Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6044

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717638 KG ZA 26-322
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 RvArt. 7 RvArt. 10:3 BWArt. 21 RvArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzagevordering wegens gebrek aan belang en strijd met goede procesorde

Eiser vordert inzage in documenten en communicatie tussen gedaagden en derden met betrekking tot een vermeende overdracht van een leningvordering en incassowerkzaamheden. De rechtbank stelt vast dat er een langdurig geschil bestaat over leningen voor investeringen in Iran, waarbij eerdere vonnissen eiser tot terugbetaling hebben veroordeeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vordering tot inzage onvoldoende belang heeft omdat eiser reeds over de relevante informatie beschikt en de gevorderde inzage prematuur is, aangezien zich nog geen concreet geschil aftekent. Ook is onvoldoende aannemelijk dat gedaagde [naam 1] betrokken is bij de gestelde constructie, mede gelet op een mogelijk identiteitsdiefstal en het ontbreken van bewijs uit het bewijsbeslag.

Verder is geen spoedeisend belang aanwezig, ook niet in het licht van een voorgenomen bodemprocedure. De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten van beide gedaagden, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De inzagevorderingen worden afgewezen wegens gebrek aan belang, strijd met de goede procesorde en onvoldoende spoedeisend belang; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717638 / KG ZA 26-322
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats ] ,
eisende partij,
advocaten: mr. O.V. Lamme en mr. M.A. Theodoridis
tegen

1.[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J. van der Duijn Schouten,
2.
[naam 2],
wonende te [plaats 2]
advocaten: mr. E.E.U. Vroom, mr. I. Koudstaal en mr. J.M. Schepel
Partijen worden hierna [eiser] , [naam 1] en [naam 2] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Tussen [eiser] en [naam 2] bestaat al jarenlang een geschil over leningen van [naam 2] aan [eiser] voor een investering in steengroeven in Iran . Volgens [eiser] heeft [naam 2] een deel van de lening overgedragen aan een derde en [eiser] wil inzage in stukken die hierop betrekking hebben. [naam 1] zou in het kader van die overdracht een rol spelen, omdat zij te incasseren gelden aan [naam 2] zou uitbetalen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 10 april 2026 met producties 1 tot en met 18;
- de conclusie van antwoord van [naam 1] met producties 1 tot en met 6;
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 19 tot en met 21;
- de conclusie van antwoord van [naam 2] met producties 1 tot en met 18;
- de akte overlegging producties tevens wijziging eis van [eiser] met producties 22 tot en met 28;
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2025;
- de pleitnota van [eiser] ;
- de pleitnota van [naam 1] met een urenoverzicht van de advocaat van [naam 1] ;
- de pleitnota van [naam 2] .
3. De feiten
3.1.
[naam 2] en zijn holdingvennootschap [bedrijf] hebben tussen juni 2015 en december 2016 op grond van een twaalftal leningsovereenkomsten een bedrag van € 75.349.430,= verstrekt aan [eiser] ten behoeve van het doen van investeringen in steengroeven in Iran . Tussen [eiser] en [naam 2] is een geschil ontstaan over deze overeenkomsten.
3.2.
De rechtbank Amsterdam heeft bij voorraad verklaard vonnis van 26 juli 2023 [eiser] (onder meer) veroordeeld tot terugbetaling van de uitgeleende bedragen. Het vonnis is op dit punt bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 6 januari 2026. [eiser] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest en heeft (nog) niet aan de veroordelingen voldaan.
3.3.
Op 13 maart 2023 heeft de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) [naam 2] benaderd met een aanbod voor hulp bij het geschil tussen [eiser] en [naam 2] . [naam 3] schrijft:

I met [naam 4] yesterday in Malaysia. We talked about you and he casually told me that you have problems with your business partner or with the company in Iran . Due to my good connections to government employees (military) at the moment, I may be able to help you. But I need more information from you. I am regularly in Dubai and Oman, if you are there for the next time, we are welcome to meet and sit down together and talk about how I can help you. I think that I can settle this matter for you.”
3.4.
