Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5877

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/10/702339 / HA ZA 25-550
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 6:89 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 20 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens strijd met goede procesorde en toewijzing boete en eindafrekening uit managementovereenkomst

De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak tussen [X B.V.] en [gedaagde] c.s. waarbij [X B.V.] vorderingen instelde op grond van een managementovereenkomst en bestuurdersaansprakelijkheid. De vorderingen in conventie werden afgewezen omdat de wijze van procesvoering van [X B.V.] in strijd was met de eisen van een goede procesorde en artikel 21 Rv Pro, onder meer door het opsplitsen van het geschil in meerdere procedures en het niet melden van eerdere beslagverzoeken.

In reconventie werd [X B.V.] veroordeeld tot betaling van een boete van € 50.000,00 aan [gedaagde] Holding wegens het niet tijdig opstellen van de eindafrekening over 2022, alsmede tot betaling van het openstaande bedrag van € 38.364,11 uit die eindafrekening. De voortduringsboetes werden afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat het opsplitsen van vorderingen over dezelfde gedragingen in verschillende procedures onnodig en inefficiënt was, en dat het niet melden van eerdere beslagverzoeken in strijd was met de waarheids- en volledigheidsplicht. De proceskosten werden aan [X B.V.] opgelegd. De overige vorderingen, waaronder schadevergoeding en boetes op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, werden afgewezen.

Uitkomst: Vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens strijd met goede procesorde; eiseres wordt veroordeeld tot betaling van boete en openstaand bedrag uit managementovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/702339 / HA ZA 25-550
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[X] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
advocaat: mr. T. van Liempd,
tegen

1.[gedaagde] HOLDING B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
2.
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
3.
[gedaagde] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
advocaat: mr. S.M.C. Verheyden.
Partijen worden hierna [X B.V.] en [gedaagde] c.s. genoemd. [gedaagde] c.s. worden afzonderlijk [gedaagde] Holding, [gedaagde] en [gedaagde] Advies genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
In conventie vordert [X B.V.] van haar voormalig bestuurder en aandeelhouder [gedaagde] Holding veroordeling tot betaling van boetes en schadevergoeding op grond van de managementovereenkomst tussen partijen. Daarnaast vordert [X B.V.] een schadevergoeding van [gedaagde] en [gedaagde] Advies op grond van bestuurdersaansprakelijkheid respectievelijk profiteren van wanprestatie. Deze vorderingen worden afgewezen, omdat sprake is van een wijze van procesvoering die in strijd is met de eisen van een goede procesorde en artikel 21 Rv Pro.
1.2.
In reconventie wordt [X B.V.] veroordeeld tot betaling van een boete van € 50.000,00 aan [gedaagde] Holding in verband met het in strijd met de managementovereenkomst niet tijdig opstellen van de eindafrekening over 2022. Daarnaast wordt [X B.V.] veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van de eindafrekening (€ 38.364,11). De andere (voorwaardelijk ingestelde) vorderingen in reconventie worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 juni 2025, met producties 1 tot en met 27;
  • de conclusie van antwoord, tevens houdende (voorwaardelijke) reconventionele vordering, met producties 1 tot en met 12;
  • de brief van 1 oktober 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
  • het bericht van 14 januari 2026 van de rechtbank, met een zittingsagenda waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 28 tot en met 36;
  • de brief van [gedaagde] c.s. van 12 februari 2026, met producties 13 tot en met 19;
  • de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen;
  • de tijdens de mondelinge behandeling door [X B.V.] (op verzoek van de rechtbank) overgelegde aandeelhoudersovereenkomst.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Op 20 maart 2020 is [X B.V.] opgericht door [gedaagde] Holding en [Y] Holding B.V. (hierna: [Y] Holding). Beide holdings waren vanaf de oprichting van [X B.V.] hiervan ieder 50% aandeelhouder en gezamenlijk bevoegd bestuurder.
3.2.
[gedaagde] is 100% aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] Holding.
3.3.
Enig aandeelhouder en bestuurder van [Y] Holding is [naam bestuurder Y Holding] (hierna: [bestuurder Y Holding] ).
3.4.
[X B.V.] houdt zich onder meer bezig met het verrichten van activiteiten op het gebied van hypotheek- en assurantiebemiddeling.
3.5.
Op 28 december 2021 hebben [bestuurder Y Holding] , [Y] Holding, [gedaagde] , [gedaagde] Holding en [X B.V.] een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn onder meer een geheimhoudings-, een non-concurrentie- en een boetebeding opgenomen.
3.6.
Op 28 december 2021 hebben [Y] Holding en [gedaagde] Holding ieder een bemiddelings- en managementovereenkomst (hierna: managementovereenkomst) gesloten met [X B.V.] . Ook in de managementovereenkomst zijn onder meer een geheimhoudings-, een non-concurrentie- en een boetebeding opgenomen. Verder zijn onder meer verplichtingen voor [gedaagde] Holding opgenomen om bemiddelingswerkzaamheden te verrichten namens [X B.V.] en de continuïteit van [X B.V.] te bewaken en om onder de naam van [X B.V.] omzetgenererende werkzaamheden uit te voeren en zich ten volle in te spannen om de naam en het concept van [X B.V.] verder nationaal bekend te maken met toonaangevende reputatie.
3.7.
