Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6581

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/3771
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 6 Wet inburgering 2013Art. 2.7 Besluit inburgering 2013Art. 2.8 Besluit inburgering 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontheffing inburgeringsplicht wegens onvoldoende medische gronden

Eiseres vroeg ontheffing van haar inburgeringsplicht aan wegens ernstige depressieve en posttraumatische klachten, onderbouwd met medische verklaringen van haar huisarts en psycholoog. De minister liet een verzekeringsarts een medisch onderzoek uitvoeren, die concludeerde dat eiseres binnen vijf jaar het inburgeringsexamen kan halen, en adviseerde slechts een tijdelijke ontheffing te overwegen.

De minister weigerde de ontheffing en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank toetste of het medisch advies zorgvuldig was tot stand gekomen en of de minister terecht van het horen van eiseres in bezwaar kon afzien. De rechtbank concludeerde dat het advies begrijpelijk en zorgvuldig was, mede omdat een tweede verzekeringsarts het advies bevestigde na beoordeling van aanvullende medische stukken.

De rechtbank oordeelde dat de minister geen wettelijke grondslag heeft voor het verlenen van een tijdelijke ontheffing en dat het bezwaar van eiseres geen aanleiding gaf tot een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot afwijzing van de ontheffing in stand blijft.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de weigering van de ontheffing van de inburgeringsplicht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3771

