3.4.Kinderbijdrage
3.4.1.De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 300,- per maand per kind vast te stellen.
3.4.2.De man verzoekt een door de vrouw te betalen kinderbijdrage van € 53,- per maand per kind vast te stellen.
3.4.3.[jong-meerderjarige] is tijdens de echtscheidingsprocedure meerderjarig geworden.
De voor hem gevraagde bijdrage is geen nevenvoorziening die in deze procedure kan worden verzocht. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van
9 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:724). Partijen zijn het eens dat zij geen bijdrage namens [jong-meerderjarige] kunnen vragen, maar vragen de rechtbank wel om er bij het vaststellen van de kinderbijdrage rekening mee te houden dat de draagkracht van partijen moet worden verdeeld over drie kinderen. Zij verzoeken de rechtbank voor alle kinderen van dezelfde uitgangspunten uit te gaan. De rechtbank zal hiermee rekening houden. 3.4.4.Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
3.4.5.Partijen wonen nog samen in de echtelijke woning en delen alle kosten.
Zij zijn het eens dat de kinderbijdrage ingaat op de dag dat zij geen woning meer delen en dus feitelijk uit elkaar zijn.
3.4.6.De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (en [jong-meerderjarige] ) (hierna: de behoefte van de kinderen) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Gelet op voornoemde ingangsdatum zijn partijen het eens dat zowel voor het vaststellen van de behoefte van de kinderen als de draagkracht van partijen uitgegaan wordt van de meest recente inkomensgegevens uit 2026. Gerekend worden met de tarieven 2026-1.
3.4.7.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 1) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2026 aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 63.114,-, op
€ 3.803,- per maand.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.4.8.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 2) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.260,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.280,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 35,-
- aanvullende pensioenpremie € 9,-
Anders dan de man houdt de rechtbank aan de kant van de vrouw geen rekening met inkomsten uit ZZP-werkzaamheden. De vrouw heeft gemotiveerd aangegeven deze werkzaamheden in 2026 niet meer te verrichten. Zij is juist een dag meer in loondienst gaan werken.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.4.9.De rechtbank becijfert het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen aldus op
€ 6.063,- per maand. Rekening houdend met het kindgebonden budget dat partijen ontvingen ad € 215,- per maand wordt uitgekomen op (afgerond) een totaalbedrag van
€ 6.278,- per maand.
3.4.10.Hiervoor genoemd netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 1.540,- per maand. De rechtbank komt hiermee uit op een lagere behoefte van de drie kinderen dan partijen. Dit komt omdat partijen voor de berekening van de behoefte in hun stukken uitgegaan zijn van de (hogere) inkomens uit voorgaande jaren. Nu zij tijdens de mondelinge behandeling hebben afgesproken dat ook voor de behoefte wordt uitgegaan van de inkomensgegevens uit 2026 omdat zij nog steeds alle kosten delen, stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen vast op € 1.540,- per maand. Dit is het bedrag dat gelet op het huidige inkomen van partijen geacht te worden besteed aan de drie kinderen.
3.4.11.Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.12.Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
3.4.13.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 3) het huidige NBI van de man aan de hand van de jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 63.114,-, op € 4.152,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.4.14.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 349,- per maand
(€ 4.183,- per jaar), waar de man gelet op zijn inkomen recht op heeft nu [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft.
3.4.15.De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de in deze beschikking opgenomen bijlage 4) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2026 op € 2.820,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.280,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 35,-
- aanvullende pensioenpremie € 9,-
Ook in deze berekening is alleen rekening gehouden met de inkomsten van de vrouw uit loondienst. Zij heeft voldoende onderbouwd dat zij geen inkomsten meer heeft uit ZZP-werkzaamheden.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.4.16.Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 560,- per maand
(€ 6.720,- per jaar), waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft nu [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft.
Draagkracht partijen
3.4.17.De draagkracht van partijen wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule:
70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)].
De draagkracht van de man bedraagt € 1.079,- per maand en de draagkracht van de vrouw bedraagt € 426,- per maand.
3.4.18.Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 1.079,- + € 426,- = € 1.505,-) lager is dan de behoefte van de kinderen (€ 1.540,-) kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van partijen is beperkt tot ieders draagkracht.
3.4.19.De draagkracht van de man per kind bedraagt € 1.079,- : 3 = € 360,- per maand.
3.4.20.De draagkracht van de vrouw per kind bedraagt € 426,- : 3 = € 142,- per maand.
3.4.21.De toe te passen zorgkorting hangt af van de zorgregeling.
De rechtbank gaat er vooralsnog vanuit dat het partijen lukt om dicht bij elkaar in de buurt te blijven wonen, zodat de co ouderschapsregeling gaat gelden. Daarom wordt een zorgkorting van 35% toegepast op de manier als hierna is vermeld. Hoewel voor de meerderjarige [jong-meerderjarige] geen zorgregeling wordt vastgesteld, houdt de rechtbank ook voor hem rekening met genoemde zorgkorting. Partijen zijn het immers eens dat hij meegenomen moet worden in de berekening en er van dezelfde uitgangspunten moet worden uitgegaan.
Niet besproken is waar [jong-meerderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank zal er ten behoeve van de berekening van de kinderbijdrage van uitgaan dat hij zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft.
3.4.22.Indien de co ouderschapsregeling niet haalbaar is en de subsidiaire zorgregeling gaat gelden, moet een zorgkorting van 25% worden toegepast. Deze zorgkorting komt toe aan de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat met de uitgangspunten zoals opgenomen in deze beschikking partijen zelf met hun advocaten de voor deze situatie geldende kinderbijdrage kunnen afspreken.
3.4.23.De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft, wordt geacht de verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. De man betaalt deze dus voor [minderjarige 1] en de vrouw voor [minderjarige 2] .
3.4.24.Omdat de behoefte van de kinderen € 1.540,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 540,- (afgerond) per maand.
3.4.25.Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt € 35,-, zodat de helft daarvan is € 17,-.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 540,-, zodat resteert
€ 540,- - € 17, = € 523,-
De zorgkorting minus het tekort aan draagkracht per kind bedraagt
€ 523,- : 3 = € 174,- per kind.
3.4.26.Voor de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] (en fictief voor [jong-meerderjarige] ) betekent dit:
de zorgkorting minus het tekort aan draagkracht van twee kinderen x € 174,- = € 349,- komt in mindering op de eerder berekende bijdrage voor de man:
€ 360,- per kind x twee kinderen - € 349,- = € 371,- per maand. Dit is € 185,- per maand per kind. De aan de man voor [minderjarige 2] op te leggen bijdrage wordt dus € 185,- per maand.
3.4.27.Voor de door de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] betekent dit:
de zorgkorting minus het tekort aan draagkracht voor één kind, te weten € 174,- komt in mindering op de eerder berekende bijdrage voor de vrouw:
€ 142,- - € 174,- = € 32,- negatief.
Aan de vrouw wordt dus geen kinderbijdrage opgelegd. Het aandeel van de vrouw voor [minderjarige 1] gebruikt zij als [minderjarige 1] bij haar verblijft.
3.4.28.Gezien het voorgaande is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] van € 185,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderbijdrage wordt afgewezen.
3.4.29.Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.4.30.Voor [minderjarige 1] geldt dat de man geacht wordt de verblijfsoverstijgende kosten te betalen. Het aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] heeft zij nodig voor als [minderjarige 1] bij haar verblijft. Aan haar wordt daarom geen kinderbijdrage opgelegd.
3.4.31.Voor [jong-meerderjarige] geldt dat in deze echtscheidingsprocedure geen bijdrage voor hem kan worden vastgelegd.