Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6015

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717924 / KG ZA 26-338
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke opheffing conservatoir beslag en vrijgave depotbedrag in kort geding

In deze kortgedingprocedure vorderen eiseressen de opheffing van alle conservatoire beslagen die door gedaagden zijn gelegd en de vrijgave van een bedrag in depot bij een notaris. De beslagen zijn gelegd in het kader van een geschil over de nakoming van een koopovereenkomst waarbij eiseres 1 haar aandelen in een bedrijf aan gedaagde 1 heeft verkocht. Na faillissement van het bedrijf heeft gedaagde 2 de vorderingsrechten overgenomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit een eerder vonnis van de bodemrechter blijkt dat de door gedaagden ingeroepen rechten summierlijk ondeugdelijk zijn, maar dat dit niet automatisch leidt tot opheffing van alle beslagen. Een belangenafweging is vereist waarbij het belang van gedaagden bij handhaving van de beslagen zwaarder weegt dan het belang van eiseressen bij opheffing, omdat het hoger beroep nog loopt en vorderingen alsnog toegewezen kunnen worden.

Eiseres 2 heeft echter een zwaarwegend en spoedeisend belang bij vrijgave van het depotbedrag van € 643.091,03, omdat zij dit nodig heeft voor de betaling van een nieuw aangekochte woning. Gedaagde 2 wordt daarom veroordeeld om binnen 48 uur medewerking te verlenen aan de vrijgave van dit bedrag, onder dreiging van een dwangsom.

De overige vorderingen tot opheffing van de beslagen en het verbod op nieuw beslag worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde 2 wordt veroordeeld tot medewerking aan vrijgave van depotbedrag, overige beslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717924 / KG ZA 26-338
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] B.V.,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
2. [eiseres 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. M.W. Huijzer,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,2. [gedaagde 2] B.V.,

statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. P. Habermehl.
Partijen worden hierna [eiseres 1] , [eiseres 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. [eiseres 1] en [eiseres 2] worden samen [eiseressen] genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden samen [gedaagden] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiseres 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres 1] . [eiseres 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] B.V. (‘ [bedrijf] ’).
[eiseres 1] heeft haar aandelen in [bedrijf] aan [gedaagde 1] verkocht. Na het sluiten van de koopovereenkomst zijn partijen in een juridische discussie verwikkeld geraakt, waarin [eiseressen] wordt verweten dat zij tekort zijn geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [bedrijf] en [bedrijf] International hebben vervolgens conservatoire beslagen laten leggen voor hun uit het (gestelde) tekortschieten van [eiseressen] voortvloeiende vorderingen en zij zijn een bodemprocedure gestart. Tijdens die procedure is [bedrijf] failliet gegaan, waarna [gedaagde 2] de vorderingsrechten van [bedrijf] op [eiseressen] heeft overgenomen. De vorderingen van [gedaagden] op [eiseressen] zijn vervolgens in eerste aanleg afgewezen. [gedaagden] hebben hoger beroep ingesteld. Nadat eerder al een deel van de gelegde conservatoire beslagen in kort geding is opgeheven, willen [eiseressen] dat alle resterende conservatoire beslagen nu ook worden opgeheven. Dat vorderen [eiseressen] dan ook – kort gezegd – in deze zaak.
[gedaagden] voeren verweer. De voorzieningenrechter wijst een deel van de vorderingen van [eiseressen] toe. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 13 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 16;
  • de aanvullende bijlagen 17 tot en met 24 van [eiseressen] ;
  • de bijlage 1 van [gedaagden] ;
  • de mondelinge behandeling op 7 mei 2026;
  • de pleitnota van mr. Huijzer;
  • de pleitaantekeningen van mr. Habermehl.

3.De vorderingen

3.1.
[eiseressen] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • a) alle door [gedaagden] onder [eiseressen] gelegde beslagen op te heffen, althans [gedaagden] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle ten laste van [eiseressen] gelegde beslagen op te heffen en door te halen;
  • b) [gedaagden] te veroordelen het depot onder Kooijman Autar schriftelijk vrij te geven aan [eiseres 2] ;
  • c) [gedaagden] te verbieden opnieuw beslag te leggen onder [eiseressen] op basis van dezelfde vorderingen als de beslagen waar nu opheffing van wordt gevraagd;
  • d) de veroordelingen onder (a), (b) en (c) ieder voor zich te versterken met een dwangsom van € 25.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden] hieraan (binnen 48 uur na betekening) niet voldoen;
  • e) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, het griffierecht en de advocaatkosten (en nakosten) daaronder begrepen.

