Eiser, geboren in 1976, vroeg op 27 juni 2024 een verklaring omtrent gedrag (VOG) aan voor de functie van praktijkondersteuner huisarts. Verweerder weigerde de VOG op grond van een veroordeling uit 2009 voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, een seksueel misdrijf dat volgens het verscherpt toetsingskader binnen 20 jaar na de veroordeling een belemmering vormt voor de functie.
Eiser voerde aan dat de afwijzing disproportioneel was, onder meer omdat hij sinds 2019 naar tevredenheid werkte, de klacht uit 2020 vals was en hij een gering recidiverisico had volgens zijn psychiater en reclassering. Verweerder stelde dat het risico op herhaling niet verwaarloosbaar was, mede door eerdere veroordelingen en recente meldingen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het verscherpt toetsingskader hanteerde vanwege de afhankelijkheidsrelatie in de functie en dat het recidiverisico niet verwaarloosbaar was. De rechtbank vond de afwijzing niet evident disproportioneel en verwierp het beroep. Eiser krijgt geen VOG, geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.