In artikel 4 van Pro de managementovereenkomst staat het volgende:
“Artikel 4. Vergoedingen
(…)
2. De subagent zal huidige en toekomstige klanten onderbrengen bij de vennootschap, waarmee optimaal het unieke concept van de vennootschap gebruikt zal worden. De vennootschap zal hiertegenover aan de subagent maandelijks een vergoeding voldoen op factuurbasis die ziet op zijn bemiddelingswerkzaamheden. Deze vergoeding bedraagt in ieder geval een nader overeen te komen percentage van de door de subagent gerealiseerde omzet in het betreffende jaar. De vergoeding bedraagt een nader overeen te komen percentage van de door de subagent gerealiseerde omzet minus 50% van de jaarlijkse vaste kosten van de Vennootschap. Maandelijks zal een voorschot worden voldaan welke partijen nader overeenkomen en jaarlijks, telkens uiterlijk op 31 januari (voor het eerste derhalve 31 januari 2023) zal een eindafrekening over dat jaar worden opgesteld. (…)”
3.8.
Het boetebeding in de managementovereenkomst luidt als volgt:
“Artikel 12. Boete
Voor zover in deze overeenkomst niet anders is bepaald is een partij ingeval van niet-nakoming van enige bepaling van deze overeenkomst ten gevolge van diens toerekenbare tekortkoming, ten gunste van de benadeelde partij een boete verschuldigd van € 50.000,-- per overtreding en € 1.000,-- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de overige rechten van de benadeelde partij krachtens de wet of de onderhavige overeenkomst, zoals onder meer het recht om nakoming van de overeenkomst dan wel een verbod en/of schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de schade het bedrag van de boeten overtreft.”
3.9.
Op 1 september 2022 is [gedaagde] met zijn twee zonen [gedaagde] Advies aangegaan. [gedaagde] Advies houdt zich volgens de inschrijving in het handelsregister bezig met bemiddeling bij de handel, huur en verhuur van onroerend goed en met de aan- en verkoopbegeleiding van onroerend goed.
3.10.
Bij vonnis van 8 maart 2023 [1] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant een aantal ordemaatregelen getroffen. Deze hielden in dat [gedaagde] Holding haar 50% aandelenbelang om niet moest leveren aan [Y] Holding en dat [gedaagde] Holding werd geschorst als statutair bestuurder van [X B.V.] .
3.11.
Naar aanleiding van het vonnis van 8 maart 2023 heeft [gedaagde] Holding haar aandelen in [X B.V.] overgedragen aan [Y] Holding. Kort daarvoor, namelijk per 28 februari 2023, is [gedaagde] Holding uitgeschreven als statutair bestuurder van [X B.V.] .
3.12.
[Y] Holding en [bestuurder Y Holding] hebben in de zomer van 2023 een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [gedaagde] Holding en [gedaagde] bij de rechtbank Oost-Brabant. Zij vorderden in die procedure veroordeling van [gedaagde] Holding en [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 464.000,00 aan boetes op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. Bij vonnis van 30 oktober 2024 [2] zijn [gedaagde] Holding en [gedaagde] veroordeeld tot betaling van een boetebedrag van € 50.000,00. De andere boetevorderingen zijn afgewezen.
3.13.
Tegen het vonnis van 30 oktober 2024 is hoger beroep ingesteld. [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] hebben in hoger beroep hun vorderingen vermeerderd. Zij vorderen allebei veroordeling van [gedaagde] Holding tot betaling van € 1.772.00,00 en van [gedaagde] tot betaling van € 2.187.000,00 op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. Voor zover de rechtbank bekend is, heeft het hof Den Bosch ten tijde van het wijzen van dit vonnis nog geen arrest gewezen.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[X B.V.] vordert, samengevat, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van [gedaagde] Holding
[gedaagde] Holding te veroordelen tot betaling aan [X B.V.] van de verbeurde boetes tot een bedrag van € 2.857.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[gedaagde] Holding te veroordelen tot betaling aan [X B.V.] van het zonder grondslag overgeschreven bedrag van € 3.400,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[gedaagde] Holding te veroordelen tot betaling aan [X B.V.] van een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
[gedaagde] Holding te veroordelen in de kosten van de procedure, de beslagkosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Ten aanzien van [gedaagde]
5. te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door [X B.V.] te beconcurreren;
6. te verklaren voor recht dat [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde] Holding, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X B.V.] en derhalve persoonlijk aansprakelijk is voor de door [X B.V.] geleden schade;
7. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [X B.V.] van een bedrag van € 514.739,44, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
8. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [X B.V.] van een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
9. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, de beslagkosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Ten aanzien van [gedaagde] Advies
10. te verklaren voor recht dat [gedaagde] , handelend onder de naam [gedaagde] Advies, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [X B.V.] door te profiteren van de wanprestatie van [gedaagde] jegens [X B.V.] ;
10. [gedaagde] , handelend onder de naam [gedaagde] Advies, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [X B.V.] van een schadevergoeding van € 514.739,44, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
10. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [X B.V.] , dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [X B.V.] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure.
in (voorwaardelijke) reconventie
4.3.
[gedaagde] Holding vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[X B.V.] te veroordelen tot betaling van € 43.364,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 31 januari 2023;
voorwaardelijk, voor zover de rechtbank mocht oordelen dat er geen vaststellingsovereenkomst bestaat die aan de vorderingen in reconventie in de weg staat: [X B.V.] te veroordelen tot betaling van een boete van € 50.000,00 aan [gedaagde] Holding;
voorwaardelijk, voor zover de rechtbank in conventie voortduringsboetes toewijst: [X B.V.] te veroordelen tot betaling van een aanvullende boete van € 595.000,00;
[X B.V.] te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.4.
[X B.V.] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] Holding, met veroordeling van [gedaagde] Holding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
4.5.