Op 21 juni 2023 sloten [naam 2] en [naam 3] een overeenkomst waarin staat:

[naam 2] is selling his debt to [ [naam 3] ]
-instalment fee € 250.000,-
-total amount 75 million euro
-commissie 5% when the amount is handed over in dubai
-amount of costs to be agreed on
-250.00,-- euro under garanti of [ [naam 3] ] personally
3.5.
Op 23 januari 2024 stuurt [naam 3] een bericht aan [naam 2] waarin is opgenomen dat [naam 3] en [naam 2] een nader document moeten opmaken voor de Iraanse regering. In dat document zou, volgens [naam 3] , moeten staan dat een deel van het door [naam 2] aan [eiser] verstrekte bedrag toebehoort aan [naam 3] . In een overeenkomst van 26 april 2024 tussen [naam 2] en [naam 3] is opgenomen:

Whereas [ [naam 2] ] is owed the amount of (…) 75.349.430 Euro (…) pursuant to the court order (…) dated 26 July 2023 (…)
Whereas [ [naam 3] is a partner is the due amount in the portion equivalent to 25.000.000. and is entitled to receive the amount
Whereas [ [naam 2] ] has confirmed the amount of 25.000.000 euro belongs to [ [naam 3] ] (…)
Therefore it has been agreed between the Parties as follows: From the total amount mentioned above, the amount of 25.000.000 belongs to [ [naam 3] ].
3.6.
Op 6 november 2024 is een verklaring opgemaakt op naam van [naam 1] , waarin staat dat [naam 1] een bedrag van € 115 miljoen in contanten zal betalen aan [naam 2] in deelbetalingen van € 5 miljoen. Bij deze verklaring zit een kopie van het paspoort van [naam 1] .
3.7.
[naam 2] en [naam 3] hebben op 15 april 2025 een document laten legaliseren waarin is opgenomen dat [naam 2] aan [naam 3] een bedrag van AED 74 miljoen is verschuldigd. [naam 3] is daarna een procedure gestart tegen [naam 2] in Dubai en heeft aanspraak gemaakt op betaling van dit bedrag. [naam 2] is daartoe bij vonnis van 21 oktober 2025 veroordeeld door de rechtbank in Dubai. Op 8 december 2025 hebben [naam 2] en [naam 3] een overeenkomst getekend waarin zij hun geschil hebben beëindigd. Hierin staat:

this settlement terminates all prior agreements, understandings, or obligations between them, whether written or oral (…)
3.8.
Op 27 maart 2026 heeft [eiser] bewijsbeslag gelegd bij [naam 1] . Op 30 maart 2026 heeft [eiser] [naam 1] gesommeerd om zich te verbinden tot afgifte van de in beslag genomen stukken en overige stukken waar het bewijsbeslag op ziet, het afleggen van diverse verklaringen en het verlenen van medewerking en betaling van de kosten van het beslag op straffe van verbeurte van een boete. [naam 1] heeft hier niet mee ingestemd. [naam 1] heeft de negen in bewijsbeslag genomen stukken overgelegd in dit kort geding (productie 4 bij de conclusie van antwoord).

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert (in verschillende varianten) – kort samengevat en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. [naam 1] beveelt om binnen zeven dagen na dit vonnis afschrift te vertrekken van communicatie, documenten en andere gegevensdragers vanaf 13 maart 2023 die betrekking hebben op de afspraken en de communicatie tussen [naam 1] enerzijds en [naam 2] ,
[naam 3] en andere derden anderzijds, voor zover deze afspraken en communicatie betrekking hebben op (I) de totstandkoming van de verklaring van 6 november 2024, (II) de uitvoering van de toezegging van de verklaring van 6 november 2024, en (III) andere onderdelen van de constructie/afspraken over (de vordering op) [eiser] , op de wijze zoals omschreven in de dagvaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2. [naam 2] beveelt om binnen zeven dagen na dit vonnis afschrift te vertrekken van communicatie, documenten en andere gegevensdragers uit de periode 13 maart 2023 tot de datum van dit vonnis die betrekking hebben op de afspraken en de communicatie tussen [naam 2] enerzijds en [naam 1] , [naam 3] en andere derden anderzijds, voor zover deze afspraken en communicatie betrekking hebben op (I) de verkoop van de vordering op [eiser] aan [naam 3] , inclusief de totstandkoming ervan, (II) het incasseren van de vordering op [eiser] door [naam 3] of andere derden, en alle pogingen daartoe, waaronder ook de pogingen met hulp van de Iraanse regering en het Iraanse leger, (III) de totstandkoming van de fictieve en onwettige overeenkomst van 26 april 2024, (IV) de totstandkoming van de verklaring van [naam 1] van 6 november 2024, en (V) de betalingen (via [naam 1] ) aan [naam 2] , op de wijze zoals omschreven in de dagvaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3. [naam 1] veroordeelt in de kosten van het bewijsbeslag van 27 maart 2026.
