Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6340

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718518 / KG ZA 26-381
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 3:35 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deeltoewijzing vergoeding medische behandeling en vervoer VS na aanrijding

Na een aanrijding waarbij [persoon A] ernstig letsel opliep, vorderen diens curatoren van de verzekeraar vergoeding van kosten voor een revalidatietraject in de Verenigde Staten en het medische vervoer daarheen. De verzekeraar erkent aansprakelijkheid maar betwist de omvang van de vergoeding, met name de redelijkheid van de vervoerskosten per ambulancevliegtuig.

De rechtbank oordeelt dat de verzekeraar onvoorwaardelijk heeft toegezegd de kosten van het revalidatieprogramma bij het Shepherd Center voor acht weken te vergoeden. De vervoerskosten en overige verblijfskosten zijn slechts onder voorwaarden toegezegd, namelijk dat deze redelijk moeten zijn en in overleg worden vastgesteld. De curatoren hebben de kosten voor behandeling en vervoer voorgeschoten vanwege de urgentie.

De rechtbank kent een voorschot toe van in totaal €171.081,88, bestaande uit de behandelingskosten, een redelijke schatting van de vervoerskosten, verblijfskosten en aanvullende noodzakelijke kosten. De wettelijke rente wordt deels toegewezen en de verzekeraar wordt veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De verzekeraar wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot van €171.081,88 en wettelijke rente, met afwijzing van het meer gevorderde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718518 / KG ZA 26-381
Vonnis in kort geding van 15 mei 2026
in de zaak van

1..[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
BEIDEN IN DE HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A] ,
beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de curatoren,
advocaat: mr. H.J.D. de Boer te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.

1.De zaak in het kort

1.1.
[persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft zwaar letsel opgelopen als gevolg van een aanrijding door een personenauto. [gedaagde] is de verzekeraar van de betrokken personenauto en heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van [persoon A] hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (de VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] meegedeeld dat de kosten van het vervoer van [persoon A] per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met [persoon A] meegereisd naar de VS, waar [persoon A] met het revalidatietraject is gestart.
1.2.
De curatoren vorderen van [gedaagde] betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van [persoon A] . In geschil is de vraag of [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de kosten die verband houden met de behandeling van [persoon A] in de VS zal vergoeden en, zo ja, wat de omvang van die toezegging is. De voorzieningenrechterechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. De geldvordering wordt deels, overeenkomstig de onvoorwaardelijke toezegging, toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 april 2026;
- de producties 1 t/m 22 van de curatoren;
- de conclusie van antwoord;
- de producties 1 t/m 14 van [gedaagde] ;
- de producties 23 t/m 25 van de curatoren;
- de mondelinge behandeling op 8 mei 2026;
- de pleitnota van de curatoren;
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.2.
Ter zitting heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties 23 t/m 25 door de curatoren en verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten. Dat verzoek is afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die producties. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 11 mei 2026 een aanvullende productie ingebracht.