De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.

5.De beoordeling

in conventie
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen, omdat de wijze van procesvoering van [X B.V.] strijdig is met de eisen van een goede procesorde en met artikel 21 Rv Pro. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat:
het geschil tussen [X B.V.] , [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] (hierna samen ook: [X B.V.] c.s.) enerzijds en [gedaagde] c.s. anderzijds door [X B.V.] c.s. – zonder rechtens te respecteren belang – is opgeknipt in twee delen, waardoor afzonderlijke procedures worden gevoerd in verschillende arrondissementen;
[X B.V.] geen melding heeft gemaakt van verschillende beslagbeschikkingen, terwijl dat in de gegeven omstandigheden wel had gemoeten.
De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
i.
i) Meerdere procedures over dezelfde gedragingen
5.2.
In het onderhavige geschil worden twee (bodem)procedures gevoerd. In Den Bosch voeren [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] (inmiddels in hoger beroep) een procedure tegen [gedaagde] Holding en [gedaagde] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. In Rotterdam voert [X B.V.] de onderhavige procedure tegen [gedaagde] Holding, [gedaagde] en [gedaagde] Advies op grond van de managementovereenkomst. In de beide procedures liggen evenwel dezelfde feitelijke gedragingen aan de vorderingen ten grondslag. Het had daarom in de rede gelegen dat eisers ( [X B.V.] , [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] ) al hun vorderingen in één procedure zouden hebben ingesteld. Door niettemin, naast de procedure in Den Bosch, nog een afzonderlijke procedure aanhangig te maken in Rotterdam heeft [X B.V.] in de gegeven omstandigheden gehandeld in strijd met de eisen van een goede procesorde. Voor haar wijze van procesvoering bestaat geen rechtens te respecteren belang. Dat wordt hierna toegelicht.
5.3.
In de onderhavige procedure verwijt [X B.V.] [gedaagde] c.s., samengevat, het volgende:
het valselijk opmaken van stukken;
het wegsluizen van geld van [X B.V.] ;
het oprichten van een concurrerende onderneming en het verrichten van concurrerende werkzaamheden;
het doorsturen van vertrouwelijke gegevens en toegang verlenen tot het systeem van [X B.V.] .
5.4.
[X B.V.] licht deze verwijten als volgt toe:
[gedaagde] heeft op 21 maart 2022 en op 1 juni 2022 zonder medeweten van [bestuurder Y Holding] de arbeidsovereenkomst van een medewerkster van [X B.V.] aangepast in strijd met de waarheid, waardoor het leek of zij meer uren werkte voor [X B.V.] dan ze in werkelijkheid deed. Deze medewerkster heeft de aangepaste arbeidsovereenkomst vervolgens gebruikt voor het aanvragen van een hypothecaire geldlening ten behoeve van een verbouwing van de badkamer van haar woning en voor het bewerkstelligen van haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens haar hypotheekverstrekker. Met het oog op dit laatste heeft [gedaagde] in juni 2022 (ook) foutieve informatie afgegeven middels een NIBUD-formulier ten aanzien van de inkomsten en uitgaven van de betreffende werkneemster.
[gedaagde] heeft geld van drie klanten van [X B.V.] weggesluisd naar zichzelf of [gedaagde] Advies.
[gedaagde] heeft [gedaagde] Advies opgericht zonder [bestuurder Y Holding] daarover te informeren. [gedaagde] Advies houdt zich bezig met dezelfde activiteiten als [X B.V.] . Daarnaast heeft [gedaagde] (via [gedaagde] Holding) concurrerende werkzaamheden verricht bij [bedrijf] in [vestigingsplaats 3] .
[gedaagde] heeft een van zijn zonen in november 2021 toegang gegeven tot het administratieve systeem van [X B.V.] . Daarmee had deze zoon toegang tot vertrouwelijke gegevens van klanten van [X B.V.] .
5.5.
Volgens [X B.V.] heeft [gedaagde] Holding met deze gedragingen de managementovereenkomst geschonden. [X B.V.] vordert in deze procedure daarom boetes en schadevergoeding van [gedaagde] Holding. Daarnaast vordert [X B.V.] een schadevergoeding van [gedaagde] (op grond van bestuurdersaansprakelijkheid) en van [gedaagde] Advies (op grond van het profiteren van wanprestatie).
5.6.
In de bodemprocedure in Den Bosch vorderen [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] boetes van [gedaagde] Holding en [gedaagde] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. Deze boetevorderingen zijn gebaseerd op dezelfde verweten gedragingen als hiervoor onder 5.3 en 5.4 weergegeven.
5.7.
De verwijten van [X B.V.] c.s. leiden, samengevat, tot de volgende vorderingen (verwezen wordt naar sub a t/m d onder 5.3 en 5.4):
Procedure in Rotterdam
(managementovereenkomst)
Procedure in Den Bosch [3]
(aandeelhoudersovereenkomst)
a)
€ 211.000,00 boetes van [gedaagde] Holding
€ 333.000,00 boetes van [gedaagde] Holding en van [gedaagde]
b)
€ 206.000,00 boetes en € 3.400,00 schadevergoeding van [gedaagde] Holding
€ 459.000,00 boetes van [gedaagde] Holding en van [gedaagde]
c)
€ 1.932.000,00 boetes van [gedaagde] Holding
€ 872.000,00 boetes van [gedaagde] Holding en € 1.287.000,00 boetes van [gedaagde]
d)
€ 108.000,00 boetes van [gedaagde] Holding
€ 108.000,00 boetes van [gedaagde] Holding en van [gedaagde]
a) – d)
€ 514.739,44 schadevergoeding van [gedaagde] en [gedaagde] Advies
5.8.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat [X B.V.] ook partij is bij de aandeelhoudersovereenkomst (nadat die op verzoek van de rechtbank alsnog ter zitting [4] in het geding was gebracht). Dit betekent dat alle vorderingen van [X B.V.] c.s., op basis van zowel de aandeelhoudersovereenkomst als de managementovereenkomst, in één procedure hadden kunnen worden ingesteld. Dit had tijd, geld (griffierecht) en capaciteit (van partijen en de rechterlijke macht) bespaard. Een deugdelijke reden voor het opsplitsen van de vorderingen op grond van de beide overeenkomsten in twee procedures voor verschillende rechtbanken is niet gesteld en ook niet gebleken. Het enkele feit dat sprake is van twee afzonderlijke overeenkomsten rechtvaardigt die opsplitsing in elk geval niet.