4.De beoordeling

De stand van zaken voor wat betreft het conservatoir beslag
4.1.
De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft [bedrijf] en [gedaagde 1] in een beschikking van 18 oktober 2023 verlof verleend om conservatoir (derden)beslag te leggen: [1]
onder ING Bank N.V.;
onder ABN AMRO Bank N.V.;
onder Coöperatieve Rabobank U.A.;
op de door Stichting NPEX Bewaarbedrijf en NPEX B.V. voor of op naam van [eiseres 1] geadministreerde obligaties of overige effecten;
op de recreatieve woning van [eiseres 2] , kadastraal bekend als [nummer 1] onder objectidentificatienummer [nummer 2] ;
op de parkeerplaats van [eiseres 2] , kadastraal bekend als [nummer 3] onder objectidentificatienummer [nummer 4] ; en
op de woning van [eiseres 2] aan het adres [adres] in [woonplaats] , kadastraal bekend als [nummer 5] onder objectidentificatienummer [nummer 6] .
4.2.
De vorderingen van [bedrijf] en [gedaagde 1] op [eiseressen] zijn in de beschikking van 18 oktober 2023 als volgt begroot:
de vordering van [bedrijf] op [eiseres 1] is begroot op € 1.750.000,00 inclusief rente en kosten;
de vordering van [bedrijf] op [eiseres 2] is begroot op € 1.750.000,00 inclusief rente en kosten;
de vordering van [gedaagde 1] op [eiseres 1] is begroot op € 2.250.000,00 inclusief rente en kosten; en
de vordering van [gedaagde 1] op [eiseres 2] is begroot op € 2.000.000,00 inclusief rente en kosten.
4.3.
In een vonnis van 22 november 2023 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank – voor zover van belang – het volgende beslist: [2]