3.De feiten

3.1.
Op 25 maart 2025 is [persoon A] als voetganger aangereden door een bij [gedaagde] verzekerde personenauto. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend.
3.2.
[persoon A] heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert [persoon A] op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk.
3.3.
De curatoren zijn de broer en zus van [persoon A] en bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 benoemd tot curator van [persoon A] .
3.4.
Partijen hebben in november 2025 Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om te inventariseren welke woon- en zorgmogelijkheden en voorzieningen er voor [persoon A] zijn en om hem en zijn familie daarin te begeleiden.
3.5.
Op 11 december 2025 heeft Trivium partijen geïnformeerd over de mogelijkheid voor [persoon A] om een revalidatietraject bij het Shepherd Center in Atlanta (de VS) te starten. In december 2025 en januari 2026 hebben Trivium en de curatoren contact gehad met medische specialisten om dit traject te onderzoeken.
3.6.
Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft Trivium een door het Shepherd Center voor [persoon A] opgesteld revalidatieprogramma en kostenopgave gedeeld met [gedaagde] en mr. M. Meerman (de advocaat van [persoon A] ).
3.7.
Op 3 februari 2026 heeft een Teams-overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , Trivium en mr. Meerman. Na dat gesprek heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde dag het volgende meegedeeld aan Trivium en mr. Meerman:
“Ik heb gelukkig direct kunnen overleggen over het verzoek om [persoon A] te laten revalideren bij het Shepherd Center. Wij zijn bereid dit te financieren op enkele voorwaarden:
- Wij gaan uit van een vergoeding voor de eerste acht weken Residential program. Na vier weken en bij acht weken dient ge?valueerd te worden of er voldoende progressie is en zo ja, waaruit deze bestaat. Het lijkt mij goed als [naam] deze contacten onderhoudt.
- Als het Shepherd Center na de eerste acht weken nog ruimte ziet voor verbetering zullen wij eerst in overleg met onze medisch adviseur bezien of dat ook voldoende aanknopingspunten biedt in schade technische zin, wij willen daar op voorhand helder over zijn.
- Wij vergoeden de redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften. We zullen even moeten afstemmen hoe deze vergoeding eruitziet. Te denken valt aan bijvoorbeeld een verblijf waar men zelf eten kan bereiden.
- Zijn er meer kosten dan zullen we in overleg een redelijke vergoeding bepalen.
Dit even kort omdat ik weet dat de familie heel graag duidelijkheid wil. Ik hoor graag hoe verder, maar nu kan een en ander in elk geval in gang gezet worden. Ik hoop dat het traject zal opleveren waar men zo op hoopt!”
3.8.
De curatoren en Trivium zijn vervolgens bezig geweest met het verkrijgen van een ‘fit to fly-verklaring’ voor [persoon A] en het opvragen van offertes bij verschillende medische vervoersdiensten voor het verzorgen van het vervoer van [persoon A] van het ziekenhuis in Dordrecht naar het Shepherd Center in Atlanta.
3.9.
Begin maart 2026 heeft het Shepherd Center aan de curatoren laten weten dat zij per 13 april 2026 een plek beschikbaar heeft voor [persoon A] . Op 4 maart 2026 heeft Trivium [gedaagde] daarvan in kennis gesteld.
3.10.
Op 17/24 maart 2026 hebben de curatoren een “
Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:
“We appreciate the opportunity to work with you! I am writing to document the agreement regarding payment for services at Shepherd Center. Shepherd Center agrees to accept the discounted self-pay rate of $1,212 per day (Monday— Friday) for Residential Day Program rehabilitation services at Shepherd Pathways. During the weekend (Saturday & Sunday), a separate charge for Room & Board in the amount of $625/day will apply. Your team has estimated a total of four weeks (28 days) of care. We are requesting a total of $29,240.00 to be paid in advance, prior to admission.”
Mr. Meerman heeft een kopie van de door een van de curatoren ondertekende overeenkomst op 24 maart 2026 verzonden aan [gedaagde] en Trivium. Dat mailbericht heeft [gedaagde] echter niet bereikt, omdat het gebruikte mailadres van [gedaagde] niet correct was.
3.11.
Bij e-mail van 24 maart 2026 stuurt Trivium aan [gedaagde] een offerte van Medische Repatriëringsdienst. Bij de offerte is een verklaring gevoegd van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadt. In de offerte worden de vervoerskosten begroot op € 164.855,00.
3.12.
Bij e-mail van 31 maart 2026 stuurt Trivium de afgegeven ‘fit to fly-verklaring’ en een brief van het Shepherd Center door aan [gedaagde] . In het mailbericht staat:
“Vandaag heeft de zus van betrokkene de fit-to-fly aan ondergetekende toegezonden. In deze verklaring wordt aangegeven dat betrokkene uitsluitend per medische vlucht mag reizen. U treft de fit-to-fly als bijlage bij deze e-mail aan.
(…)
Daarnaast treft u in de bijlagen een brief van het Shepherd Center aan, waarin wordt verzocht om een eerste aanbetaling van $ 29.240,00 voor de eerste vier weken revalidatie en intern verblijf. In een separate bijlage is aangegeven op welke wijze dit bedrag kan worden overgemaakt. De zus geeft aan dat het verblijf telkens per vier weken wordt verlengd en dat na elke periode van vier weken een nieuwe factuur zal worden verstrekt, welke voldaan dient te worden.
Het is aan partijen om onderling afte stemmen op welke wijze de voornoemde betalingen zullen worden voldaan. Vanuit de familie is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar rechtstreekse betaling door [gedaagde] aan de betreffende instanties.
Om betrokkene per 13 april aanstaande te kunnen laten starten bij het Shepherd Center, dient de aanbetaling tijdig te zijn voldaan. Daarnaast zal voorafgaand aan deze datum ook de medische vlucht moeten worden geboekt. Gezien de planning is derhalve sprake van enige urgentie, teneinde vertraging te voorkomen.”
3.13.
Bij e-mail van 1 april 2026 aan Trivium vraagt [gedaagde] om meer informatie:
“Ik zal e.e.a. intern overleggen en hier z.s.m. op terugkomen. Vooruitlopend daarop zou ik graag de andere offertes ontvangen die de zus van betrokkene heeft opgevraagd. Zijn er nog andere organisaties die door jouzelf zijn benaderd? Daarnaast zag ik de fit to fly verklaring bijgevoegd. Hoe zal nu het vervolg gaan wat betreft het uitvoeren van een eigen fit to fly onderzoek van de ambulancedienst? Ik veronderstel dat het in de lijn der verwachting ligt dat [persoon A] ook door de ambulancedienst fit to fly wordt bevonden?”
3.14.
Bij e-mail van 2 april 2026 informeert Trivium [gedaagde] over een voorlopige prijsindicatie van [naam vervoerder] , een andere vervoerder. Verder staat in de mail:
“Zodra er duidelijkheid is over de te vergoeden kosten voor de vlucht, kan de vervolgstap worden gezet ten aanzien van het boeken van de vlucht.”
3.15.
Bij antwoordmail van 2 april 2026 deelt [gedaagde] aan Trivium mee:
“De medewerker van [naam vervoerder] vraagt om een actueel medisch dossier. Kan dat zsm aan hen aangeleverd worden ten behoeve van een definitieve offerte? De wens is vanzelfsprekend om hen zsm een definitieve offerte te laten uitbrengen zodat wij deze kunnen meenemen in onze besluitvorming.
Als ik het goed begrijp zijn er door de familie van [persoon A] twee organisaties benaderd en door [naam][vzr: Trivium]
ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.
Als ik op Google zoek naar aanbieders van dit soort vluchten, kom ik best een behoorlijk aantal aanbieders tegen. Ik was dan ook in de veronderstelling dat er (zoals naar mijn idee ook besproken) meerdere offertes zouden worden aangeleverd om hier een goed beeld van te krijgen en een goede keuze in te maken. Het gaat vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen en behoorlijke verschillen in de kosten.”
3.16.
Op 6 april 2026 hebben de curatoren als eerste aanbetaling een bedrag van € 25.591,88 ($ 29.240,-) voldaan aan het Shepherd Center.
3.17.
Bij e-mail van 9 april 2026 heeft Trivium offertes van vervoerders Global Aviation en [naam vervoerder] verstrekt aan [gedaagde] .
3.18.
Later op 9 april 2026 heeft [gedaagde] telefonisch aan de advocaat van [persoon A] meegedeeld dat de kosten van het reizen met een ambulancevlucht niet redelijk in omvang zijn en niet worden vergoed. Bij brief van 13 april 2026 heeft [gedaagde] haar besluit schriftelijk bevestigd en nader toegelicht.
3.19.
Op 10 april 2026 hebben de curatoren de factuur van Medische Repatriëringsdienst voor de ambulancevlucht van Dordrecht naar Atlanta van € 145.000,00 in contanten voldaan. [persoon A] is daarna overgebracht naar Atlanta en is op 13 april 2026 begonnen met de behandeling bij het Shepherd Center.
3.20.
Op 17 april 2026 heeft de advocaat van de curatoren [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 358.581,88 te voldoen. Dat bedrag ziet op de behandelingskosten van het Shepherd Center en reis- en verblijfskosten van [persoon A] en de curatoren naar/in de VS.
3.21.
[gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. Wel heeft zij op 20 april 2026 € 100.000,00 aan smartengeld en € 50.000,00 aan voorschot onder algemene titel uitgekeerd aan [persoon A] .

