Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5848

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
11836979 CV EXPL 25-17524
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 7:248 BWArt. 6:96 BWArt. 6:104 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens niet-hoofdverblijf en onderverhuur

Stichting Hef Wonen verhuurde een woning aan [gedaagde 1], die volgens Hef Wonen niet haar hoofdverblijf had in de woning en deze onderverhuurde aan haar broer [gedaagde 2]. Hef Wonen vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De rechtbank stelde vast dat [gedaagde 1] gedurende langere tijd niet in de woning woonde en deze zonder toestemming aan [gedaagde 2] in gebruik had gegeven.

Bewijzen zoals inschrijving op het adres, meldingen, huisbezoeken en bankafschriften ondersteunden dit. [gedaagde 1] kon dit onvoldoende betwisten en gaf aan elders te wonen vanwege familieomstandigheden. De rechtbank oordeelde dat dit de ontbinding rechtvaardigt omdat het toewijzingsbeleid voor sociale huurwoningen werd omzeild.

De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde 2] werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van een huurovereenkomst. [gedaagde 1] werd veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening, betaling van huur en servicekosten vanaf 1 augustus 2025 tot ontbinding, en gebruiksvergoeding daarna tot ontruiming. Ook werden buitengerechtelijke kosten en proceskosten aan haar en [gedaagde 2] opgelegd.

De gevorderde schadevergoeding wegens winst uit onderhuur werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: De huurovereenkomst met de huurder wordt ontbonden en zij wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van huur, kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11836979 CV EXPL 25-17524
datum uitspraak: 10 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam ,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.H. Ruysendaal,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
woonplaats: beiden [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. E.B. Jobse.
De partijen worden ‘Hef Wonen’, en (vanwege dezelfde achternaam) ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 11 augustus 2025, met bijlagen 1 tot en met 17;
  • de aantekeningen van het mondelinge verweer en het op schrift gestelde antwoord, met bijlagen 1 tot en met 3.
1.2.
Op 10 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [naam] (medewerker sociaal beheer) voor Hef Wonen, met [gedaagde 1] en met de gemachtigden. [gedaagde 2] was niet aanwezig.