De voorzieningenrechter
6.1.
heft op:
a.
de op 24 oktober 2023 door [gedaagde 1] en [bedrijf] ten laste van [eiseres 1] gelegde conservatoir derdenbeslagen onder de Coöperatieve Rabobank U.A., met rekeningnummers [rekeningnummer 1] (betaalrekening) en [rekeningnummer 2] (spaarrekening),
b.
het op 24 oktober 2023 door [gedaagde 1] ten laste van [eiseres 2] gelegde conservatoir beslag op het recht van appartement, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente Rotterdam, [nummer 5] ,
c.
het op 24 oktober 2023 door [gedaagde 1] ten laste van [eiseres 2] gelegde conservatoir beslag op het recht van appartement in [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Rotterdam, [nummer 3] ,
d.
het op 24 oktober 2023 door [gedaagde 1] ten laste van [eiseres 2] gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak in [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Hellevoetsluis, [nummer 1] ,
e.
het op 24 oktober 2023 door [gedaagde 1] ten laste van [eiseres 2] gelegde conservatoir derdenbeslag onder ABN AMRO Bank N.V.,
f.
het op 24 oktober 2023 door [gedaagde 1] ten laste van [eiseres 2] gelegde conservatoir derdenbeslag onder ING Bank N.V.
6.2.
herbegroot de vordering van [gedaagde 1] op [eiseres 1] op € 455.000,-, met inbegrip van rente en kosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om het door haar gelegde conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Coöperatieve Rabobank U.A., met rekeningnummer [rekeningnummer 3] (beleggingsrekening), binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te laten heffen, voor zover dat beslag meer dan € 455.000,- heeft getroffen”.
4.4.
Volgens [eiseressen] – en dat is door [gedaagden] niet weersproken – rusten op dit moment nog de volgende conservatoire (derden)beslagen ten laste van [eiseressen] :
ten gunste van (nu) [gedaagde 2]
1. op obligaties van [eiseres 1] onder Stichting NPEX Bewaarbedrijf en NPEX B.V.;
2. op de parkeerplaats van [eiseres 2] , kadastraal bekend als [nummer 3] onder objectidentificatienummer [nummer 4]
3. op de recreatiewoning van [eiseres 2] , kadastraal bekend als [nummer 1] onder objectidentificatienummer [nummer 2] ;
4. onder ABN AMRO Bank N.V.
5. onder ING Bank N.V.
6. onder Coöperatieve Rabobank U.A. op de beleggersrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;
ten gunste van [gedaagde 1]
7. op obligaties van [eiseres 1] onder Stichting NPEX Bewaarbedrijf en NPEX B.V.;
8. onder Coöperatieve Rabobank U.A. op de beleggersrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] (tot een maximumbedrag van € 455.000,00).
4.5.
Daarnaast houdt Kooijman Autar Notarissen een bedrag van € 643.091,03 – het aandeel van [eiseres 2] in de netto overwaarde van de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] – ten behoeve van [eiseres 2] en (nu) [gedaagde 2] in depot op basis van een depotovereenkomst van 9 augustus 2024. [3] Het conservatoir beslag op die woning is ten behoeve van de verkoop daarvan al opgeheven.
4.6.
[bedrijf] is in mei 2024 failliet verklaard. [gedaagde 2] heeft vervolgens de gestelde vorderingsrechten van [bedrijf] op [eiseressen] overgenomen.
4.7.
In een vonnis van deze rechtbank van 22 oktober 2025 zijn de gestelde vorderingen van (aanvankelijk [bedrijf] , maar na overname van de vorderingsrechten) [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op [eiseressen] volledig afgewezen. [4] Ook de tegenvorderingen van [eiseressen] op [gedaagden] zijn volledig afgewezen.
4.8.
Het draait in deze zaak om de vraag of de nu nog resterende conservatoire (derden)beslagen (gedeeltelijk) moeten worden opgeheven en of het in depot gehouden bedrag aan [eiseres 2] moet worden uitgekeerd. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Opheffing van conservatoir beslag in het algemeen
4.9.
De opheffing van een conservatoir beslag kan op grond van artikel 705 Rv Pro onder meer worden bevolen, als (1) op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, (2) summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag of (3), als het beslag is gelegd voor een geldvordering, voor die vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv Pro). Bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag moet daarnaast altijd een belangenafweging plaatsvinden. Voor wat betreft het bij de notaris gedeponeerde bedrag – als vervolg op een gelegd conservatoir beslag en in het kader daarvan gemaakte afspraken – geldt ook dat een belangenafweging moet worden gemaakt.
4.10.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de oordelen in het vonnis van deze rechtbank van 22 oktober 2025, waarin alle vorderingen van [gedaagden] op [eiseressen] zijn afgewezen, meebrengen dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door [gedaagden] ingeroepen rechten is gebleken in de zin van artikel 705 Rv Pro. De voorzieningenrechter moet zich in zoverre richten naar het oordeel van de bodemrechter. De omstandigheid dat [gedaagden] het met dat oordeel oneens zijn en dat zij daar hoger beroep tegen hebben ingesteld, leidt niet tot een andere conclusie.
4.11.
De voorzieningenrechter volgt [eiseressen] echter niet in hun standpunt dat alleen al vanwege de omstandigheid dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de door [gedaagden] ingeroepen rechten is gebleken, de resterende conservatoire (derden)beslagen nu moeten worden opgeheven. Er moet ook in dat geval altijd nog een belangenafweging plaatsvinden, waarin de belangen van [eiseressen] bij opheffing van de beslagen worden afgewogen tegen de belangen van [gedaagden] bij handhaving van de beslagen.