5.9.
[X B.V.] heeft op de zitting desgevraagd toegelicht dat het destijds een welbewuste keuze van haar (vorige) advocaat was om de procedures separaat te voeren. De gedachte was dat eerst de procedure in Den Bosch zou worden gevoerd (vanwege schendingen van de aandeelhoudersovereenkomst) en dat de andere procedure (schendingen van de managementovereenkomst) ‘in de tas zou worden gehouden’ (letterlijk in de woorden van [X B.V.] ). Klaarblijkelijk wilden [X B.V.] c.s. eerst bekijken hoeveel ‘succes’ zij in Den Bosch zouden behalen met alleen de procedure ter zake de schendingen van de aandelenovereenkomst en konden zij bij een tegenvallend resultaat altijd nog de vorderingen op grond van de managementovereenkomst uit de tas halen (lees instellen tegen [gedaagde] c.s. bij een andere rechtbank dan die in Den Bosch). Toen bleek dat bijna alle vorderingen op grond van de aandeelhoudersovereenkomst (op één boete na) werden afgewezen in het vonnis van 30 oktober 2024, is afscheid genomen van de vorige advocaat en is de huidige advocaat van [X B.V.] ingeschakeld. Vervolgens is hoger beroep ingesteld bij het hof Den Bosch (en is de eis fors vermeerderd) en is daarnaast, conform de strategie van [X B.V.] c.s., de onderhavige procedure in Rotterdam gestart.
5.10.
Op grond van de wet (onder andere artikel 20 Rv Pro) en de beginselen van de goede procesorde moet een civiele procedure zo efficiënt en voortvarend mogelijk verlopen. Partijen hebben daarin een belangrijke rol. Het zonder rechtens te respecteren belang opknippen van een geschil en het achter de hand houden van een deel daarvan, om dat deel vervolgens in een aparte procedure aan een andere rechtbank voor te kunnen leggen, is niet efficiënt en voortvarend. Het is evident dat [gedaagde] c.s. er belang bij hadden gehad om slechts in één procedure verweer te hoeven voeren. Gelet op het door [gedaagde] c.s. in de beide procedures gevoerde matigingsverweer had het bovendien voor de hand gelegen dat in één procedure zou worden beslist over de verwijten die hen worden gemaakt. Door dat niet te doen is het geschil ook nodeloos gecompliceerd.
ii) Niet melden beslagbeschikkingen
5.11.
In verband met het onderhavige geschil is drie keer verlof gevraagd om beslag te mogen leggen. Zoals hierna verder wordt toegelicht, is het verlof één keer verleend, één keer beperkt toegewezen en één keer volledig geweigerd. In dat laatste geval is hoger beroep ingesteld, waarna het verzoek alsnog (zeer) beperkt is toegewezen.
Beslagverlof verleend (12 april 2023)
5.12.
Bij verzoekschrift van 7 april 2023 hebben [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam om conservatoir beslag ten laste van [gedaagde] Holding en [gedaagde] te mogen leggen. Het verzoek had betrekking op vorderingen van [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] tot een bedrag van € 586.800,00 op grond van de aandeelhoudersovereenkomst. Op 12 april 2023 is het verlof verleend, waarbij de vorderingen op [gedaagde] Holding en [gedaagde] voorlopig zijn begroot op € 560.000,00. Op 18 april 2023 is (voorafgaand aan de bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant) beslag gelegd onder verschillende derden.
Beslagverlof deels verleend (25 april 2023)
5.13.
Op 18 april 2023 heeft [X B.V.] verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam om conservatoir beslag te mogen leggen ten laste van [gedaagde] c.s. Dat verzoek betrof vorderingen van [X B.V.] tot betaling van verbeurde boetes en schadevergoeding op grond van de managementovereenkomst. In een beschikking van 25 april 2023 [5] is het beslagverlof in beperkte vorm toegewezen voor [gedaagde] Holding en geweigerd voor [gedaagde] en [gedaagde] Advies:
  • de vordering op [gedaagde] Holding kwam excessief voor (te veel boetes);
  • er was, ondanks daarop gerichte vragen, niet gemotiveerd waarom [gedaagde] boetes verschuldigd zou zijn (hij is niet degene die onder de managementovereenkomst boetes verbeurt);
  • de vordering op [gedaagde] Advies (€ 60.000,00 aan schadevergoeding) is toen afgewezen omdat de schade op geen enkele wijze was onderbouwd.
Van dit beslagverlof is geen gebruik gemaakt.
Beslagverlof geweigerd (31 januari 2025) en in hoger beroep deels verleend (15 april 2025)
5.14.
