De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor deelname van haar minderjarige kind aan vijf ochtenden per week vroeg- en voorschoolse educatie. De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar waren het niet eens over de uitbreiding van de educatie.
De minderjarige heeft een vertraagde spraak- en taalontwikkeling, waarvoor deskundigen extra ondersteuning adviseren, waaronder logopedie en voorschoolse educatie. De vader vond de huidige twee ochtenden per week voldoende en vreesde overbelasting van het kind, terwijl de moeder pleitte voor vijf ochtenden om een goede start op de basisschool te waarborgen.
De rechtbank oordeelde dat de indicatie van de jeugdarts en de adviezen van deskundigen voldoende onderbouwing boden voor de uitbreiding. De zorgen van de vader over overbelasting werden erkend, maar niet doorslaggevend geacht. De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat de bodemprocedure gelijktijdig werd behandeld.
Uiteindelijk verleende de rechtbank de vervangende toestemming voor vijf ochtenden per week deelname aan vroeg- en voorschoolse educatie, met behoud van logopedie en begeleiding. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.