
Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt in beginsel uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden gemeenschap.
3.8.11.
Voor een schuld en/of vordering vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld/vordering op de datum dat de beperkte gemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld/vordering na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden beperkte gemeenschap.
3.8.12.
De rechtbank gaat nu over tot bespreking en beoordeling van de tot de beperkte gemeenschap behorende bestanddelen.
Verkoopopbrengst auto
3.8.13.
Tussen partijen staat vast dat de auto van het merk Peugeot Partner, met kenteken [kenteken], is verkocht en de verkoopopbrengst bij helfte tussen hen is verdeeld. Tussen partijen is echter in geschil of de auto tot de beperkte gemeenschap behoorde en de verkoopopbrengst wel had moeten worden verdeeld. De man stelt dat de auto is aangeschaft met (spaar)gelden van de man, zodat de vrouw het door haar ontvangen bedrag van de verkoopopbrengst aan de man moet terugbetalen. De vrouw betwist dit.
3.8.14.
De rechtbank begrijpt dat de man een beroep doet op zaaksvervanging als bedoeld in artikel 1:95 BW Pro. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, had het op de weg van de man gelegen om aan te tonen dat de auto voor meer dan de helft is gefinancierd met privégelden van de man. Omdat de man dit niet heeft gedaan en de auto tijdens het geregistreerd partnerschap is aangeschaft, is de rechtbank van oordeel dat de auto tot de (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap is gaan behoren. De verkoopopbrengst van de auto kwam derhalve aan partijen ieder bij helfte toe. Omdat de verkoopopbrengst reeds tussen partijen verdeeld is, is in deze geen beslissing van de rechtbank meer nodig.
Pottenbakkerij
3.8.15.
Partijen zijn het eens dat de activa van de pottenbakkerij aan de vrouw worden toegedeeld tegen een waarde van € 5.000,-. Partijen hebben elk recht op de helft van het bedrag, zodat de vrouw € 2.500,- aan de man moet betalen. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de vrouw voornoemd bedrag van € 2.500,- in termijnen aan de man terug mag betalen. Hierover zullen partijen in onderling overleg afspraken maken. De rechtbank beslist op die manier.
Inboedel
3.8.16.
Tussen partijen staat vast dat de zich in de echtelijke huurwoning bevindende inboedelgoederen tot het privévermogen van de man behoren, zodat deze buiten de verdeling vallen. In deze is dan ook geen beslissing van de rechtbank nodig.
Saldi bankrekeningen
3.8.17.
Partijen zijn het eens dat ieder de op zijn/haar naam staande rekening behoudt en voortzet, zonder verdere verrekening van het saldi over en weer. De rechtbank beslist op die manier.
Schuld
3.8.18.
De man stelt een vordering op de vrouw te hebben ter hoogte van € 675,93, ter zake van een schuld aan de werkgever van de man. Door de werkgever van de man was ten onrechte teveel loon uitbetaald, welk bedrag is verrekend met zijn salaris periode 7 en 10 2025. De vrouw betwist dat de schuld op de peildatum bestond en meent dat, wanneer dit wel het geval is, de man volledig draagplichtig is voor deze schuld.
3.8.19.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de man aldus dat de man een schuld heeft afgelost, op grond waarvan hij een vergoedingsrecht zou hebben. Gebleken is dat de werkgever van de man een bedrag van € 968,58 (netto) in periode 6 2025, onder de omschrijving ‘betalingsregeling en voorschot’, heeft uitbetaald. Verder blijkt uit de salarisstrook periode 6 2025 dat er een negatief loon wordt berekend van – € 968,58, met als omschrijving ‘ouderschapsverlof 25 dagen 2022 en 2023’. Vervolgens wordt een bedrag van € 968,58 ingehouden op het salaris van de man over de periode 7 2025, met de omschrijving ‘correctie juni’, welk bedrag door de werkgever in de periode 8 2025 weer is uitbetaald. In periode 10 2025 is vervolgens door de werkgever een totaalbedrag van € 383,27 ingehouden, met de omschrijving ‘correctie mei, juni en juli’. Dit laatste bedrag ziet op een terugvordering van loon dat vóór de peildatum is uitbetaald. Daarmee is dan ook sprake van een gemeenschappelijke schuld die op grond van artikel 1:100 BW Pro voor een gelijk deel door partijen moet worden gedragen. Door de vrouw zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Omdat het bedrag van € 383,27 na de peildatum op het salaris van de man is ingehouden, heeft de man een regresrecht op de gemeenschap. Er is echter geen (nog te verdelen) gemeenschappelijk vermogen, zodat de vrouw gehouden is de helft van voornoemd bedrag, dus € 191,64, aan de man te voldoen. Ook voor dit bedrag zal de rechtbank bepalen dat partijen in onderling overleg afspraken kunnen maken over de wijze van terugbetaling.