Bij verzoekschrift van 22 januari 2025 heeft [X B.V.] opnieuw verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om conservatoir beslag ten laste van [gedaagde] c.s. (en de zonen van [gedaagde] ) te mogen leggen. [X B.V.] stelde een (inmiddels aanzienlijk hogere) vordering van € 2.810.400,00 te hebben op [gedaagde] c.s. op grond van de managementovereenkomst. In een beschikking van 31 januari 2025 [6] heeft de voorzieningenrechter het verlof geweigerd omdat [X B.V.] , in strijd met artikel 21 Rv Pro (en de uitwerking daarvan in de beslagsyllabus), in haar verzoekschrift geen melding had gemaakt van haar eerdere verzoek beslag te mogen leggen en de op dat verzoek gegeven beschikking van 25 april 2023 (zie hiervoor onder 5.13).
5.15.
[X B.V.] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 31 januari 2025. Het hof Den Haag heeft, mede gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep, aanleiding gezien om het verzoek van [X B.V.] inhoudelijk te behandelen en geen sanctie te verbinden aan het aanvankelijke verzuim van [X B.V.] .
5.16.
Op 15 april 2025 heeft het hof Den Haag een beschikking gegeven [7] . Het hof heeft het verzoek toegewezen ten aanzien van [gedaagde] Holding en [gedaagde] , met dien verstande dat het bedrag van de vordering aanzienlijk lager is begroot dan [X B.V.] had verzocht. [X B.V.] had verzocht om ten laste van [gedaagde] Holding beslag te mogen leggen voor een bedrag van € 2.410.400,00, maar het hof heeft de vordering op [gedaagde] Holding begroot op € 202.020,00. De vordering op [gedaagde] is begroot op € 65.000,00. Het verzoek om beslag te mogen leggen ten laste van [gedaagde] Advies (en de zonen van [gedaagde] ) is afgewezen. Het hof heeft deze uitspraak op 30 april 2025 gepubliceerd. Van dit beslagverlof is geen gebruik gemaakt.
[X B.V.] had melding moeten maken
5.17.
Het valt de rechtbank op dat, hoewel uiteindelijk drie keer beslagverlof is verleend, slechts één keer gebruik is gemaakt van het verlof. Het staat een partij uiteraard vrij om geen gebruik te maken van een verleend beslagverlof, maar in dit geval ontstaat de indruk dat alleen van een verlof gebruik is gemaakt als de uitkomst welgevallig was. [X B.V.] heeft geen beslag gelegd voor haar vorderingen op grond van de managementovereenkomst, ondanks meerdere pogingen om verlof te krijgen, die er ook toe hebben geleid dat twee keer (beperkt) verlof is verleend. Tijdens de zitting heeft [X B.V.] toegelicht dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de verleende verloven, omdat er al beslag ligt voor de vorderingen op basis van de aandeelhoudersovereenkomst. Dat beslag is echter niet door [X B.V.] , maar door [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] gelegd voor vorderingen die niet ook door [X B.V.] zijn ingesteld. Een geloofwaardige reden voor het ongebruikt laten van de beslagverloven is daarin dus niet gelegen. Een andere reden is niet gesteld en ook niet gebleken. Daarmee gaat de rechtbank ervan uit dat de beslagverloven ter zake de managementovereenkomst niet zijn gebruikt met de bedoeling om [gedaagde] c.s. en de rechtbank hiervan onkundig te houden vanwege de voor [X B.V.] onwelgevallige inhoud ervan. Dat is, zeker in combinatie met hetgeen onder i) is en hierna wordt overwogen, in de concrete omstandigheden van het geval strijdig met de goede procesorde en artikel 21 Rv Pro.
5.18.
In de dagvaarding van 12 juni 2025 in de onderhavige procedure is alleen benoemd dat [Y] Holding en [bestuurder Y Holding] , na daartoe verkregen verlof op 12 april 2023, op 18 april 2023 beslag hebben laten leggen voor hun vorderingen gebaseerd op de aandeelhoudersovereenkomst. Dat ook meerdere keren verlof is gevraagd (en beperkt is verleend) voor het mogen leggen van beslag voor de vorderingen van [X B.V.] gebaseerd op de managementovereenkomst, staat niet in de dagvaarding (die een kleine twee maanden na de beschikking van het hof Den Haag van 15 april 2025 is uitgebracht) of in de andere processtukken. [gedaagde] c.s. waren daarvan ook niet op de hoogte. De rechtbank heeft dat bij de voorbereiding van de zitting ambtshalve ontdekt.
5.19.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat zij ambtshalve bekend is geraakt met de aan [X B.V.] verleende beslagverloven (en meer in het bijzonder de beschikking van het hof Den Haag van 15 april 2025). De rechtbank heeft aan [X B.V.] gevraagd waarom zij deze informatie niet zelf heeft gedeeld. Volgens [X B.V.] is dat niet nodig, omdat zij geen gebruik heeft gemaakt van de beslagverloven. Dat argument volstaat in de gegeven omstandigheden niet. Het is juist dat er geen algemene regel is die een partij verplicht om in een procedure melding te maken van een beslagverlof waarvan geen gebruik wordt gemaakt. In de concrete omstandigheden van dit geval had [X B.V.] dat wel moeten doen. Door dat niet te doen, heeft zij in strijd gehandeld met artikel 21 Rv Pro. De rechtbank licht dat hierna toe.
5.20.