2.De beoordeling

Kern van de zaak
2.1.
Hef Wonen verhuurt aan [gedaagde 1] de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Volgens Hef Wonen heeft [gedaagde 1] daar een tijdlang niet haar hoofdverblijf gehad en de woning onderverhuurd of in gebruik gegeven aan haar broer [gedaagde 2] . Daarom eist Hef Wonen ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde 1] en, voor zover daarvan sprake is, van de (onder)huurovereenkomst met [gedaagde 2] . Ook eist Hef Wonen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld tot ontruiming van de woning. Deze eisen tegen [gedaagde 1] worden toegewezen. Die tegen [gedaagde 2] niet. De neveneisen tegen [gedaagde 1] worden gedeeltelijk toegewezen, namelijk de betaling van huur en buitengerechtelijke kosten. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Ontbinding huurovereenkomst
2.2.
De huurovereenkomst wordt ontbonden [1] , omdat [gedaagde 1] tekortgeschoten is in de nakoming van verplichtingen uit de huurovereenkomst. Vastgesteld wordt dat [gedaagde 1] gedurende langere tijd niet voldaan heeft aan de verplichting om hoofdverblijf te hebben in de van Hef Wonen gehuurde woning en niet voldaan heeft aan de verplichting om de woning niet zonder toestemming van Hef Wonen te (onder)verhuren of in gebruik te geven aan een ander, in dit geval [gedaagde 2] .
2.3.
Deze conclusie wordt getrokken op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Zo is vanaf 26 januari 2024 [gedaagde 2] ingeschreven op het adres. Ook heeft Hef Wonen in 2024 diverse meldingen ontvangen dat [gedaagde 1] niet in de woning zou wonen. Bij een huisbezoek op 8 juli 2024 opende [gedaagde 2] de deur, maar werden medewerkers van Hef Wonen niet binnengelaten. [gedaagde 1] is uitgenodigd voor een gesprek op 17 juli 2024, waarbij gevraagd is stukken mee te nemen waaruit haar hoofdverblijf blijkt. Het gesprek heeft plaatsgevonden, maar de bedoelde stukken zijn toen niet verstrekt. Aansluitend aan het gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden, waarbij geconstateerd is dat in de woning één matras was en dat er geen persoonlijke spullen van [gedaagde 1] waren. In augustus 2024 heeft [gedaagde 1] bankafschriften aan Hef Wonen verstrekt over de periode van 23 januari tot en met 23 juli 2024. Hieruit blijkt volgens Hef Wonen niet van een leefpatroon van [gedaagde 1] in de nabije omgeving van de woning in die periode, omdat daar toen door haar geen pinbetalingen zijn verricht (wel in [woonplaats] [wijk] en in [plaats 2] ). Ook blijkt er volgens Hef Wonen uit dat in die periode driemaal bedragen van € 600,- bijgeschreven zijn op de bankrekening van [gedaagde 1] afkomstig van [gedaagde 2] met als omschrijvingen ‘huur’ en ‘huur energie en wifi’. De energie-, water- en internetcontracten staan ook op naam van [gedaagde 2] . Tot slot waren er tijdens het huisbezoek van 12 maart 2025 volgens Hef Wonen in de woning vooral persoonlijke spullen van [gedaagde 2] en - op enkele kledingstukken na - geen persoonlijke bezittingen van [gedaagde 1] .
2.4.
Hef Wonen heeft gelet op het voorgaande voldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde 1] langere tijd niet haar hoofdverblijf in de woning heeft gehad en de woning heeft verhuurd of in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde 2] . Het had op de weg van [gedaagde 1] gelegen om het voorgaande gemotiveerd en onderbouwd te betwisten. Dat is niet althans in onvoldoende mate gebeurd. Bevestigd is dat [gedaagde 2] in 2024 de woning ingetrokken is, maar geen onderbouwde uitleg is gegeven dat [gedaagde 1] daar ook woonde in die tijd. Dat blijkt nergens uit. Integendeel, uit wat [gedaagde 1] bij antwoord en ter zitting gezegd heeft lijkt het erop dat zij tot maart 2024 bij haar ex-vriend gewoond heeft en daarna bij haar ouders in [woonplaats] [wijk] dan wel haar werk sliep. Dat draagt meer bij aan de stellingen van Hef Wonen dan dat het deze ontkracht. De kantonrechter begrijpt dat familieomstandigheden tot deze keuze hebben geleid, maar zodoende is wel een situatie gecreëerd waarin het toewijzingsbeleid voor sociale huurwoningen is omzeild, waardoor Hef Wonen en haar kandidaat-huurders die al lang op een wachtlijst staan, benadeeld zijn. De tekortkomingen zijn dan ook ernstig en hebben lange tijd geduurd. Het aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de tekortkomingen de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
2.5.
De kantonrechter komt niet toe aan de voorwaardelijke eis tot ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde 2] . Deze eis is namelijk ingesteld onder de voorwaarde dat geoordeeld wordt dat sprake is van een voortgezette huurovereenkomst tussen Hef Wonen en [gedaagde 2] op grond van artikel 7:269 BW Pro. Die voorwaarde is echter niet vervuld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben namelijk aangevoerd dat zij geen huurovereenkomst hebben gesloten. [gedaagde 2] zou ook al geruime tijd de woning hebben verlaten en doet geen beroep op genoemde bepaling. Onvoldoende kan daarom worden vastgesteld dat sprake is van een voortgezette huurovereenkomst in de zin van genoemde bepaling.
Ontruiming woning
2.6.
Omdat de huurovereenkomst tussen partijen is ontbonden, moet [gedaagde 1] de woning met alle spullen en al diegenen die er verblijven verlaten, dus ook [gedaagde 2] als hij er - in tegenstelling tot wat hierover ter zitting is gezegd door [gedaagde 1] - nog verblijft. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Omdat [gedaagde 1] al een jaar weet dat Hef Wonen wil dat zij de woning verlaat, wordt er geen reden gezien om haar een langere dan de gebruikelijke ontruimingstermijn te gunnen. Gelet op het voorgaande wordt de geëiste veroordeling van [gedaagde 2] tot ontruiming van de woning afgewezen bij gebrek aan belang, nu hij geen (onder)huurder is, hij volgens [gedaagde 1] niet meer in de woning woont en zij, als dat anders is, ervoor moet zorgen dat hij de woning ook ontruimt.
Huur, servicekosten en gebruiksvergoeding
2.7.
Zoals geëist wordt [gedaagde 1] veroordeeld tot betaling aan Hef Wonen van € 496,67 per maand aan huur en servicekosten vanaf 1 augustus 2025 tot aan de datum van ontbinding en hetzelfde bedrag aan gebruiksvergoeding vanaf de datum van ontbinding tot aan de datum van ontruiming [2] . Als [gedaagde 1] de huur en servicekosten in de betreffende periode al betaald heeft, dan hoeft zij dat uiteraard niet nogmaals te doen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels als voor het verhogen van de huur [3] .
Buitengerechtelijke kosten, met rente
2.8.
De buitengerechtelijke kosten van € 462,50 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen [4] . Dat Hef Wonen buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, is redelijk en noodzakelijk geweest, en ook de hoogte van de kosten is redelijk. Het betreft het standaardbedrag aan kosten dat voor vergoeding in aanmerking komt bij een eis van onbepaalde waarde in een kantonzaak. Het bedrag wordt vermeerderd met de rente zoals geëist.
Afwijzing schadevergoeding (afdracht winst)
2.9.
Het door Hef Wonen geëiste bedrag van € 2.311,07 aan schadevergoeding, gebaseerd op de winst die [gedaagde 1] zou hebben genoten [5] , wordt afgewezen. Hef Wonen heeft onvoldoende gesteld dat zij schade - anders dan de buitengerechtelijke kosten - heeft geleden. Bovendien betwist [gedaagde 1] dat sprake geweest is van onderhuur en - voor zover daarover anders wordt gedacht - voert zij aan dat slechts drie althans hooguit zes ontvangen betalingen van [gedaagde 2] aangemerkt kunnen worden als betalingen van huur en kosten. [gedaagde 1] heeft gedurende de gehele periode huur en kosten voor de woning moeten voldoen. Gelet hierop staat niet vast dat [gedaagde 1] inkomsten uit onderhuur genoten heeft over de (gehele) periode van achttien maanden van februari 2024 tot en met juli 2025, waarvan Hef Wonen uitgaat, laat staan dat [gedaagde 1] hiermee € 2.311,07 aan winst gerealiseerd zou hebben.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen [6] . Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk [7] . De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Hef Wonen moeten betalen op € 146,43 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.280,43. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard [8] . Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Hef Wonen en [gedaagde 1] en veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege haar bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om vanaf 1 augustus 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Hef Wonen te betalen € 496,67 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Hef Wonen te betalen € 462,50 aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de veertiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.280,43;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
465

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro
2.Artikel 7:225 BW Pro
3.Artikel 7:248 BW Pro
4.Artikel 6:96 BW Pro
5.Artikel 6:104 BW Pro
6.Artikel 237 Rv Pro
7.Artikel 6:7 BW Pro en Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942
8.Artikel 233 Rv Pro