4. [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[naam 1] en [naam 2] voeren, ieder voor zich, verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
[naam 1] heeft haar gewone woonplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 Rv Pro. [naam 2] heeft zijn woonplaats niet in Nederland. Volgens [eiser] woont [naam 2] in Dubai, maar [naam 2] weerspreekt dit en stelt in [plaats 2] zijn woonplaats te hebben. De voorzieningenrechter ziet mede gelet op het gebrek aan onderbouwing van het standpunt van [eiser] – en gelet op alle rechterlijke beslissingen in zaken tussen [eiser] en [naam 2] waarin steeds [plaats 2] als woonland van [naam 2] staat vermeld – geen reden om aan deze verklaring van [naam 2] te twijfelen, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [naam 2] in [plaats 2] woonachtig is. Wat daar ook van zij [naam 2] heeft de stelling van [eiser] dat de voorzieningenrechter ook ten aanzien van [naam 2] rechtsmacht heeft, en wel op grond van artikel 7 Rv Pro, niet betwist. De voorzieningenrechter is overigens van oordeel dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van de zaken tegen [naam 1] en [naam 2] rechtvaardigen omdat aan de vorderingen, in ieder geval deels, hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt.
5.2.
Over de vraag welk recht op de ingestelde vorderingen van toepassing is, wordt het volgende overwogen. Uit artikel 10:3 BW Pro volgt dat over de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter, waaronder begrepen het al dan niet uitvoeren van voorlopige bewijsverrichtingen, het Nederlandse recht van toepassing is. Op deze procedure zoals bedoeld in artikel 196/197 Rv is daarom Nederlands recht van toepassing.
Verzoeken om gedeeltelijke behandeling achter gesloten en om een bevel geheimhouding aan [naam 1] op te leggen worden afgewezen
5.3.
[eiser] heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om een deel van de zitting achter gesloten deuren te houden en om [naam 1] op grond van artikel 28 Rv Pro te verbieden om mededeling te doen van bepaalde gegevens die [naam 2] heeft overgelegd in deze procedure. Het gaat [eiser] hierbij om productie 3 (het strafdossier van het FIOD-onderzoek over [eiser] ), productie 10 (de inkomens- en vermogensopgave van [eiser] ) en productie 11 (het exploot waarin productie 10 wordt besproken) van [naam 2] . De inhoud daarvan zou, als die ter sprake zou komen, achter gesloten deuren moeten worden besproken.
5.4.
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. De verzoeken zijn deels gebaseerd op veronderstellingen die [naam 1] betwist. Het argument van [eiser] dat bedoelde stukken niet in handen van [naam 3] mogen komen, overtuigt niet, alleen al niet vanwege de contacten tussen [naam 2] en [naam 3] , waar [eiser] een beroep op doet. Vast staat dat [naam 2] beschikt over de genoemde stukken, hij heeft deze immers overgelegd. Dat brengt met zich dat afgevraagd moet worden of bij een eventuele schending van een verbod wel kan worden achterhaald of [naam 1] dat verbod heeft geschonden of dat [naam 2] , of misschien zelfs wel [naam 3] , dit was. [naam 1] heeft bovendien aangevoerd dat zij [eiser] noch [naam 2] kent en geen reden heeft om enige gegevens die in deze procedure zijn overgelegd kenbaar te maken aan derden. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, alleen al niet omdat [eiser] zelf allerlei processtukken overlegt uit buitenlandse procedures waarin hij geen partij was. Dat roept, in ieder geval vanuit Nederlands procesrechtelijk perspectief, de nodige vragen op. [eiser] heeft, zonder enige verwijzing naar een specifiek wetsartikel, gesteld dat dit in Dubai mogelijk is, wat [naam 2] op zijn gemotiveerd betwist heeft.
