Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6184

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/8945
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5, tweede lid, sub b, onderdeel 4 Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZArt. 7:11 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel verlaging bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op arbeidsgesprek

Eiser, een alleenstaande man van 62 jaar, kreeg op grond van de Participatiewet een bijstandsuitkering met de verplichting tot arbeidsinschakeling. Hij verscheen niet op een geplande afspraak bij een potentiële werkgever, zonder geldige reden of bericht van verhindering. Het college legde daarop een maatregel op van 30% verlaging van zijn uitkering voor één maand.

Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was, de grondslag was gewijzigd en dat hij onvoldoende informatie had over het gesprek, dat in een oriënterende fase was zonder concrete vacature. De rechtbank oordeelde dat het college terecht de maatregel handhaafde, omdat eiser wist wanneer en waar hij moest verschijnen en geen geldige reden had voor zijn afwezigheid.

De rechtbank verwierp ook het betoog dat het besluit disproportioneel was, omdat het college rekening had gehouden met de persoonlijke en financiële situatie van eiser. De maatregel was gematigd en passend bij de ernst van de gedraging. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de maatregel van 30% verlaging van de bijstandsuitkering voor één maand wegens het zonder geldige reden niet verschijnen op een arbeidsgesprek.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. Z. Abachi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen een aan hem door het college opgelegde maatregel op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht een maatregel van 30% minder bijstandsuitkering heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 13 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college eiser een maatregel opgelegd, inhoudende dat zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) vanaf 1 juni 2025 voor de duur van één maand met 30% wordt verlaagd.
2.1.
Met een besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de grondslag, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel in stand gelaten.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van het college aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben de rechtbank bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is een alleenstaande man van 62 jaar. Met een besluit van 10 augustus 2021 is aan eiser per 2 augustus 2021 een uitkering toegekend op grond van de Pw. Daardoor is er de verplichting zich aan bepaalde regels te houden, waaronder regels inzake de arbeidsinschakeling. Als men zich niet aan deze regels houdt kan een maatregel worden opgelegd door de uitkering te verlagen. Op 10 april 2025 heeft eiser een afsprakenplan ondertekend waarin is afgesproken dat eiser op 11 april 2025 om 10.00 uur een afspraak heeft bij [bedrijf] in winkelcentrum Binnenhof, Ommoord. Eiser is op deze afspraak niet verschenen. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen, omdat eiser algemeen geaccepteerde arbeid zou hebben geweigerd.
4. Met het bestreden besluit heeft het college, onder wijziging van de grondslag, de maatregel gehandhaafd. Eiser is op 11 april 2025 niet op het gesprek bij [bedrijf] verschenen, waardoor sprake is van een gedraging als bedoeld in artikel 5, tweede lid, sub b, onderdeel 4, van de Verordening maatregelen en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ (de Verordening). Op 13 mei 2025 heeft hierover een hoor-en wederhoorgesprek plaatsgevonden. Een eerder gesprek op 22 april 2025 is door eiser afgezegd omdat hij een afspraak had bij een kaakchirurg. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser zonder bericht van verhindering niet is verschenen op een gesprek over de arbeidsmogelijkheden.
Het standpunt van eiser
5. Eiser betoogt dat het primaire besluit onzorgvuldig en op onjuiste gronden is genomen, omdat het college in het bestreden besluit de grondslag heeft gewijzigd. Eiser betoogt verder dat de kwalificatie van de gedraging als verwijtbaar onjuist is. Eiser heeft voorafgaand aan het geplande gesprek geen contactgegevens van de werkgever ontvangen, en er was geen duidelijkheid over de aard van het gesprek, de werkzaamheden of het doel daarvan. Vaststaat inmiddels dat sprake was van een oriënterende fase, zonder concrete vacature en zonder zekerheid dat überhaupt een proefplaatsing zou worden aangeboden. In een dergelijke fase kan niet dezelfde mate van verplichting worden verlangd als bij concrete
arbeidsinschakeling.