4.Het geschil

4.1.
De curatoren vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 358.581,88 aan de curatoren, te voldoen binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 25.591,88 (kosten revalidatiecentrum) met ingang van 3 april 2026, alsmede over een bedrag van € 145.000,00 (kosten heenreis) met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curatoren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
5. De beoordeling
5.1.
De vordering betreft een geldvordering die als volgt is opgebouwd:
Behandeling bij het Shepherd Center (1e vier weken) € 25.591,88
Ambulancevluchtvervoer heenreis € 145.000,00
Ambulancevluchtvervoer terugreis € 142.500,00
Andere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en curatoren in de VS € 5.490,00
Aanvullende noodzakelijke kosten/bevoorschotting
€ 40.000,00+
Totaal € 358.581,88
5.2.
Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
Spoedeisend belang
5.3.
De curatoren wijzen erop dat zij in een financiële noodtoestand verkeren. Als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de kosten te vergoeden, hebben de curatoren de kosten die samenhangen met de behandeling bij het Shepherd Center voorgeschoten. Dat kunnen zij niet blijven doen. Er is sprake van oplopende schulden, en er is geen geld voor verlenging van de behandeling noch voor de ambulancevlucht terug naar Nederland. [persoon A] dreigt te stranden in Atlanta. Daarmee is het spoedeisend belang van de curatoren bij de geldvordering voldoende gegeven. Het daartegen gerichte niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.
Juridisch kader en kern van het geschil
5.4.
De curatoren stellen dat [gedaagde] met haar mail van 3 februari 2026 (zie 3.7.) zonder voorbehoud heeft toegezegd de behandeling bij het Shepherd Center en het vervoer ernaar toe te financieren.
[gedaagde] bestrijdt dat en betoogt dat de toezegging is gedaan onder bepaalde voorwaarden. Omdat de vervoerskosten niet redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 BW Pro, heeft [gedaagde] de dekking van de behandeling in Atlanta afgewezen.
5.5.
De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, moet worden beantwoord aan de hand van wat de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Verder geldt dat de derde jegens de verzekeraar bescherming kan ontlenen aan artikel 3:35 BW Pro indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd of erop heeft mogen vertrouwen dat hem dekking wordt verleend. [1]
5.6.
Beoordeeld moet worden welke betekenis de curatoren redelijkerwijs mochten toekennen aan de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026 en aan de gedane mededelingen van [gedaagde] daarna. Mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de hier gevorderde kosten, zonder voorbehoud, zouden worden gefinancierd?
Uitleg van de toezegging door [gedaagde]
5.7.
In het mailbericht van 3 februari 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven bereid te zijn de kosten van de revalidatie bij het Shepherd Center te financieren op enkele voorwaarden. Vervolgens wordt die toezegging nader ingekaderd en toegelicht aan de hand van vier punten/gedachtestreepjes. De eerste twee punten gaan in op de behandel- en verblijfskosten van [persoon A] bij het Shepherd Center. [gedaagde] gaat uit van een vergoeding voor de eerste acht weken. Behalve dat er geëvalueerd moet worden na vier en na acht weken, heeft [gedaagde] geen verdere voorwaarden genoemd. Het derde punt ziet op redelijke reis- en verblijfskosten voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden. Overige kosten worden benoemd als vierde punt, daarvan wordt in overleg bepaald wat een redelijke vergoeding is.
5.8.
Anders dan de curatoren menen, kan het mailbericht van 3 februari 2026 niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om alle kosten die samenhangen met de behandeling van [persoon A] in de VS te vergoeden. In dat bericht wordt immers benoemd dat en welke voorwaarden er gelden. Wel blijkt genoegzaam uit de mail een toezegging van [gedaagde] om de kosten van het Shepherd Center – Residential program – voor de periode van acht weken te vergoeden. Op basis van die mededeling mochten de curatoren er in ieder geval van uitgaan dat de kosten van het Shepherd Center gedekt waren. Het verwijt van [gedaagde] dat de curatoren zonder haar instemming een behandelovereenkomst hebben gesloten met het Shepherd Center en een eerste aanbetaling hebben verricht, is dan ook niet terecht. Dat klemt temeer nu [gedaagde] begin maart 2026 al wist dat de inspanningen van de curatoren erop waren gericht dat [persoon A] per 13 april 2026 kon beginnen met de behandeling bij het Shepherd Center, en Trivium op 31 maart 2026 in verband met die startdatum wees op de urgentie om het vervoer te regelen (zie 3.9. en 3.12.).