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit Rotterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van eiseres om haar ontheffing te verlenen van haar inburgeringsplicht. Eiseres is het niet met de afwijzing eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister eiseres terecht niet heeft ontheven van haar inburgeringsplicht
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft de aanvraag van eiseres met een besluit van 5 augustus 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met een besluit van 27 maart 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.
3.1.
Eiseres is inburgeringsplichtig sinds 26 maart 2019. Zij heeft op 7 september 2023 ontheffing aangevraagd van haar inburgeringsplicht om medische of psychische redenen. Eiseres legt daarbij een brief van haar huisarts van 11 augustus 2023 en een brief van haar psycholoog van 3 september 2023 over, waarin is vermeld dat zij ernstige depressie- en posttraumatische klachten ondervindt.
3.2.
De minister heeft Argonaut naar aanleiding van de aanvraag verzocht om eiseres medisch te onderzoeken. Eiseres is op 15 juli 2024 op het spreekuur geweest van [naam 2], verzekeringsarts van Argonaut (de verzekeringsarts). Volgens het advies van de verzekeringsarts van diezelfde datum kan eiseres op medische gronden in staat worden geacht om binnen een termijn van vijf jaar haar inburgeringsexamen te halen. Wel adviseert hij een tijdelijke ontheffing tot achttien maanden te overwegen gezien de ernst van de actuele medische problematiek en lopende behandelingen.
3.3.
Met het primaire besluit heeft de minister dit advies overgenomen en geweigerd om eiseres ontheffing te verlenen van de inburgeringsplicht.
3.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De minister heeft het bezwaar ongegrond verklaard en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister legt hieraan ten grondslag dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen, dat de inhoud duidelijk is en dat het tot een logische conclusie leidt. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de conclusie niet juist is. Uit het medisch advies blijkt dat de medische problematiek die eiseres ervaart niet tot de conclusie leidt dat het voor haar onmogelijk is om in de vijf jaren na de aanvraag in te burgeren. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt niet dat sprake is van een medische eindsituatie. De minister heeft ook geen tijdelijke ontheffing verleend. Volgens de minister bestaat hiertoe geen mogelijkheid.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. De minister ontheft de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, als de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen. [1] De ontheffing kan worden verleend als redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht kan worden voldaan. [2] In het kader van de aanvraagprocedure tot ontheffing verzoekt de minister een door hem aangewezen arts een deskundigenverklaring af te geven. Deze arts mag niet de behandelend arts zijn van de inburgeringsplichtige. [3]
4.1.
Het advies van de verzekeringsarts is een deskundigenadvies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [4] mag een bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
Mocht de minister haar besluit op het rapport van de verzekeringsarts baseren?
5. Eiseres voert aan dat de minister zijn besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts omdat dit rapport onzorgvuldig tot stand gekomen is. Uit het rapport van de psycholoog van 14 februari 2024 en de brief van 3 september 2023 blijkt dat eiseres volgens de psycholoog voldoet aan de DSM-5 criteria voor een depressieve stoornis en een aanpassings- en stressstoornis. Ook heeft eiseres een gebrek aan een sociaal netwerk, relatieproblemen en psychosomatische klachten. Uit de stukken van de psycholoog blijkt ook dat het de emotionele toestand van eiseres ten goede komt als zij wordt vrijgesteld van de examens. De verzekeringsarts heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden. In het rapport van de verzekeringsarts is niets teruggevonden over de conclusies van de psycholoog. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019. [5] Daarnaast voert eiseres aan dat de omstandigheid dat de verzekeringsarts adviseert een tijdelijke ontheffing op te leggen terwijl dit volgens de minister niet mogelijk is, leidt tot twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies van de verzekeringsarts.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister het medisch advies van 15 juli 2024 van de verzekeringsarts ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn besluit. Dit medisch advies is namelijk zorgvuldig tot stand gekomen, de redenering daarin is begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten daarop aan. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding voor een ander oordeel. Ter toelichting hierop overweegt de rechtbank het volgende.
5.2.
Hoewel de verzekeringsarts niet heeft gespecificeerd welke stukken hij bij zijn beoordeling heeft betrokken, blijkt uit het advies wel dat overgelegde medische stukken zijn betrokken bij het opstellen van het advies. Bij onderzoeksactiviteiten staat dat de verzekeringsarts dossieronderzoek heeft uitgevoerd. Eiseres heeft bij haar aanvraag de in rechtsoverweging 3.1 vermelde stukken (waaronder een brief van haar psycholoog van 3 september 2023) overgelegd. Ook verklaart zij in haar beroepschrift dat zij de brief van de psycholoog van 14 februari 2024 aan de verzekeringsarts heeft toegezonden. In het advies schrijft de verzekeringsarts:
“Medische documentatie is door ondergetekende ingezien.”En:
“Ze heeft medische documentatie overgelegd. De medische klachten worden op basis van huidig onderzoek als plausibel beschouwd. Er zijn wegens de klachten beperkingen ten aanzien van het persoonlijk- en sociaal functioneren. Ze is momenteel nog onder behandeling.
Gezien de lopende diagnostiek en behandeling voor haar mentale klachten is het de verwachting dat de klachten binnen een termijn van 12-18 maanden kunnen verbeteren.”Naar het oordeel van de rechtbank is op grond hiervan aannemelijk dat de verzekeringsarts de informatie van de psycholoog heeft meegewogen bij het opstellen van het advies.
5.3.
Bovendien heeft de minister zorgvuldig gehandeld door naar aanleiding van de beroepsgronden en omdat in het medisch advies van 15 juli 2024 de betrokken medische stukken niet zijn gespecificeerd, zich opnieuw tot Argonaut te wenden en te vragen of het eerder gegeven advies aanpassing behoeft. Daarbij heeft de minister de door eiseres bij de aanvraag overgelegde brief van de psycholoog van 3 september 2023 en de door haar in beroep overgelegde brief van deze psycholoog van 14 februari 2024 (nogmaals) aan Argonaut toegezonden. Dit advies is uitgebracht door een andere verzekeringsarts van Argonaut. Uit het advies van Argonaut van 16 december 2025 blijkt dat de genoemde brieven van de psycholoog en een tijdens het onderzoek door eiseres nog aangeleverde brief van de psycholoog van 7 mei 2025 [6] , bij dit advies zijn meegewogen. De arts schrijft onder meer:
“Ten tijde van het primaire onderzoek oordeelde arts [naam 2] dat betrokkene op het moment van onderzoek nog forse psychische klachten had maar dat bij adequate behandeling (gezien aard en ernst van de ziektebeelden) verwacht kan worden dat zodanig herstel optreedt dat betrokkene in staat is om binnen 5 jaar het inburgeringsexamen te behalen. Ook op basis van de huidige informatie kan dit niet worden bestreden. Er is sprake van goed behandelbare psychiatrische aandoeningen die in casu gepaard gaan met cognitieve belemmeringen. Bij het afnemen van onderliggende psychiatrische problematiek door de adequate behandeling is te verwachten dat ook de cognitieve belemmeringen af zullen nemen tot een niveau waarbij betrokkene cognitief in staat geacht kan worden om taalonderwijs te volgen en een examen af te leggen. (…) Op basis van de in bezwaar gewogen informatie bestaat er geen medische reden tot volledige vrijstelling van het inburgeringsexamen. Op basis van de actueel ontvangen medische informatie en de bezwaargronden bestaat er geen medische reden om het primaire advies te herzien.”
De tweede verzekeringsarts heeft dus alle door eiseres overgelegde medische informatie betrokken en onderschrijft het medisch advies van 15 juli 2024.
5.4.
Dat de verzekeringsarts in het advies van 15 juli 2024 (en overigens ook de verzekeringsarts die het advies van 16 december 2025 heeft opgesteld) volgens eiseres tot een andere conclusie komt dan de behandelend psycholoog van eiseres, maakt op zichzelf niet dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de brieven van de psycholoog van 3 september 2023 en 14 februari 2024 niet volgt dat het onmogelijk is voor eiseres om binnen de gestelde termijn de examens te behalen. De psycholoog van eiseres merkt enkel op dat het de emotionele toestand van eiseres ten goede zou komen als zij wordt vrijgesteld van de examens en dat eiseres vertelde dat de klachten een negatieve invloed hebben en dat zij niet in staat is om dingen te leren of te concentreren.
5.5.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de omstandigheid dat de verzekeringsarts adviseert een tijdelijke ontheffing te overwegen terwijl dit volgens de minister niet mogelijk is, leidt tot twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts is immers een medisch deskundige en de omstandigheid dat hij een juridisch onjuist advies geeft [7] , maakt niet dat aan zijn medische deskundigheid of de zorgvuldigheid van zijn medisch advies moet worden getwijfeld.
Heeft de minister terecht geweigerd om eiseres een tijdelijke ontheffing te verlenen?
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om haar een tijdelijke ontheffing te verlenen. Zij heeft al in bezwaarprocedure verzocht om een tijdelijke ontheffing en de verzekeringsarts heeft dit ook in het advies opgenomen als mogelijkheid. De minister had het verzoek moeten opvatten als een verzoek om gedeeltelijke ontheffing als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wet inburgering 2021 en artikel 2.7 van het Besluit inburgering 2021.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geweigerd om eiseres een tijdelijke ontheffing te verlenen. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een ontheffing en de minister heeft de aanvraag als zodanig beoordeeld. Een ontheffing kan op grond van de op de aanvraag van eiseres toepasselijke regelgeving alleen toegekend of geweigerd worden. De Wi 2013 geeft de minister geen wettelijke grondslag om een tijdelijke ontheffing voor achttien maanden te verlenen of om een gedeeltelijke ontheffing van de inburgeringsplicht toe te kennen.
Had de minister eiseres moeten horen in bezwaar?
7. Eiseres voert aan dat dat de minister haar had moeten horen in bezwaar. Gelet op de omstandigheden en de informatie van de psycholoog had een hoorzitting van toegevoegde waarde kunnen zijn en wellicht bij de minister tot andere inzichten kunnen leiden.
7.1.
Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan pas op het bezwaar beslist nadat een belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. [8] In sommige gevallen kan daarvan echter worden afgezien, bijvoorbeeld wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. [9] Uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat een bezwaar kennelijk ongegrond is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [10] De beslissing om een belanghebbende al dan niet te horen in bezwaar dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval heeft mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar. Dat een hoorzitting tot andere inzichten bij de minister had kunnen leiden, zoals eiseres in beroep stelt, is door eiseres niet concreet gemaakt, laat staan onderbouwd. Het bezwaar van eiseres bevat drie gronden. Eiseres voert ten eerste aan dat het primaire besluit een motiveringsgebrek bevat omdat de minister enkel verwijst naar het advies van de verzekeringsarts, maar hij niet inhoudelijk ingaat op het advies en op haar persoonlijke situatie. Zoals hiervoor onder 5.1. is overwogen heeft de minister het advies van de verzekeringsarts ten grondslag mogen leggen aan zijn besluit. Eiseres heeft in bezwaar de conclusie van de verzekeringsarts dat zij in staat wordt geacht binnen vijf jaar (na de aanvraag tot ontheffing) het inburgeringsexamen te halen, niet concreet betwist en geen stukken overgelegd om het medisch advies te bestrijden. Ten tweede heeft eiseres in bezwaar aangevoerd dat overduidelijk is dat zij niet meer binnen de (tot en met 31 januari 2025 lopende) inburgeringstermijn kan voldoen aan de inburgeringsplicht. Dat zij mogelijk niet meer tijdig kan inburgeren is echter niet van belang bij de beoordeling van een ontheffingsaanvraag. In de derde plaats heeft eiseres in bezwaar een verzoek gedaan om haar een tijdelijke ontheffing van achttien maanden te verlenen en wanneer dan blijkt dat de prognose gunstig is, haar 42 maanden de tijd te geven om het inburgeringsexamen te halen. Zoals hiervoor onder 6.1. overwogen is er echter geen wettelijke basis voor de minister om een ontheffing voor achttien maanden te verlenen. Gelet op dit alles kon wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd niet tot een andersluidend besluit leiden. De minister heeft daarom mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit om eiseres niet te ontheffen van haar inburgeringsplicht in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2013 (Wi 2013).
2.Artikel 2.8, vierde lid, van het Besluit inburgering (Bi 2013).
3.Artikel 2.8, eerste lid, van het Bi.
4.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516 en 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2272.
6.Deze brief is niet overgelegd aan de rechtbank.
7.Zie rechtsoverweging 6.1.
8.Artikel 7:2 van Pro de Awb.
9.Artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
10.Zie onder meer de hiervoor in voetnoot 4 genoemde uitspraak van 22 april 2026.