Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 27 november 2024;
- het bericht van de man van 4 februari 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 17 maart 2025;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 24 april 2025;
- het bericht van de man van 6 februari 2026;
- het bericht van de vrouw van 9 februari 2026;
- het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 13 februari 2026;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 3 maart 2026;
- het verweerschrift op het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 maart 2026;
- het bericht van de man van 5 maart 2026.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2.De vaststaande feiten
- de onderlinge regeling van partijen over de zomervakantieverdeling opgenomen;
- de man verboden om zich te bevinden in de straat waarin de vrouw en de minderjarige wonen, te weten de Brede Hilledijk te Rotterdam, in het gebied begrensd door de Brede Hilledijk, de Sumatraweg, de Maashaven Noordzijde en het Ambonpad te Rotterdam;
- de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat hij na betekening van dit vonnis in strijd handelt met het hiervoor genoemde verbod, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt;
- de vrouw vervangende toestemming verleend om de minderjarige aan te melden voor gesprekken tussen de minderjarige en de orthopedagoog van het wijkteam/Youz;
- de vrouw toestemming verleend om met de minderjarige naar IJsland te reizen en aldaar te verblijven van 17 augustus 2025 tot en met 29 augustus 2025;
- partijen geboden dat zij ervoor zorgdragen dat de minderjarige op de zaterdagen
- bepaald dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarige aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mocht zijn;
- bepaald dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking tot 6 oktober 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres 1] te Rotterdam (hierna: de echtelijke woning);
- de man bevolen, voor zover nodig, met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en hem verboden deze verder te betreden;
- de onderlinge regeling opgenomen die partijen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) hebben getroffen, te weten:
- de man heeft in de even weken de zorg voor de minderjarige van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school;een specifieke vakantie- en feestdagenregeling voor de minderjarige.
- bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage), voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 447,- per maand;
- ten laste van de man aan de vrouw een voorlopige uitkering tot levensonderhoud (hierna: de partnerbijdrage) toegekend van € 564,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
- aan de vrouw vervangende toestemming verleend om de minderjarige met ingang van het nieuwe schooljaar, na de zomervakantie 2026, in te schrijven op basisschool [naam school 1] te Rotterdam en hem uit te schrijven van basisschool [naam school 2] te Rotterdam;
- bepaald dat de vrouw haar medewerking moet verlenen aan het aanvragen van het paspoort door het ID-bewijs van de minderjarige aan de man beschikbaar te stellen;
- bepaald dat het paspoort van de minderjarige door de vrouw wordt bewaard gehouden en dat het ID-bewijs van de minderjarige door de man wordt bewaard.
3.De beoordeling
- dat als het gezamenlijk gezag wordt beëindigd, niet de vrouw maar de man met het eenhoofdig gezag wordt belast;
- dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man wordt bepaald;
- dat de minderjarige zijn huidige school, basisschool [naam school 2] op Katendrecht, blijft bezoeken;
- dat een 50/50-zorgregeling wordt vastgesteld.
- het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat zij het eenhoofdig gezag over de minderjarige heeft;
- een contactregeling vast te stellen, die inhoudt dat de minderjarige bij de man is:
- € 1.805,- per maand van 1 september 2024 tot 1 december 2025;
- € 2.325,- per maand van 1 december 2025 tot 1 september 2026;
- € 1.805,- vanaf 1 september 2026;
management feevan € 150.000,-, omdat partijen daarvan hebben geleefd. De vrouw stelt subsidiair dat moet worden uitgegaan van zijn jaaropgaaf over het jaar 2024, waarop een jaarloon staat genoemd van € 93.761,-, en van een dividenduitkering/eindejaarsbonus van € 15.000,- in 2024 die staat genoemd in de waardeberekening aandelen van [bedrijf X] . De man voert gemotiveerd verweer.
management feekan immers niet één op één als inkomen worden beschouwd. De
management feebetreft een bezoldiging aan een rechtspersoon en niet aan een natuurlijke persoon. Verder is nergens uit gebleken dat partijen hebben geleefd van dit bedrag. Omdat de vrouw zich wel op dit standpunt stelt, had het op haar weg gelegen om dit inzichtelijk te maken maar dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank volgt de vrouw wel in haar subsidiaire standpunt ten aanzien van de jaaropgaaf. Met de dividenduitkering/eindejaarsbonus 2024 zal de rechtbank echter geen rekening houden. De man heeft met een accountantsverklaring voldoende onderbouwd dat deze dividenduitkering is gereserveerd voor bonussen voor het personeel. maar niet voor de man (productie 10). De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaring.
management feevan € 150.000,- wordt om dezelfde redenen die hierboven onder 3.6.12 zijn overwogen, niet gevolgd. Wel constateert de rechtbank net als de vrouw dat de inkomensgegevens van de man over het jaar 2025 ontbreken. Niet is gesteld of gebleken dat de onderneming van de man financieel is verslechterd. Daarom zal de rechtbank het huidige jaarloon van de man bij benadering vaststellen door het jaarloon van de man van € 93.761,- over het jaar 2024 te indexeren naar het jaar 2025. Dat levert een bedrag van (afgerond) € 99.855,- op. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van dit (geschatte) jaarloon op € 5.221,- per maand.