Het belang van [gedaagden] bij handhaving van de beslagen is er in gelegen dat de uitkomst van het hoger beroep zou kunnen zijn dat de vorderingen van [gedaagden] op [eiseressen] alsnog (geheel of voor een deel) worden toegewezen en dan daarvoor nog verhaalsobjecten voorhanden zijn. Dat belang weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu zwaarder dan het belang van [eiseressen] bij opheffing van de resterende beslagen. [eiseressen] hebben namelijk geen concreet belang bij de opheffing daarvan gesteld, anders dan dat het – kort gezegd – fijn zou zijn als alle beslagen worden opgeheven. Dat is echter onvoldoende zwaarwegend om tot (gehele of gedeeltelijke) opheffing van de beslagen te beslissen. Niet gebleken is dat de beslagen in grote mate of om een bijzondere reden (zeer) belastend zijn voor [eiseressen]
4.12.
Het belang van [gedaagde 2] bij handhaving van het bedrag in depot weegt echter minder zwaar dan het belang van [eiseres 2] bij vrijgave daarvan. [eiseres 2] heeft uitgelegd – deels in de dagvaarding en verder op de zitting – dat zij in privé een woning heeft gekocht, dat zij tot nu toe gelden van [eiseres 1] heeft moeten lenen om de deelbetalingen voor die woning te kunnen voldoen, dat haar financieel adviseur haar heeft gewaarschuwd dat zij excessief van [eiseres 1] aan het lenen is (waardoor fiscale gevolgen dreigen) en dat zij binnenkort het restant van de koopsom voor de woning moet betalen. Zij heeft bij dagvaarding ter onderbouwing een “kopersupdate” overgelegd.
Hoewel het in de rede had gelegen dat [eiseres 2] haar stellingen over de betalingen voor de woning van nadere stukken had voorzien, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat op dit moment een substantiële liquiditeitsbehoefte bestaat vanwege de aangekochte en op te leveren woning. Daarvan uitgaande heeft [eiseres 2] er een voldoende zwaarwegend (en spoedeisend) belang bij dat haar aandeel in de netto overwaarde van de verkochte woning in [woonplaats] aan haar wordt uitgekeerd, om dat vervolgens te kunnen gebruiken voor de betaling van haar nieuwe woning.
De voorzieningenrechter weegt in dit kader ook mee dat de nog resterende conservatoire (derden)beslagen [gedaagde 2] naar het zich nu laat aanzien – de afwijzende beslissingen in het vonnis van de rechtbank van 22 oktober 2025 in aanmerking genomen – voldoende zekerheid bieden voor de voldoening van een vordering op [eiseres 2] , indien en voor zover die in het hoger beroep komt vast te staan.
De conclusie
4.13.
De conclusie is dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan vrijgave aan [eiseres 2] van het bedrag van € 643.091,03 dat Kooijman Autar Notarissen in depot houdt. Dit houdt in ieder geval in dat [gedaagde 2] binnen die termijn aan Kooijman Autar Notarissen schriftelijk opdracht geeft om het bedrag aan [eiseres 2] uit te betalen. [gedaagden] hebben verweer gevoerd tegen de door [eiseres 2] gevorderde termijn, maar de voorzieningenrechter ziet niet in waarom het voor [gedaagde 2] niet mogelijk zou zijn om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis een dergelijke schriftelijke opdracht te verstrekken. In het geval dat [gedaagde 2] niet aan de veroordeling voldoet, moet [gedaagde 2] een dwangsom betalen van € 5.000,00 per dag met een maximum van € 200.000,00.
Op de zitting is nog aan de orde gekomen dat voor vrijgave van het depot de medewerking van de curator nodig is, maar dat dit niet aan toewijzing van de onderhavige vordering in de weg staat omdat [eiseres 2] zich hiervan bewust is en zegt het risico te dragen van een onverhoopte weigering van de curator om mee te werken.
4.14.
De overige vorderingen worden afgewezen. Voor wat betreft de vordering tot opheffing van de beslagen volgt dat uit overweging 4.11. Voor wat betreft de vordering om [gedaagden] te verbieden opnieuw beslag te leggen onder [eiseressen] op basis van dezelfde vorderingen als de beslagen waar nu opheffing van wordt gevraagd, geldt dat slechts grond is voor zo’n verbod als kan worden vastgesteld dat [gedaagden] door het eventueel in de toekomst opnieuw leggen van beslag misbruik van recht zullen maken. Daarvan is echter niet gebleken. Het kan op dit moment met name niet worden uitgesloten dat [gedaagden] in hoger beroep alsnog (deels) gelijk krijgen en dat zij op grond daarvan opnieuw beslag op vermogensbestanddelen van [eiseressen] zullen willen leggen.
Iedere partij moet de eigen proceskosten betalen
4.15.
In de omstandigheid dat van de samenhangende vorderingen van [eiseressen] op beide gedaagden een deel wordt toegewezen en een deel wordt afgewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten volledig te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op voormelde wijze medewerking te verlenen aan vrijgave aan [eiseres 2] van het bedrag van € 643.091,03 dat Kooijman Autar Notarissen in depot houdt;
5.2.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiseres 2] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per dag dat zij de veroordeling in 5.1. niet nakomt, met dien verstande dat [gedaagde 2] maximaal € 200.000,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
5.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
3349 / 1694

Voetnoten

1.Niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, maar bekend onder zaaknummer C/10/666492 / KG RK 23-1036.
2.Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 22 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10903.
3.Bijlage 6 van [eiseressen]
4.Rechtbank Rotterdam 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12599.