[eiser] heeft de waarheids- en volledigheidsplicht geschonden
5.5.
[eiser] heeft in de dagvaarding naar het oordeel van de voorzieningenrechter een onvolledige weergave van de relevante feiten gegeven. Zo heeft hij bijvoorbeeld, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte, nagelaten relevante informatie over het al jaren lopende achterliggende geschil tussen [eiser] en [naam 2] achterwege heeft gelaten. In de dagvaarding is ook niet kenbaar gemaakt dat [eiser] over relevante stukken met betrekking tot het onderwerp van deze procedure beschikte en dat hij nog voornemens was die in te dienen. Dat klemt mede omdat in de dagvaarding is vermeld dat [eiser] alle voor hem beschikbare informatie al bij dagvaarding zou overleggen. [eiser] heeft vervolgens pas kort voor de zitting deze honderden pagina’s aan stukken ingediend als aanvullende producties, terwijl gebleken is dat [eiser] al voor betekening van de dagvaarding in deze procedure over deze stukken beschikte. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn er bovendien vraagtekens te zetten bij de wijze waarop deze stukken, voornamelijk processtukken uit de procedure in Dubai tussen [naam 2] en [naam 3] , zijn verkregen.
5.6.
De voorzieningenrechter kan bij schending van artikel 21 Rv Pro de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Gelet op het feit dat de schending mede betrekking heeft op de waarheidsplicht, heeft dit gevolgen voor de waardering van de stellingen van [eiser] in deze procedure.
Toetsingskader
5.7.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.8.
Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv Pro). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan een rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 Rv Pro). In spoedeisende gevallen kan het verzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter (artikel 197 Rv Pro), zonder dat gezegd kan worden dat een inzagevordering per definitie een spoedeisend belang oplevert. Het uitgangspunt van de wetgever daarbij is dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid tot het voeren van een kort geding procedure om inzage te vragen blijft bestaan. Inzage kan daarom ook gevorderd worden in een dagvaardingsprocedure in kort geding. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat:
a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Standpunt [eiser]
5.9.
Volgens [eiser] heeft [naam 2] (en in het verlengde van [naam 2] [naam 1] ) – in de kern genomen – onrechtmatig jegens hem gehandeld, omdat [naam 2] zijn vordering op [eiser] heeft verkocht, althans overgedragen aan [naam 3] en [naam 1] dit onrechtmatige handelen deels heeft gefaciliteerd. Voor zover de vordering niet is verkocht of overgedragen is de door [naam 2] aan [naam 3] gegeven opdracht tot incasso onrechtmatig, omdat [naam 3] kenbaar zou hebben gemaakt te beschikken over contacten bij de Iraanse Nationale Garde die hem konden bijstaan bij het innen van de vordering van [naam 2] .
5.10.
Volgens [eiser] heeft hij belang bij inzage, zodat hij zijn rechtspositie kan bepalen. Aan de hand van de te verstrekken gegevens kan hij bepalen wie rechthebbende is op de vordering op hem, wat de omvang van deze vordering is, welke incassomaatregelen jegens hem zijn of nog worden ondernomen door [naam 3] en of [naam 2] de overdracht van de vordering heeft verzwegen in gerechtelijke procedures of onderhandelingen.
Er zijn afwijzingsgronden voor de vorderingen van [eiser]
5.11.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij de gevorderde inzage en dat de gevorderde inzage in strijd is met de goede procesorde zoals bedoeld in artikel 196 lid 2 sub b en Pro sub c Rv. [eiser] heeft ook onvoldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. Hiervoor is het volgende redengevend.