€ 392 +
,onder de voorwaarde dat hij binnen vier maanden (na ontbinding van het huwelijk) de financiering rond heeft, zodanig dat de wederpartij wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
online toolen is ingevuld met een ongemotiveerde en niet met stukken onderbouwde kilometerstand. Dat betekent dat de helft van € 20.000,- moet worden verrekend met de vrouw.
- [rekeningnummer 1] ten name van beide partijen;
- [rekeningnummer 2] ten name van de vrouw;
- [rekeningnummer 3] zilvervloot van de minderjarige;
- [rekeningnummer 4] spaarrekening ten name van de vrouw;
- [rekeningnummer 5] spaarrekening ten name van de vrouw;
- [rekeningnummer 6] spaarrekening ten name van de vrouw;
- Betaalrekening Rabobank [rekeningnummer 7] ; ten name van de man;
- Spaarrekening Rabobank [rekeningnummer 8] ; ten name van de man;
- KNAB-rekening met onbekend nummer.
4.De beslissing
voorlopigeregeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zijn als volgt;
definitievevakantieregeling hebben getroffen, die inhoudt dat:
- tijdens de voorjaarsvakantie is de minderjarige in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- tijdens de meivakantie is de minderjarige:
- op zijn verjaardag is de minderjarige: in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, waarbij geldt dat de minderjarige op de dag van zijn verjaardag vanuit school (of vanaf 14:00 uur) tot de volgende dag naar school (of tot 08:30 uur) bij die ouder zal zijn waar hij volgens de regeling dat jaar op zijn verjaardag is;
- tijdens Sinterklaas is de minderjarige tijdens de oneven jaren bij de vrouw en tijdens de even jaren bij de man, waarbij geldt dat de minderjarige op de dag van Sinterklaas vanuit school (of vanaf 14:00 uur) tot de volgende dag naar school (of tot 08:30 uur) bij die ouder zal zijn waar hij volgens de regeling dat jaar tijdens Sinterklaas is;
- tijdens Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Koningsdag, verjaardag van opa en oma en studiedagen van school is de minderjarige bij de ouder bij wie hij volgens de reguliere of vakantieregeling is;
- tijdens Moederdag is de minderjarige bij de vrouw en tijdens Vaderdag bij de man;
- waarbij de wisselmomenten – tenzij hierboven anders aangegeven – voor en na schooltijd plaatsvinden;
- waarbij de wisselmomenten in de schoolvakanties als volgt zijn:
1 februari 2027 PRO FORMA;
- partijen geven elkaar over en weer inzage in de hoogte van de saldi op de peildatum van 27 november 2024;
- partijen zetten elk hun eigen rekeningen voort;
- de en/of-rekening ten name van beide partijen is of wordt opgeheven;
- positieve saldi worden gelijkelijk tussen partijen verdeeld;
- negatieve saldi worden gelijkelijk door partijen gedragen;
- de lijfrente polis wordt toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde op de datum van feitelijke verdeling minus de daaraan verbonden verbonden AB-claim met de vrouw;
- de man geeft de vrouw inzage in de waarde van de lijfrentepolis op de datum van feitelijke verdeling;
- de man geeft het met de vrouw verdeelde ten aanzien van de lijfrentepolis bij de Belastingdienst op als persoonsgebonden aftrekpost;
- de vrouw geeft het ontvangene ten aanzien van de lijfrentepolis bij de Belastingdienst op als periodieke uitkering;
- bij de berekening van de onder- en overbedelingsvordering wordt rekening gehouden met deze aftrekpost en IB-claim;
- de inboedel is zonder nadere verrekening verdeeld;
- elk van partijen behoudt zijn/haar eigen inboedelgoederen;
- de hypotheekschuld voor de woning aan de [adres 1] van € 124.350,- wordt door partijen gelijkelijk gedragen, dus elk draagt een bedrag van € 62.175,-;
- de hypotheekschuld voor de woning aan de [adres 2] van
- de man voldoet de helft van de door de vrouw betaalde belastingaanslag over het jaar 2024, te weten een bedrag van € 1.758,50;
- de man voldoet de helft van het door de man ontvangen belastingteruggaaf over het jaar 2024, te weten een bedrag van € 1.476,-;
- de woonlasten worden bij helfte tussen partijen gedeeld over de periode 27 november 2024 tot 6 oktober 2025, waarbij onder woonlasten worden verstaan: