ECLI:NL:RBROT:2026:5880

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
12058313 VZ VERZ 26-159
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wegens onvoldoende verbetertraject

Werknemer was sinds 2023 in dienst als administrateur bij werkgever en werd op 21 november 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeend disfunctioneren en nalatigheid. Werkgever stelde dat werknemer herhaaldelijk fouten maakte en niet tijdig een belangrijke bestelling plaatste, wat tot een mogelijke schadeclaim leidde.

De kantonrechter oordeelde dat er geen dringende reden was voor ontslag op staande voet. Er was onvoldoende bewijs dat werknemer bewust nalatig was en er was geen duidelijk verbetertraject met werknemer afgesproken. De ontslagbrief en verslagen van eerdere gesprekken boden geen plan om het functioneren te verbeteren, en werknemer was niet ondubbelzinnig geïnformeerd over de ernst van de situatie.

Werknemer vroeg geen vernietiging van het ontslag, maar vergoedingen. De kantonrechter veroordeelde werkgever tot betaling van een vergoeding voor onregelmatige opzegging (€6.071,72), transitievergoeding (€4.153,93) en een billijke vergoeding van vier maandsalarissen (€17.000,00), totaal €27.225,65 bruto, plus rente en proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig verklaard en werkgever is veroordeeld tot betaling van vergoedingen en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12058313 VZ VERZ 26-159
datum uitspraak: 21 mei 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker](hierna: ‘werknemer’),
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. R.P.C. van de Ven,
tegen
[verweerster] B.V.(hierna: ‘werkgever’),
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] (gemeente Goeree-Overflakkee),
verweerster,
gemachtigde: mr. K. van Duivendijk.

1.De samenvatting

Werkgever heeft werknemer op 21 november 2025 op staande voet ontslagen. De kantonrechter vindt dat dit ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Als sprake was van disfunctioneren, dan had werkgever werknemer daarover deugdelijk moeten informeren en hem in de gelegenheid moeten stellen zijn functioneren te verbeteren. Dat is onvoldoende gebeurd. Werknemer vraagt niet om vernietiging van het ontslag, maar om vergoedingen. Werkgever wordt veroordeeld werknemer in totaal € 27.225,65 bruto aan vergoedingen te betalen.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van werknemer, met bijlagen;
  • het verweerschrift van werkgever, met bijlagen;
  • de brief van werkgever van 29 april 2026 met een bijlage.
2.2.
Op 4 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken.

3.Het geschil

3.1.
Werknemer is sinds 2023 als administrateur in dienst bij werkgever. Werkgever ontslaat werknemer op 21 november 2025 op staande voet. In de ontslagbrief staat, voor zover nu van belang:
Met deze brief bevestig ik dat u met ingang van 21 november op staande voet ontslagen bent. Aan dat ontslag liggen de volgende redenen ten grondslag: nalatigheid in uw werkzaamheden en het maken van veel herhaaldelijke fouten.
Op 21 november 2025 hebben wij met u gesproken over deze omstandigheden. Uw reactie was uw ziekmelding.
Op onderstaande data vonden er gesprekken plaats om de problematiek aan te pakken van de veel gemaakte fouten, misstappen en niet opvolgen van opdrachten vanuit [werkgever].
21 aug 2025 – zie bijgevoegd verslag
[Werknemer] houdt zich niet aan afspraken uit het verslag.
16 okt 2025 – zie bijgevoegd verslag
Gemaakte afspraken uit overleg van 16-10-2025 komt [werknemer] niet na, ook niet na meermaals herinneren.
Jan 2025 hebben we [werknemer] een vaststellingsovereenkomst aangeboden, vanwege onvrede over zijn werkzaamheden waarover toen ook veelvuldig gesproken is met [werknemer]. Deze vaststellingsovereenkomst hebben we na overleg ingetrokken om [werknemer] nogmaals een kans te bieden in het verbeteren van zijn werkzaamheden. Helaas is dit niet gelukt, ook niet na meermaals overleggen.
21 nov 2025 moest er voor 09:00 uur een bestelling geplaatst worden om een claim van een klant van ons te kunnen voorkomen. Door nalatigheid van [werknemer] zijn de bakjes te laat besteld en komt de bestelling niet voor uitlevering binnen en zal klant een schadeclaim indienen.
3.2.
Werknemer is het niet eens met het ontslag op staande voet. In plaats van om vernietiging van het ontslag op staande voet te vragen, vraagt werknemer veroordeling van werkgever tot betaling van, naast rente en proceskosten:
1. € 6.071,72 bruto als vergoeding voor de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst;
2. € 4.153,93 bruto aan transitievergoeding;
3. een billijke vergoeding van € 25.420,80 bruto.
3.3.
Werkgever voert verweer.
3.4.
Is dit voor de beoordeling van belang, dan wordt hierna ingegaan op wat partijen (verder) naar voren brengen.