Wat betreft de overige kosten (waaronder de vervoerskosten van [persoon A] ), heeft [gedaagde] verklaard die kosten te vergoeden voor zover zij redelijk zijn. De concrete omvang van die kosten was op dat moment nog niet bekend. Voor een vergoeding van die kosten dienden de curatoren dus vooraf in overleg te treden met [gedaagde] . Dat de curatoren en Trivium hier ook van uitgingen, blijkt uit het mailbericht van Trivium van 2 april 2026 (zie 3.14.).
5.9.
Het betoog van [gedaagde] dat zij het behandeltraject bij het Shepherd Center volledig heeft mogen afwijzen omdat zij kanttekeningen plaatst bij de noodzaak van ambulancevervoer en de vervoerskosten onredelijk hoog vindt, wordt niet gevolgd. Dat past niet in het licht van de harde toezegging van [gedaagde] ten aanzien van de behandelkosten van het Shepherd Center en ook niet gezien de inhoud van de latere correspondentie tussen partijen over het medische transport van [persoon A] .
5.10.
Na de e-mail van 3 februari 2026 hebben de curatoren en Trivium inspanningen verricht om de ‘fit to fly-verklaring’ te verkrijgen en hebben zij offertes opgevraagd bij verschillende medische vervoerders. Vanaf het begin hebben Trivium en de curatoren zich gericht op ambulancevervoer. De eerste offerte was van Ambulance Vlucht Centrale, die Trivium op 17 maart 2026 heeft doorgestuurd aan [gedaagde] . Verder is op 24 maart 2026 een offerte van Medische Repatriëringsdienst doorgestuurd, daarbij was gevoegd een verklaring van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadde. Op 31 maart 2026 heeft Trivium ook nog een ‘fit to fly-verklaring’ overgelegd, waarin stond dat [persoon A] “
is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.
5.11.
Naar voorlopig oordeel mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verblijfs- en behandelkosten van het Shepherd Center volledig worden vergoed en dat de overige kosten worden vergoed in overleg en voor zover die redelijk zijn.
5.12.
Hierna wordt beoordeeld wat deze overwegingen betekenen voor ieder onderdeel van de geldvordering.
Behandeling bij het Shepherd Center
5.13.
Zoals gezegd leest de voorzieningenrechter in het mailbericht van 3 februari 2026 een harde toezegging van [gedaagde] om de behandelingskosten bij het Shepherd Center te vergoeden. Het in dat kader gevorderde bedrag van € 25.591,88 ligt voor toewijzing gereed. Volledigheidshalve voegt de voorzieningenrechter hier aan toe dat de kosten van een Residential program in beginsel $ 1.374,- per dag zijn en dat de curatoren blijkbaar een korting tot $ 1.212,- per dag hebben kunnen bedingen. Het bedrag van $ 550,- per dag dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord noemt, is niet voor een Residential program maar voor een Day program en de verleende korting volgt uit productie 6 bij dagvaarding.
5.14.
[gedaagde] plaatst in dit kort geding vraagtekens bij de effectiviteit van de behandeling bij het Shepherd Center. Dat heeft zij tot aan de afwijzing van de gevorderde betaling nimmer kenbaar gemaakt aan de curatoren, zodat de voorzieningenrechter aan dit standpunt voorbijgaat.
Ambulancevluchtvervoer (heen en terug)
5.15.
In de mail van 3 februari 2026 van [gedaagde] zijn de kosten van het transport van [persoon A] naar het Shepherd Center en terug niet expliciet benoemd. Wel is duidelijk dat de vervoerskosten van [persoon A] in beginsel zouden worden gefinancierd. Deze kosten moeten worden geschaard onder ‘meer kosten’ bij het vierde punt. Daarvoor geldt dat [gedaagde] deze kosten vergoedt voor zover het gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW Pro. De kosten van ambulancevervoer zijn alleen redelijk te achten wanneer komt vast te staan dat [persoon A] , gezien zijn medische toestand, alleen op verantwoorde wijze via een ambulancevliegtuig kon worden vervoerd. Dat is echter een geschilpunt tussen partijen, waarover in dit kort geding geen helderheid kan worden verkregen. Zo is niet duidelijk of de optie ambulancevliegtuig in het gesprek op 3 februari 2026 is genoemd, zoals de curatoren stellen en [gedaagde] betwist. In een bodemprocedure, waar plaats is voor nadere bewijslevering, moet worden beoordeeld wat er concreet is toegezegd, althans waarvan de curatoren in de gegeven omstandigheden mochten uitgaan en of een eventueel andere (goedkopere) wijze van transport tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij speelt ook een rol dat de curatoren niet hebben onderbouwd dat – nu al duidelijk is dat – voor de terugvlucht een ambulancevliegtuig moet worden ingezet voor [persoon A] .
5.16.
Ter zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij als redelijke kosten voor het vervoer van [persoon A] , en 2 familieleden, van Nederland naar Atlanta uitging van