Artikel 21 Rv Pro bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Met artikel 21 Rv Pro wordt beoogd het achterhouden van informatie en het verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen. Dit kan meebrengen dat op een partij een mededelingsplicht kan rusten ten aanzien van feiten die voor het eigen standpunt ongunstig zijn, maar wel kunnen bijdragen aan het gelijk van de wederpartij. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van feiten waarvan de procespartij die hiermee bekend is, weet of behoort te weten dat de tegenpartij hiermee niet bekend is of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn [8] .
5.21.
Omdat [X B.V.] geen vervolg heeft gegeven aan de verleende beslagverloven, wist zij dat [gedaagde] c.s. daarvan niet op de hoogte waren. Alleen [X B.V.] had daarvan dus melding kunnen – en in dit geval ook moeten – maken. Sprake is van voor de beslissing relevante feiten. In de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2023 is geoordeeld dat de vordering van [X B.V.] op [gedaagde] Holding excessief voorkwam en is het beslagverlof voor haar in zeer beperkte vorm toegewezen. Voor [gedaagde] en [gedaagde] Advies is het verlof geweigerd. In de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 januari 2025 is het beslagverlof geweigerd omdat artikel 21 Rv Pro was geschonden. Het hof Den Haag heeft vervolgens de vordering van [X B.V.] voorlopig begroot op nog geen 10% van het door haar gestelde bedrag, terwijl het verweer van [gedaagde] c.s. op dat moment niet eens bekend was. Daarbij heeft het hof een vrij uitvoerig gemotiveerd oordeel gegeven over de gestelde overtredingen en gevorderde boetes. Door vervolgens in deze procedure exact dezelfde overtredingen te stellen en de daarmee corresponderende boetes te vorderen, zonder daarbij melding te maken van de beschikking van het hof Den Haag en de eerdere beschikkingen van deze rechtbank, heeft [X B.V.] de rechtbank en [gedaagde] c.s. onvolledig geïnformeerd. Zij heeft gezwegen waar zij had moeten spreken.
5.22.
Ter zitting heeft [X B.V.] aangevoerd dat het geen verschil had gemaakt als zij wel melding had gemaakt van de eerder verzochte en deels verleende beslagverloven. [X B.V.] betoogt dat zij in dat geval nog steeds dezelfde vorderingen tegen [gedaagde] c.s. zou hebben ingesteld. Hoewel dat zo kan zijn, snijdt dat betoog geen hout. Waar het om gaat is dat [X B.V.] , als zij wel melding zou hebben gemaakt, haar vorderingen zou hebben ingesteld met een open vizier en met alle voor de beslissing relevante feiten op tafel. Dat heeft zij niet gedaan.
5.23.
Voor zover [X B.V.] nog heeft bedoeld te betogen dat zij de informatie niet opzettelijk heeft achtergehouden, merkt de rechtbank op dat, wat hier ook van zij, opzet niet is vereist om een schending van de waarheids- of volledigheidsplicht aan te nemen. Het gaat erom of een partij de relevantie van een bepaald feit kende of behoorde te kennen. Zoals hiervoor toegelicht, is dat hier het geval.
5.24.
De rechtbank neemt ten slotte bij dit alles nog in aanmerking dat ook niet is gebleken dat [X B.V.] , toen zij in 2023 en 2025 verzocht om beslag te mogen leggen voor haar vorderingen gebaseerd op de managementovereenkomst, melding heeft gemaakt van de procedure(s) die in Den Bosch werd(en) gevoerd en van het beslag dat toen al was gelegd voor vorderingen op grond van de aandeelhoudersovereenkomst.
5.25.
Conclusie van het voorgaande is dat [X B.V.] in dit geval de op haar rustende waarheids- en volledigheidsplicht heeft geschonden. De rechtbank is, mede in aanmerking genomen wat eerder in dit vonnis is overwogen, van oordeel dat de wijze van procesvoering van [X B.V.] in strijd is met de eisen van de goede procesorde en met artikel 21 Rv Pro. De rechtbank verbindt daaraan de conclusie dat de vorderingen van [X B.V.] moeten worden afgewezen. De waarheidsplicht is door haar verbondenheid met de materiële rechtsverhouding niet zonder inhoudelijke beoordeling te toetsen. Schending van procedurele normen waarvoor een inhoudelijke beoordeling van de zaak nodig is, leiden niet tot niet-ontvankelijkheid maar tot afwijzing van de vordering.
Proceskosten
5.26.
[X B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
16.271,00
in (voorwaardelijke) reconventie
De voorwaarde is vervuld
5.27.
Tijdens de zitting heeft [gedaagde] Holding desgevraagd verklaard dat zij de tegenvorderingen allemaal voorwaardelijk heeft ingesteld. De voorwaarde is dat de rechtbank van oordeel is dat er geen vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen partijen.
5.28.
De rechtbank Oost-Brabant heeft in het vonnis van 30 oktober 2024 gemotiveerd geoordeeld dat er geen definitieve vaststellingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. [gedaagde] c.s. zijn tegen dat oordeel opgekomen in de procedure in hoger beroep bij het hof Den Bosch. Volgens hen is tussen partijen wél een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de onderhavige procedure hebben [gedaagde] c.s. processtukken uit de procedures in Den Bosch overgelegd. Zij verzoeken de inhoud van deze stukken, voor zover het de stellingen over de vaststellingsovereenkomst betreft, als ingelast en herhaald in deze procedure te beschouwen.
5.29.