4.De beoordeling

ontslag op staande voet
4.1.
Als daar een dringende reden voor is, kan werkgever werknemer op staande voet ontslaan (artikel 7:677 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek). De kantonrechter is van oordeel dat van een dringende reden in deze zaak geen sprake is. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig om de volgende redenen.
4.2.
De kantonrechter begrijpt uit de ontslagbrief, en uit de toelichting die werkgever op de zitting gaf over het incident dat op 21 november 2025 voorafging aan het ontslag, dat bij werkgever al langer sprake was van irritatie over hoe werknemer zijn werk deed. De druppel voor werkgever was dat werknemer op 21 november 2025 volgens werkgever niet op tijd een bepaalde e-mail stuurde en dat werkgever daardoor een schadeclaim boven het hoofd hangt of in ieder geval hing. Of werkgever op 21 november 2025 tegen werknemer gezegd heeft dat de desbetreffende e-mail uiterlijk om 9 uur verstuurd moest worden, daar lopen de meningen over uiteen. Werknemer zegt van niet, werkgever zegt van wel. In het voor beide partijen gunstigste geval zou gezegd kunnen worden dat sprake was van miscommunicatie. Dat werknemer bewust of door laksheid de e-mail niet op tijd heeft verstuurd, is in elk geval niet gebleken. Werknemer heeft een opsomming gegeven van alle werkzaamheden die hij aan het begin van die ochtend heeft moeten verrichten en die opsomming is door werkgever niet weersproken.
4.3.
Als sprake is van disfunctioneren, want daar komt het volgens werkgever op neer, dan moet een werkgever de werknemer hiervan tijdig in kennis stellen en hem voldoende de gelegenheid geven zijn functioneren te verbeteren. Uit het dossier blijkt niet dat dit gebeurd is. Los van de vraag of de verslagen van 21 augustus 2025 en 16 oktober 2025 wel of niet aan werknemer zijn voorgelegd na het opstellen van die verslagen (werkgever zegt ja, werknemer zegt nee): in wat in de verslagen staat leest de kantonrechter in ieder geval geen plan om het functioneren van werknemer te laten verbeteren. Voor een belangrijk deel zien de verslagen ook op werkoverleggen met meerdere personen, waarin bijvoorbeeld afspraken zijn gemaakt over de taakverdeling in verband met de komst van een nieuwe collega. Werknemer geeft echter wel aan dat er tijdens die overleggen enkele dingen besproken zijn die hij niet goed deed. ‘Dat heb ik me ter harte genomen’, aldus werknemer op de zitting. Maar een verbetertraject is er dus niet en waaruit werknemer had moeten begrijpen dat voor werkgever de maat vol was in verband met zijn functioneren, is ook niet gebleken. In die zin valt te begrijpen dat het ontslag op staande voet op 21 november 2025 voor werknemer als een verrassing kwam. Dat werkgever zelf ook in zijn maag zat met het incident (een heftige scheldpartij), blijkt uit het korte tijd daarna, maar later weer ingetrokken, appbericht van 21 november 2025 om 10.51 uur, waarin de directeur van werkgever zijn excuses aanbiedt voor zijn emotionele uitbarsting. Hij schrijft in dat bericht:
Ik mag jouw echt graag
Maar soms loopt het over
Sorry en zeker als ik vanmorgen speciaal kom voor die bakjes van Hoogvliet
Communicatie is linksom en rechtsom te moeilijk
En ik zie echt veel kwaliteiten van jouw wat je super goed doet
Nogmaals sorry
De kantonrechter leidt hieruit af dat werkgever zelf ook van mening was dat het ontslag op staande voet wellicht een te rigoureuze maatregel was. Dat werkgever zo ontevreden was over het functioneren van werknemer dat de maat vol was en er op dat moment sprake was van een dringende reden voor ontslag op staande voet, blijkt hier in elk geval niet uit.
4.4.