Eiser betoogt dat de omstandigheden dat hij een kwetsbare achtergrond heeft met een geschiedenis van dakloosheid en kampt met fysieke en mentale beperkingen door het college geheel terzijde zijn geschoven. Eiser raakte door de gebrekkige communicatie en onduidelijkheid over het gesprek in onzekerheid en stress, wat leidde tot terughoudendheid. Van volledige verwijtbaarheid is dan ook geen sprake, aldus eiser. Eiser betoogt dat de beoordeling van verwijtbaarheid onvoldoende is gemotiveerd en gaat voorbij aan relevante persoonlijke omstandigheden. Eiser betoogt dat het college heeft nagelaten te onderzoeken welke rol de gebrekkige communicatie door de jobhunter heeft gespeeld en waarom eiser het ontbreken daarvan volledig zou moeten dragen.
Eiser betoogt dat de besluitvorming disproportioneel is. De opgelegde verlaging van 30% gedurende één maand treft eiser zeer zwaar, mede omdat hij geen financiële buffer heeft. De Centrale Raad van Beroep heeft herhaaldelijk geoordeeld dat bij lichte of eerste gedragingen, en met name wanneer sprake is van een beperkte verwijtbaarheid, een waarschuwing het aangewezen instrument is. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom in deze zaak niet met een waarschuwing kon worden volstaan, terwijl de omstandigheden van eiser daartoe wel aanleiding geven. Daarmee is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Eiser betoogt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het college erkent enerzijds dat sprake was van een oriënterende fase zonder concrete arbeidsrelatie, maar motiveert anderzijds niet waarom toch een zware maatregel wordt opgelegd. De persoonlijke omstandigheden worden slechts benoemd, zonder dat wordt uitgelegd waarom zij niet leiden tot verminderde verwijtbaarheid. Ook wordt niet onderbouwd waarom de onduidelijkheid over de aard van het gesprek geen betekenis heeft voor de verwijtbaarheid. Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid nu het college geen nader onderzoek heeft gedaan naar de communicatie rond de afspraak, evenmin naar de belastbaarheid van eiser, terwijl dat gelet op diens leeftijd en kwetsbaarheid wel op zijn plaats was.
Het oordeel van de rechtbank
6. Het betoog van eiser dat het primaire besluit onzorgvuldig en op onjuiste gronden is genomen, omdat het college in het bestreden besluit de grondslag heeft gewijzigd, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898, staat artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet in de weg aan handhaving in bezwaar van een besluit op een andere grond dan die waarop het primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging. Eiser is, ondanks gemaakte afspraken, niet verschenen op de afspraak van 11 april 2025 die rechtstreeks verband hield met zijn arbeidsinschakeling. In bezwaar is uitsluitend de juridische grondslag gecorrigeerd naar de bepaling die beter aansluit bij de feitelijke gedraging van eiser, namelijk het niet verschijnen op een gesprek over arbeidsmogelijkheden. Dat maakt het primaire besluit niet onzorgvuldig op een wijze die niet herstelbaar zou zijn.
7. Met het bestreden besluit heeft het college op juiste gronden opnieuw beoordeeld welke verplichting op eiser rustte en hoe de gedraging moest worden gekwalificeerd. Aan de maatregel is ten grondslag gelegd dat eiser niet is verschenen op een concreet geplande afspraak, en niet dat hij arbeid heeft geweigerd. Eiser wist immers op welke datum en tijd hij verwacht werd, op welke locatie hij moest verschijnen, met welke werkgever contact was gelegd en dat het gesprek verband hield met mogelijke werkzaamheden. Eiser heeft geen objectieve of zwaarwegende reden(en) aangevoerd voor het niet verschijnen op de afspraak. Er is geen medische verhindering, overmachtssituatie of andere rechtvaardigingsgrond aangetoond door eiser. Dat hij liever meer informatie vooraf had ontvangen, rechtvaardigt niet dat hij niet op de afspraak verschijnt. Hij had ook bij het gesprek om die informatie kunnen vragen. Eisers leeftijd en het feit dat hij in het verleden dakloos is geweest maken niet dat hij niet gehouden was medewerking te verlenen aan arbeidsinschakeling. Zolang een betrokkene bijstand ontvangt en geen vrijstelling van arbeidsverplichtingen is verleend, rusten op hem de wettelijke verplichtingen uit de Participatiewet en de daarop gebaseerde Verordening. Eiser was daarom gehouden te verschijnen op de afspraak die was georganiseerd in het kader van zijn kansen op werk. Door niet te verschijnen heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan re-integratie en arbeidsinschakeling. Gelet hierop heeft het college terecht geoordeeld dat sprake is van verwijtbaar gedrag. Het college heeft de maatregel al gematigd. Hoewel op grond van de Verordening een zwaardere maatregel mogelijk was, heeft het college rekening gehouden met de financiële en persoonlijke positie van eiser en de verlaging beperkt tot 30% voor één maand. Het college heeft daarmee blijk gegeven van een zorgvuldige en evenredige belangenafweging. Eisers betoog dat zijn persoonlijke omstandigheden terzijde zijn geschoven, slaagt daarom evenmin.