[naam 2] heeft zijn vordering niet gecedeerd aan [naam 3]
5.12.
[eiser] stelt dat [naam 2] zijn vordering heeft gecedeerd aan [naam 3] . Dat blijkt volgens hem uit diverse overgelegde stukken, waaronder meerdere overeenkomsten tussen [naam 2] en [naam 3] . Op de overdracht van de vordering van [naam 2] op [naam 3] is het recht van Dubai van toepassing en volgens dat recht is er geen mededeling vereist voor de overdracht, zoals het Nederlandse recht die verplichting op grond van artikel 3:94 lid 1 BW Pro wel kent. De vordering is daarom overgedragen met het sluiten van de voornoemde overeenkomst door [naam 2] en [naam 3] .
5.13.
[naam 2] betwist dat de vordering is gecedeerd. Met de overeenkomsten tussen [naam 2] en [naam 3] was geen overdracht van de vordering van [naam 2] op [eiser] bedoeld. Ook als daarover anders wordt geoordeeld, volgt uit de door [eiser] overgelegde stukken dat de overeenkomsten tussen [naam 2] en [naam 3] waar [eiser] een beroep op doet inmiddels niet (meer) gelden en dat er geen rechtsverhoudingen meer bestaan tussen [naam 2] en [naam 3] . Zelfs als daarover anders wordt geoordeeld, en wordt uitgegaan van een cessie, dan is op de cessie Nederlands recht van toepassing en aan [eiser] is geen mededeling gedaan zoals bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW Pro, zodat er geen overdracht van de vordering heeft plaatsgevonden en er geen wijziging is geweest in de (rechts)positie van [eiser] .
5.14.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is op een (eventuele) cessie van de vorderingen van [naam 2] op [eiser] – van welke mogelijke cessie overigens onvoldoende aannemelijk is dat [naam 3] daar op dit moment nog enig recht aan zou kunnen ontlenen – en dat deze vordering niet is overgedragen.
5.15.
Op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 1 Rome I [1] is worden betrekkingen tussen cedent en cessionaris uit hoofde van een contractuele subrogatie van een vordering op de schuldenaar beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. Op grond van het bepaalde in artikel 14, lid 2 Rome I bepaalt het recht dat de gecedeerde vordering beheerst, de vraag of de vordering voor cessie vatbaar is alsmede de betrekkingen tussen cessionaris en schuldenaar, de voorwaarden waaronder de cessie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd.
5.16.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 6 januari 2026 geoordeeld dat op de leningsovereenkomsten tussen [naam 2] en [eiser] Nederlands recht van toepassing is. De voorzieningenrechter neemt dat oordeel gelet op de afstemmingsregel over. Aangezien Nederlands recht van toepassing is op de leningsovereenkomsten tussen [naam 2] en [eiser] , is op grond van artikel 14 lid 1 Rome Pro I het Nederlands recht ook van toepassing op een (eventuele) cessie.
5.17.
Dit brengt met zich dat voor de rechtsgeldigheid van de overdracht van de vordering een mededeling zoals bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW Pro vereist is. Het is niet in geschil dat een dergelijke mededeling niet is gedaan. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen overdracht van de vordering van [naam 2] op [eiser] aan [naam 3] plaatsgevonden, voor zover dit niet reeds al uit de overige overgelegde stukken blijkt. [eiser] kan dan ook geen belang hebben bij inzage in enige gegevens met betrekking tot een overdracht van een vordering door [naam 2] aan [naam 3] , nu aangenomen wordt dat deze niet heeft plaatsgevonden in de zin van niet voltooid is.
[naam 3] verrichte geen incassohandelingen
5.18.
Uit de door [eiser] overgelegde processtukken wordt afgeleid dat [naam 3] geen (incasso)werkzaamheden voor [naam 2] heeft verricht. Daarnaast blijkt dat [naam 2] en [naam 3] hun geschil tegen finale kwijting hebben geregeld, waaruit volgt dat [naam 3] dergelijke werkzaamheden ook niet in de toekomst zal verrichten.
5.19.
