Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6577

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604702:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 284 FaillissementswetArt. 295 FaillissementswetArt. 296 FaillissementswetArt. 310 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met eerdere ingangsdatum vastgesteld

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van een schuldenaar om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) vanwege een problematische schuldensituatie. De schuldenaar had geen minnelijk aanbod kunnen doen omdat haar Participatiewet-uitkering was gekort door inschrijving van familieleden op haar adres, waardoor haar inkomen instabiel was.

De rechtbank oordeelde dat het niet mogelijk was binnen afzienbare termijn een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen en verklaarde het verzoek ontvankelijk. De schuldenaar voldeed aan de eisen van de Wsnp, waaronder goed vertrouwen en de verwachting dat zij aan de verplichtingen zou voldoen, mede doordat de familieleden inmiddels waren uitgeschreven en haar inkomenssituatie stabiel was.

De rechtbank stelde de duur van de Wsnp-regeling vast op 18 maanden en bepaalde een eerdere ingangsdatum van 13 februari 2026, omdat vanaf die datum aan de afdracht- en inspanningsverplichtingen was voldaan. Een bewindvoerder en rechter-commissaris werden benoemd om toezicht te houden en de boedel te beheren. De regeling eindigt met een schone lei indien aan alle verplichtingen wordt voldaan.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt toegewezen met een ingangsdatum van 13 februari 2026 en een looptijd van 18 maanden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Rekestnummer: [nummer]
vonnis van:
24 april 2026
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres],
[postcode] te [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 10 april 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoeker],
- mevrouw K. Basarat, schuldhulpverlener van de gemeente Rotterdam,
- de heer K. van de Ruit, beschermingsbewindvoerder.
1.3.
Schuldhulpverlening heeft op 16 april 2026 aanvullende informatie toegezonden.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoeker] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de nicht en de zoon van [verzoeker] stonden ingeschreven op haar woonadres. Hierdoor werd [verzoeker] gekort op haar Participatiewet-uitkering en kon zij niet de berekende minimale afloscapaciteit betalen. Schuldhulpverlening heeft contact opgenomen met Werk en Inkomen en getracht de Participatiewet-uitkering van [verzoeker] te laten herstellen. Er waren echter belemmeringen bij het herstellen van de Participatiewet-uitkering waardoor het inkomen van [verzoeker] niet stabiel was. Hierdoor was het voor schuldhulpverlening niet mogelijk om binnen afzienbare termijn een minnelijk aanbod aan de schuldeisers te doen.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoeker] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
2.4.
[verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.5.
[verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp. De rechtbank acht hierbij van belang dat de nicht van [verzoeker] inmiddels is uitgeschreven en dat haar zoon op korte termijn zal worden uitgeschreven van het woonadres. Hierdoor is de inkomenssituatie van [verzoeker] stabiel waardoor de rechtbank er vertrouwen in heeft dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
Bevoegdheid
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
2.7.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
2.8.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
Op basis van de VTLB-berekening per januari 2026 stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] op basis van haar inkomen geen afloscapaciteit heeft gehad. Daarnaast is uit overgelegde stukken bij het verzoekschrift gebleken dat [verzoeker] is ontheven van de arbeidsverplichtingen vanaf 13 februari 2026 tot en met 12 februari 2027 vanuit de Participatiewet-uitkering. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat er vanaf 13 februari 2026 is voldaan aan de afdrachtverplichting en de inspanningsverplichting.
2.11.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 13 februari 2026.

3.De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

3.1.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
3.2.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.3.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
3.4.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw Pro). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
3.5.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw Pro). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoeker] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw Pro). [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw Pro). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.6.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.7.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoeker].
3.8.
Als [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum]-1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
  • stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 13 februari 2026 en de duur op 18 maanden;
  • draagt de bewindvoerder op de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. J.T.P. Pot, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026. [1]