Een niet op tijd verstuurde e-mail op de morgen van 21 november 2025, waarvan niet duidelijk is of werknemer de ondubbelzinnige instructie van werkgever kreeg deze vóór 9 uur te versturen, in combinatie met beschuldigingen over slecht werk waarvoor geen verbetertraject met werknemer besproken is: het is te mager voor een ontslag op staande voet. Een ontslag op staande voet is een uiterste maatregel en daar moet meer voor aan de hand zijn dan wat er in deze zaak is gebeurd. Kortom, werkgever heeft werknemer niet rechtsgeldig op staande voet ontslagen.
vergoeding voor onregelmatige opzegging
4.5.
Als een werkgever de arbeidsovereenkomst ten onrechte opzegt zonder een opzegtermijn, en dat heeft werkgever met het onterecht gegeven ontslag op staande voet gedaan, dan moet hij aan werknemer het bedrag betalen dat hij nog aan loon gekregen zou hebben als de werkgever wel tegen de juiste dag opgezegd had (artikel 7:672 lid 11 Burgerlijk Pro Wetboek). Het gaat in deze zaak om € 6.071,72 bruto. Werkgever wordt veroordeeld om dit bedrag aan werknemer te betalen.
transitievergoeding
4.6.
De arbeidsovereenkomst is door werkgever opgezegd en van verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer is geen sprake. Werkgever moet daarom een transitievergoeding aan werknemer betalen (artikel 7:673 Burgerlijk Pro Wetboek). De wettelijke transitievergoeding is € 4.153,93 bruto en werkgever wordt veroordeeld om dit bedrag te betalen aan werknemer.
billijke vergoeding
4.7.
Door werknemer op staande voet te ontslaan, heeft werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld. Een billijke vergoeding is daarom op zijn plaats. Werknemer vraagt om een billijke vergoeding van € 25.420,80 bruto (zes maandsalarissen, wat neerkomt op € 4.236,80 bruto per maand). In de gegeven omstandigheden acht de kantonrechter een billijke vergoeding van vier maandsalarissen (vier keer € 4.236,80, iets afgerond naar boven
€ 17.000,00 bruto) op zijn plaats. Werkgever wordt ertoe veroordeeld dat bedrag te betalen aan werknemer.
4.8.
Werknemer is kort in dienst geweest bij werkgever, bijna drie jaar, en ondanks het feit dat de kritiek van werkgever op het functioneren van werknemer nooit formeel lijkt te zijn besproken, dat is in ieder geval niet gedegen vastgelegd, moet werknemer zich wel bewust geweest zijn van strubbelingen in de arbeidsverhouding. Uit het feit dat werknemer zich nu neerlegt bij het ontslag op staande voet en geen verzoek doet om vernietiging daarvan, leidt de kantonrechter af dat het voor werknemer na het ontslag op staande voet ook eigenlijk wel klaar was. Werknemer betwist niet dat er in zijn vakgebied voldoende werk is. Vier maandsalarissen aan billijke vergoeding acht de kantonrechter daarom al met al billijk, naast de vergoeding voor de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en de transitievergoeding.
rente
4.9.
In totaal is toewijsbaar € 27.225,65 bruto. Werknemer vraagt daar rente over vanaf de dag van de uitspraak. Dat is toewijsbaar.
proceskosten
4.10.
Werkgever krijgt ongelijk. Hij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van werknemer uit € 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris voor zijn gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 1.102,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking door een deurwaarder uitgereikt moet worden.
uitvoerbaar bij voorraad
4.11.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als het geschil ook aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter, door werknemer naleving van deze uitspraak afgedwongen kan worden.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt werkgever om € 27.225,65 bruto aan werknemer te betalen, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek vanaf de dag van de uitspraak tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt werkgever in de proceskosten, aan de kant van werknemer begroot op een bedrag van € 1.102,00;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders verzocht is af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
686