Verder heeft [eiser] gesteld, noch is gebleken dat [naam 3] op enig moment enige incassowerkzaamheden heeft verricht of dat wat heeft plaatsgevonden tussen [naam 2] en [naam 3] in het kader van de opdracht van [naam 2] aan [naam 3] enige feitelijke of juridische gevolgen voor [eiser] heeft of heeft gehad, en van enige betrokkenheid van de Iraanse Nationale Garde is al helemaal niets gesteld of gebleken.
5.20.
Gelet op het voorgaande heeft [eiser] geen belang bij inzage in enige informatie met betrekking tot met betrekking tot de gestelde (incasso)werkzaamheden.
[eiser] beschikt reeds over informatie waarvoor hij inzage wenst
5.21.
[eiser] stelt dat hij belang heeft bij inzage in de gevorderde gegevens om zijn rechtspositie te bepalen ten aanzien van een aantal onderwerpen. Uit de door [eiser] in dit kort geding overgelegde stukken blijkt het antwoord op dit vragen al. Zoals in het voorgaande al overwegen volgt uit deze stukken immers wie rechthebbende is op de vordering van [naam 2] op [eiser] en wat de omvang is van die vordering. Tevens blijkt uit de stukken dat [naam 3] geen incassomaatregelen heeft verricht en deze niet (meer) zal verrichten, alsmede wat de verhouding is tussen [naam 2] en [naam 3] met betrekking tot de vordering van [naam 2] op [eiser] , waaronder welke overeenkomsten tussen hen zijn gesloten en welke correspondentie is gewisseld met betrekking tot de door [naam 2] aan [naam 3] gegeven opdracht.
5.22.
[eiser] beschikt gelet op het voorgaande reeds over alle informatie die hij stelt te kunnen bemachtigen met de gevorderde inzage. [eiser] heeft onvoldoende toegelicht waarom de gevorderde (overige) informatie relevant kan zijn voor zijn rechtspositie. Gelet daarop ontbreekt het [eiser] aan belang bij de gevorderde inzage.
Betrokkenheid van [naam 1] is onvoldoende aannemelijk
5.23.
De door [eiser] gestelde rol van [naam 1] is onvoldoende aannemelijk geworden. [eiser] stelt dat [naam 1] heeft samengewerkt met [naam 2] en [naam 3] om de door [naam 3] geïncasseerde gelden over te brengen naar [naam 2] .
5.24.
[naam 1] betwist dat zij [naam 2] of [naam 3] kent of dat zij een verklaring genoemd onder 3.6 heeft opgesteld of ondertekend. Het is wel juist dat een kopie van haar paspoort is opgenomen bij die verklaring, maar volgens haar is het mogelijk dat deze kopie kan zijn verkregen bij een datalek en dat mogelijk sprake is van identiteitsdiefstal. Zij voert aan dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [naam 2] of [naam 3] de hulp van een (voormalig) schoonheidsspecialiste zouden inschakelen voor de geschetste constructie waarbij zij miljoenen in contanten zou vervoeren voor [naam 2] of [naam 3] . Bij [naam 1] is bovendien onaangekondigd bewijsbeslag gelegd en uit dat bewijsbeslag blijkt niet dat [naam 1] [naam 2] of [naam 3] kent of dat zij over enige stukken met betrekking tot [naam 2] of [naam 3] beschikt.
5.25.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [naam 1] betrokken is geweest bij het door [eiser] gestelde feitencomplex. De enkele omstandigheid dat een kopie van haar paspoort als bijlage bij een verklaring op haar naam is gevoegd is daarvoor onvoldoende. [eiser] heeft ook niets tegenover de betwisting door [naam 1] gesteld, in het bijzonder blijft onduidelijk waarom [naam 2] of [naam 3] juist [naam 1] zouden inschakelen voor het transport van grote hoeveelheden contant geld of hoe [naam 1] daarvoor zorg zou kunnen dragen. Andere aanknopingspunten zijn er niet. Bovendien is bij [naam 1] zonder vooraankondiging bewijsbeslag gelegd en daaruit zijn ook geen stukken voortgekomen waaruit van enige rol van [naam 1] blijkt. [eiser] heeft daarmee overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat [naam 1] over de gevorderde stukken kan beschikken, wat op zichzelf genomen ook een grondslag is om de gevorderde inzage bij [naam 1] af te wijzen.