Door geen concrete stellingen in te nemen, maar slechts te verwijzen naar processtukken uit andere procedures, hebben [gedaagde] c.s. niet voldaan aan de zogenaamde wegwijsplicht. Producties kunnen stellingen ondersteunen, maar niet vervangen. Stellingen moeten voor de rechter en de andere partij helder en toetsbaar zijn en de partij die producties overlegt, moet begrijpelijk maken welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt van die partij. [9] Het enkel overleggen van producties of een enkele verwijzing naar de producties is daarom onvoldoende. Het is niet aan de rechtbank om zelf in de processtukken uit andere procedures te zoeken naar argumenten waarom er wel een vaststellingsovereenkomst zou zijn gesloten tussen partijen.
5.30.
De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagde] c.s. dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst is gesloten. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant op dit punt haar op het eerste gezicht ook niet onjuist voorkomt. Er is dus voldaan aan de voorwaarde, zodat de tegenvorderingen beoordeeld moeten worden.
De eindafrekening is niet tijdig opgemaakt; [X B.V.] is een eenmalige boete verschuldigd
5.31.
In reconventie vordert [gedaagde] Holding onder meer een boete van € 50.000,00, omdat [X B.V.] de eindafrekening van de aan [gedaagde] Holding toekomende vergoeding voor bemiddelingswerkzaamheden niet tijdig zou hebben opgesteld. Deze vordering is toewijsbaar, zoals hierna wordt toegelicht.
5.32.
Artikel 4 van Pro de managementovereenkomst verplicht [X B.V.] om jaarlijks, uiterlijk op 31 januari, een eindafrekening op te stellen. De eerste afrekening, over 2022, had moeten plaatsvinden per 31 januari 2023. Niet in geschil is dat de eindafrekening over 2022 niet tijdig is opgesteld. [gedaagde] Holding heeft op 31 juli 2024 gevraagd om de jaarstukken van [X B.V.] over 2022. Op 17 september 2024 heeft zij stukken, waaronder de eindafrekening over 2022, ontvangen.
5.33.
Op grond van artikel 12 van Pro de managementovereenkomst is een partij die een bepaling van deze overeenkomst niet nakomt als gevolg van een toerekenbare tekortkoming, ten gunste van de benadeelde partij een boete verschuldigd van € 50.000,00 per overtreding (en een boete van € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, waarover hierna meer). [X B.V.] stelt dat zij geen boete verschuldigd kan zijn in verband met het opstellen van de eindafrekening, omdat artikel 4 van Pro de managementovereenkomst niet vermeldt welke partij gehouden is dat te doen. Volgens [X B.V.] kan zij niet toerekenbaar tekort zijn geschoten, omdat in artikel 4 geen Pro duidelijke verplichting voor haar is opgenomen om de eindafrekening op te stellen. De rechtbank volgt haar daarin niet. Het opmaken van de jaarafsluiting is een verplichting van de vennootschap. Dat, zoals [X B.V.] aanvoert, [gedaagde] Holding zelf over de administratie beschikte en desgewenst zelfstandig een eindafrekening had kunnen (laten) opstellen, doet daar niet aan af.
5.34.
[X B.V.] voert verder nog aan dat zij geen boete verschuldigd is, omdat [gedaagde] Holding niet heeft aangetoond dat zij door het ontbreken van een tijdige jaarafrekening enige schade of nadeel heeft geleden. Ook dit verweer slaagt niet. Het lijden van schade of nadeel is geen vereiste voor het verschuldigd worden van een boete op grond van artikel 12 van Pro de managementovereenkomst. Het enkele feit dat de eindafrekening niet tijdig is opgesteld brengt al mee dat [gedaagde] Holding op dit punt als benadeelde partij is aan te merken.
5.35.
Omdat [X B.V.] de eindafrekening te laat heeft opgesteld, is zij dus de eenmalige boete van € 50.000,00 verschuldigd aan [gedaagde] Holding. [X B.V.] heeft bij deze eenmalige boete geen beroep op matiging gedaan.
De voortduringsboetes zijn niet toewijsbaar
5.36.
[gedaagde] Holding vordert voorwaardelijk een bedrag van € 595.000,00. Dit betreft de boete van € 1.000,00 voor iedere dag dat de overtreding heeft voortgeduurd (van 31 juli 2023 tot 17 september 2024 en dus 595 dagen). Deze vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie voortduringsboetes toewijst. Dat is niet het geval. Deze vordering kan daarom zonder inhoudelijke beoordeling worden afgewezen.
5.37.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat, als de voorwaarde wel vervuld zou zijn, het bedrag van € 595.000,00 ook niet toewijsbaar zou zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat beide partijen aanvoeren dat zij, voor zover zij met de voortduringsboete van € 1.000,00 per dag geconfronteerd worden, zij dat in dit geval absurd vinden. Klaarblijkelijk vinden zij de voortduringsboete tot onbillijke uitkomsten leiden. Daarbij komt dat [gedaagde] Holding niet heeft gesteld en ook anderszins niet is gebleken dat er schade is geleden door het niet tijdig opmaken van de eindafrekening. Als aan de beoordeling van deze vordering zou worden toegekomen, zou er dan ook reden zijn om de verbeurde boetes te matigen tot de eenmalige boete van € 50.000,00. [X B.V.] heeft bij de doorlopende boetes ook een beroep op matiging gedaan.
De eindafrekening van € 38.364,11 is toewijsbaar
5.38.
Uit de op 17 september 2024 verstrekte eindafrekening blijkt dat aan [gedaagde] Holding nog een bedrag van € 38.364,11 toekomt. [X B.V.] heeft de hoogte van dat bedrag niet betwist, zodat wordt uitgegaan van de juistheid daarvan.
5.39.
