Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank oordeelt dat verzoeker ontvankelijk is omdat het niet mogelijk is binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, mede door wisselende woonadressen en onduidelijkheid over schulden.
Hoewel enkele boetes bij het CJIB niet te goeder trouw zijn ontstaan, wordt de hardheidsclausule toegepast omdat verzoeker de omstandigheden heeft verbeterd, een WA-verzekerde leaseauto heeft en een serieuze saneringsgezinde houding toont. De rechtbank vertrouwt erop dat verzoeker zich aan de verplichtingen van de Wsnp zal houden.
De rechtbank stelt de duur van de Wsnp-regeling vast op achttien maanden en bepaalt een eerdere ingangsdatum van 9 januari 2026, omdat verzoeker gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan de inspanningsverplichting heeft voldaan en het niet sparen voor schuldeisers niet aan hem kan worden toegerekend.
Een bewindvoerder en rechter-commissaris worden benoemd om toezicht te houden en de boedel te beheren. De regeling eindigt met een schone lei indien aan alle verplichtingen wordt voldaan. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.