Onvoldoende spoedeisend belang
5.26.
[eiser] stelt dat zijn spoedeisend belang uit de aard van de ingestelde vorderingen volgt. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Zoals hiervoor al is overwogen levert een vordering tot afschrift of inzage zichzelf genomen geen spoedeisend belang op.
5.27.
Volgens [eiser] volgt zijn spoedeisend belang daarnaast uit de omstandigheid dat hij op korte termijn een bodemprocedure tegen [naam 2] aanhangig wil maken waarin hij nakoming vordert van een volgens hem bestaande vaststellingsovereenkomst en dat hij de informatie die kan blijken uit de in dit kort geding gevorderde inzage nodig heeft voor die procedure. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. [eiser] heeft niet toegelicht waarom de gevorderde inzage leidt tot informatie die noodzakelijk is voor juist die bodemprocedure of de daarin in te stellen vorderingen. Verder is niet gebleken dat [eiser] enig belang heeft om die bodemprocedure op zeer korte termijn aanhangig te maken. Dat geldt temeer nu [eiser] nog geen enkele betaling aan [naam 2] heeft verricht. [eiser] heeft ook niet toegelicht waarom hij een verzoek voor een bewijsverrichting op de voet van artikel 195 Rv Pro niet zou kunnen doen in de bodemprocedure die hij aanhangig wil maken.
Strijd met de goede procesorde
5.28.
Een inzageverzoek kan worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde als zich nog geen concreet (potentieel) geschil aftekent. [2]
5.29.
In dit vonnis is reeds overwogen dat niet is gebleken dat wat zich tussen [naam 2] en [naam 3] heeft afgespeeld enige feitelijke of juridische gevolgen voor [eiser] heeft of heeft gehad, noch is gebleken dat [naam 1] daarbij betrokken was. [eiser] heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich reeds nu al een concreet (potentieel) geschil aftekent. Gelet daarop is de gevorderde inzage prematuur en daarmee in strijd met de goede procesorde.
Vorderingen van [eiser] worden afgewezen
5.30.
Uit het voorgaande blijkt dat sprake is van een of meer van de afwijzingsgronden zoals bedoeld in artikel 196 lid 2 Rv Pro. De vorderingen tot inzage van [eiser] worden daarom afgewezen. De vordering tegen [naam 1] tot betaling van de kosten van het bewijsbeslag wordt daarom ook afgewezen.
Vergoeding werkelijke proceskosten
5.31.
[naam 1] voert aan dat [eiser] nodeloos kosten voor haar heeft veroorzaakt, omdat het bewijsbeslag niets heeft opgeleverd. Zij heeft de paar door het bewijsbeslag geraakte gegevens bij conclusie van antwoord al overgelegd en [eiser] heeft desondanks toch deze procedure voortgezet. [eiser] maakt daarom misbruik van procesrecht, aldus [naam 1] , zodat [eiser] moet worden veroordeeld in de volledige proceskosten.
5.32.
Artikelen 237-240 Rv bevatten in beginsel een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Afwijking van deze regeling is enkel mogelijk in buitengewone omstandigheden. Daar is enkel sprake van als het instellen van een vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. [3] Een dergelijke situatie zou zich kunnen voordoen indien [eiser] reeds voor het bewijsbeslag bekend was met de omstandigheid dat [naam 1] niet over enige relevante stukken beschikte. Hier is niet van gebleken, zodat deze hoge drempel in dit geval niet wordt gehaald.
Proceskosten
5.33.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van zowel [naam 1] als [naam 2] betalen met de daarover gevorderde rente zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten worden voor ieder van hen begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.766,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.296,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.296,00, te betalen aan [naam 1] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.296,00, te betalen aan [naam 2] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 en ondertekend door mr. B. van Velzen.
4049 / 2009

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 598/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
2.Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 14.
3.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka/Achmea)