[X B.V.] voert aan dat zij geen vergoeding voor bemiddelingswerkzaamheden meer verschuldigd is aan [gedaagde] Holding. Zij betoogt dat tussen [gedaagde] Holding en [Y] Holding de afspraak bestond dat er minimaal € 30.000,00 op de bankrekening van [X B.V.] moest blijven staan. Als aan het einde van een boekjaar nog sprake was van een te factureren bedrag door één van de betrokken vennootschappen, werd het nieuwe boekjaar gestart met een schone lei. Dat was in dit geval aan de orde en het bedrag van € 38.364,11 is dan ook afgeboekt, aldus [X B.V.] . Dit verweer gaat niet op. De afspraak een liquiditeitsbuffer aan te houden ziet op de situatie dat partijen de samenwerking voortzetten. Dat laat onverlet dat alsnog moet worden afgerekend als de samenwerking eindigt.
5.40.
[X B.V.] voert verder aan dat, als aan [gedaagde] Holding nog een vergoeding toekomt, dat ook geldt voor [Y] Holding en dat dit zal leiden tot liquiditeitsproblemen. Dit argument kan aan de betalingsverplichting van [X B.V.] jegens [gedaagde] Holding niet afdoen.
5.41.
Het verweer van [X B.V.] dat de verschuldigde boete van € 50.000,00 ertoe leidt dat de eindafrekening moet worden aangepast en [gedaagde] Holding (net als [Y] Holding) geen recht meer heeft op een vergoeding, slaagt evenmin. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom de boete van € 50.000,00 die in dit vonnis wordt toegewezen ten laste van het resultaat over 2022 zou moeten komen en dat als gevolg daarvan de vergoeding voor bemiddelingswerkzaamheden zou komen te vervallen.
5.42.
Van schending van de klachtplicht is, anders dan [X B.V.] betoogt, geen sprake. Dat [gedaagde] Holding (pas) op 31 juli 2024 heeft gevraagd om de jaarstukken van [X B.V.] over 2022, rechtvaardigt niet de conclusie dat zij te laat heeft geprotesteerd zoals bedoeld in artikel 6:89 BW Pro. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] Holding onbetwist heeft gesteld dat zij de stukken in juli 2024 heeft opgevraagd om tijdig aangifte voor de inkomstenbelasting over 2022 te kunnen doen.
5.43.
[X B.V.] voert ten slotte nog aan dat, als [gedaagde] Holding recht zou hebben op een vergoeding, deze is verrekend met de verbeurde boetes. De rechtbank begrijpt dit verweer zo, dat [X B.V.] bedoelt de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar te verrekenen. Omdat in conventie geen vorderingen worden toegewezen, kan van verrekening geen sprake zijn.
5.44.
Het bedrag van € 38.364,11 wordt dan ook toegewezen. [gedaagde] Holding maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 31 januari 2023. Omdat geen sprake is van een betalingsverplichting als bedoeld in artikel 6:119a BW, zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen. De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 8 augustus 2024 (één week nadat [gedaagde] Holding de jaarstukken heeft opgevraagd).
De rekeningcourantvordering van € 5.000,00 is niet toewijsbaar
5.45.
[gedaagde] Holding vordert ten slotte een bedrag van € 5.000,00 op grond van de rekeningcourantverhouding met [X B.V.] per 31 december 2021. Deze vordering wordt afgewezen. [X B.V.] voert terecht aan dat, hoewel het betreffende bedrag als vordering van [gedaagde] Holding is opgenomen in de jaarrekening van [X B.V.] over 2020/2021, sprake is van een administratieve momentopname. Volgens [X B.V.] hebben er, tot het moment dat de samenwerking met [gedaagde] (Holding) eindigde (naar aanleiding van het vonnis van 8 maart 2023), nog verrekeningen en boekingen in de rekeningcourantverhouding plaatsvonden. Gelet op dat verweer had het op de weg van [gedaagde] Holding gelegen om haar vordering op dit punt nader te concretiseren en onderbouwen. Zij heeft dat niet gedaan. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.
5.46.
Dat, zoals [gedaagde] Holding stelt, [X B.V.] in 2022 wel de in de jaarrekening vermelde rekeningcourantvordering van [Y] Holding heeft voldaan, maakt het voorgaande niet anders. Dat laat onverlet dat [gedaagde] Holding onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij op dit moment een opeisbare vordering van € 5.000,00 op [X B.V.] heeft op grond van de rekeningcourantverhouding.
Proceskosten
5.47.
[X B.V.] is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] Holding worden begroot op:
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.728,00

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [X B.V.] af,
6.2.
veroordeelt [X B.V.] in de proceskosten van € 16.271,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad,
in (voorwaardelijke) reconventie
6.4.
veroordeelt [X B.V.] om aan [gedaagde] Holding te betalen een bedrag van € 50.000,00,
6.5.
veroordeelt [X B.V.] om aan [gedaagde] Holding te betalen een bedrag van € 38.364,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag, met ingang van 8 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.6.
veroordeelt [X B.V.] in de proceskosten van € 2.728,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
6.9.
veroordeelt [X B.V.] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [X B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.9 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers, mr. J.M.J. Arts en mr. J. Roest en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
1977/1918/3455/2254

Voetnoten

2.Dit vonnis is niet gepubliceerd.
3.Na eisvermeerdering in hoger beroep.
4.De rechtbank had daar voorafgaande aan de zitting al om gevraagd.
5.Deze beschikking is niet gepubliceerd.
6.Deze beschikking is niet gepubliceerd.
8.Hoge Raad 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2162.
9.Hoge Raad 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810.