Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
24 december 2024 stelt.
26 februari 2023 niet over een geldige tewerkstellingsvergunning beschikte, terwijl de werknemer deze periode wel voor [bedrijf X] heeft gewerkt. Dat zowel eiseres als [bedrijf X] in overtreding waren, is dan ook duidelijk. Er was geen nader onderzoek, en daarmee handhavingscapaciteit, nodig om tot deze conclusie te komen. In zoverre is wel degelijk sprake van gelijke gevallen. Door onder voor de toepassing van het beleid gelijke omstandigheden slechts aan één van de bij de overtreding betrokken partijen een boete op te leggen, heeft de minister in strijd met het gelijkheidsbeginsel besloten. De rechtbank vernietigt de boete ter hoogte van € 4.000,- voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.
€ 18.000,- moet daarom met 5% worden gematigd tot € 17.100,-.
Conclusie en gevolgen
10 juli 2024 in zoverre.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 juni 2025 voor wat betreft de hoogte van de boete;
- herroept het primaire besluit van 10 juli 2024;
- bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 17.100,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit komt;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten van eiseres.