€ 60.000-€ 70.000,00, van een bedrag van ongeveer € 100.000,00 voor een retourvlucht. Het zou dan een 1e klas vlucht betreffen, waarbij een arts en een verpleegkundige meegaan, inclusief ambulancevervoer van en naar het vliegveld. Gelet op die verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ten titel van ambulancevluchtvervoer (heen en terug) het bedrag van € 100.000,00 als voorschot toe te wijzen.
Andere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en de curatoren in de VS
5.17.
De curatoren gaan uit van een verblijf van 28 dagen en hebben de kosten die zij gedurende hun verblijf moeten maken ten behoeve van zorg en begeleiding van [persoon A] begroot op € 5.490,00. Deze kosten bestaan uit mobiliteitskosten, noodzakelijke verzorgingskosten van [persoon A] (met name incontinentiemateriaal, waskosten, vochtige doekjes), extra kosten voor het levensonderhoud in de VS (met name geschikt eten voor [persoon A] en de curatoren) en extra telefoon- en internetkosten. Deze kosten zien op meer zaken dan de “
redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).
5.18.
De begrote kosten komen de voorzieningenrechter, mede gelet op de onderbouwing, niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen. Omdat het bedrag meer omvat dan de kosten voor het verblijf van twee meereizende familieleden, wordt ervan uitgegaan dat de in 5.17. genoemde aftrek, ook al is dat niet met zoveel woorden gesteld, in zekere zin is meegenomen.
Aanvullende noodzakelijke kosten/bevoorschotting
5.19.
De curatoren vorderen een bedrag van € 40.000,00 voor het resterende verblijf in de VS. Ter zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is ontslagen uit het Shepherd Center. De behandeling kon niet worden verlengd, omdat de curatoren dat niet konden betalen. De curatoren stellen het gevorderde bedrag nodig te hebben voor tijdelijke huisvesting en verzorging van [persoon A] in de VS tot de datum van repatriëring en voor hulp/verzorgingskosten daarna.
5.20.
Ook deze begrote kosten komen de voorzieningenrechter niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen.
Belangenafweging en restitutierisico
5.21.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [persoon A] lijdt als gevolg van het verkeersongeluk. Zij heeft toegezegd de behandeling in het Shepherd Center te financieren. Bepaalde kosten waren nog niet bekend, maar daarvoor gold dat die zouden worden vergoed voor zover die redelijk zijn. Ten aanzien van het deel van de geldvordering dat wordt toegewezen, is voldoende aannemelijk dat de curatoren die kosten ten behoeve van [persoon A] hebben gemaakt of gaan maken en dat [gedaagde] die kosten, als zijnde de door [persoon A] geleden en te lijden schade, moet vergoeden. Dat maakt ook dat, hoewel er strikt genomen sprake is van een restitutierisico, dat risico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.
5.22.
Dat [gedaagde] onlangs € 150.000,00 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).
Conclusie
5.23.
Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 171.081,88 (= € 25.591,88 + € 100.000,00 + € 5.490,00 + € 40.000,00) als voorschot wordt toegewezen. Gelet op al het hiervoor overwogene is er alle reden om die beslissing, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
5.24.
De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro wordt deels toegewezen. De curatoren hebben op 6 april 2026 het bedrag van € 25.591,88 aan het Shepherd Center voldaan, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen over dat bedrag vanaf 6 april 2026. Daarnaast staat vast dat op 10 april 2026 het bedrag van € 145.000,00 in contanten is voldaan voor het vervoer van [persoon A] naar de VS. De curatoren stellen op dat punt dat zij dat bedrag hebben geleend van familie, wat niet onaannemelijk is. Aan het betoog van [gedaagde] dat (een deel van) dat bedrag een gift kan zijn geweest, wordt, ook gelet op de toezegging van [gedaagde] , voorbij gegaan. Dat ligt niet voor de hand en [gedaagde] heeft geen aanknopingspunt gegeven dat in die richting wijst. Voor het vervoer naar de VS is in 5.16. al geoordeeld dat een bedrag van € 70.000,00 redelijk is. De wettelijke rente wordt dus toegewezen over € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026.
Proceskosten
5.25.
De curatoren hebben [gedaagde] op juiste gronden in rechte betrokken, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de curatoren. Deze proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
2.803,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.324,67

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, aan de curatoren te betalen een bedrag van € 171.081,88;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 25.591,88 met ingang van 6 april 2026 tot de dag van volledige betaling, alsmede over een bedrag van € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.324,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.
2091 / 2009

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3123, r.o. 3.5