ECLI:NL:RBROT:2026:6176
Rechtbank Rotterdam
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ontheffing arbeidsverplichtingen wegens onvoldoende bewijs arbeidsongeschiktheid
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam terecht ontheffing van arbeidsverplichtingen had verleend aan eiseres tot en met 28 februari 2026. Eiseres stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat zij hiervoor een begin van bewijs had geleverd.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs had overgelegd ter onderbouwing van haar stelling. Zij had geen medische stukken of verklaringen van behandelaars overgelegd waaruit bleek dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Ook verwees de rechtbank naar een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die eiseres en haar gemachtigde op de hoogte had kunnen brengen van de vereisten voor bewijs.
Het beleid van het college om bij niet-duurzame arbeidsongeschiktheid ontheffing voor maximaal twee jaar te verlenen werd als niet onredelijk beoordeeld, omdat dit het college in staat stelt de situatie te monitoren. Eiseres had geen concrete feiten aangevoerd die het college zouden verplichten van dit beleid af te wijken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af en wees partijen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de ontheffing van arbeidsverplichtingen is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.