8. Het betoog dat sprake was van zodanig gebrekkige communicatie dat hij redelijkerwijs niet hoefde te verschijnen, slaagt evenmin. Tijdens het gesprek van 10 april 2025 is in aanwezigheid van de werkcoach en de jobhunter contact gelegd met de potentiële werkgever en is vervolgens een afspraak gemaakt voor 11 april 2025 om 10:00 uur. De werkcoach heeft aan eiser de gegevens van het gesprek alvast op een geschreven papiertje meegegeven. Eiser beschikt over de essentiële informatie om aan de afspraak te voldoen, namelijk de datum, tijd, plaats en context van het gesprek. Indien eiser nadere vragen had of sprake was van onzekerheid, had het op zijn weg gelegen tijdig contact op te nemen met zijn contactpersonen in plaats van niet te verschijnen. Van een uitkeringsgerechtigde mag worden verwacht dat deze zelf tijdig aangeeft wanneer sprake is van onduidelijkheid, verhindering of gezondheidsproblemen. Hiervan is geen sprake geweest. De verwijtbaarheid volgt uit het zonder geldige reden niet verschijnen op een concreet geplande afspraak in het kader van arbeidsinschakeling.
9. Het betoog dat de besluitvorming disproportioneel is volgt de rechtbank niet, nu het college uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de financiële positie van eiser. Het zonder geldige reden niet verschijnen op een concreet ingeplande afspraak met een werkgever of in het kader van arbeidsmogelijkheden belemmert rechtstreeks het traject naar werk. Van een lichte gedraging is dan ook geen sprake. Dat er eerst een waarschuwing aan eiser zou moeten worden gegeven, volgt de rechtbank evenmin. Uit het dossier blijkt dat eiser vaker afspraken niet is nagekomen, heeft afgezegd of zonder afdoende reden niet is
verschenen. De onderhavige gedraging staat dus niet op zichzelf. Juist tegen die achtergrond had het college niet hoeven te volstaan met een waarschuwing.
10. Eiser betoog dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, slaagt niet. Het college heeft de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de gevolgen voor de eiser afgewogen. Dat heeft geleid tot een beperkte verlaging. De bestaanszekerheid van eiser is daarbij nadrukkelijk betrokken.
11. Eisers betoog dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd, slaagt ook niet. Het college heeft in het besluit het feitencomplex uiteengezet, uitgelegd waarom de gedraging van eiser valt onder het niet verschijnen op een gesprek over arbeidsmogelijkheden, waarom aanleiding bestond een maatregel op te leggen en waarom die maatregel is gematigd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een zware maatregel. Het college heeft de maatregel juist aanzienlijk gematigd, terwijl op basis van de Verordening een zwaardere reactie mogelijk was. Het college heeft eisers persoonlijke omstandigheden ook betrokken bij de besluitvorming. Gelet hierop heeft het college de besluitvorming zorgvuldig voorbereid en is er geen aanleiding tot aanvullend onderzoek naar belastbaarheid of communicatie, nu eiser voorafgaand aan de afspraak geen medische verhindering heeft gemeld en geen concrete aanwijzingen bestonden dat hij de afspraak niet kon begrijpen of nakomen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.