Voor het overige deel van de door de man gestelde totaalschuld is de rechtbank niet gebleken of en wanneer hierop is afgelost, zodat de rechtbank de verdeling, dan wel het vergoedingsrecht in deze niet kan beoordelen. Voor het overige zal het verzoek van de man dan ook worden afgewezen.
3.9.
Proceskosten
3.9.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/705465 / FA RK 25-6422:
4.1.
wijst af het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor verhuizing;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de procedure met zaaknummers / rekestnummers: C/10/705468 / FA RK 25-6425 en C/10/709266 / FA RK 25-8277:
4.3.
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan te Rotterdam op 29 november 2022;
4.4.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
4.5.
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zal zijn als volgt:
  • de ene week van woensdagmiddag uit de opvang tot maandagochtend 7:45 uur,
  • de andere week van woensdagmiddag uit de opvang tot vrijdagochtend naar de opvang;
4.6.
stelt vast dat de verdeling van de vakanties en feestdagen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
  • in de zomer- en kerstvakantie verblijft de minderjarige in de oneven jaren de eerste helft van de vakantie bij de man en de tweede helft van deze vakantie bij de vrouw en in de even jaren de eerste helft van deze vakantie bij de vrouw en de tweede helft van deze vakantie bij de man;
  • in de meivakantie verblijft de minderjarige de gehele vakantie bij de vrouw;
  • in de voorjaars- en herfstvakantie verblijft de minderjarige de gehele vakantie bij de man;
  • feestdagen worden door ouders in onderling overleg verdeeld;
  • op Moederdag verblijft de minderjarige bij de vrouw en op Vaderdag bij de man;
  • op zijn verjaardag verblijft de minderjarige bij de ouder bij wie hij volgens de zorgregeling of vakantieverdeling verblijft en zal er videocontact met de andere ouder zijn;
  • op de verjaardag van een ouder verblijft de minderjarige bij die ouder, tenzij de verjaardag in een vakantie valt en de minderjarige volgens de vakantieverdeling bij de andere ouder verblijft, dan zal er die dag videocontact zijn met de ouder die jarig is;
4.7.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 495,- per maand;
4.8.
kent ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toe van € 153,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de beschikking, houdende ontbinding van het geregistreerd partnerschap, is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
4.9.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de beschikking, houdende ontbinding van het geregistreerd partnerschap, zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres];
4.10.
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap als volgt vast:
 met betrekking tot de activa van de pottenbakkerij van de vrouw:
  • bepaalt dat aan de vrouw de activa van de pottenbakkerij worden toegedeeld tegen een waarde van € 5.000,-, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man;
  • de vrouw zal het overbedelingsbedrag van € 2.500,- in termijnen aan de man terug betalen, door partijen in onderling overleg nader af te spreken;
 met betrekking tot de bankrekeningen van partijen:
- bepaalt dat ieder de op zijn/haar naam staande bankrekeningen behoudt, zonder verrekening van het saldi over en weer;
4.11.
bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de ontbonden gemeenschap van € 383,27 uit hoofde van de door hem betaalde schuld aan zijn werkgever, op grond waarvan de vrouw € 191,64 aan de man moet voldoen, waarvan de terugbetaling in onderling overleg moet plaatsvinden;
4.12.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, het huurrecht en de partnerbijdrage;
4.13.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.14.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, voorzitter en (kinder)rechter,
mr. M.C. Woudstra en mr. M. van der Veer, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J. van Dijk, griffier, op 5 juni 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.