ECLI:NL:RBROT:2026:5678

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/5107
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 AwbArt. 16 AOW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bezwaar en toekenning AOW-pensioen met terugwerkende kracht en verrekening

Eiser maakte bezwaar tegen besluiten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) waarbij zijn AOW-pensioen was stopgezet en zijn AIO-aanvulling was ingetrokken, en tegen de toekenning van een AOW-pensioen met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2023. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de besluiten van 21 juli 2021 en 9 september 2021 terecht niet-ontvankelijk is verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

De SVB had de besluiten op het laatst bekende adres van eiser verzonden, en eiser had nagelaten zijn adreswijziging tijdig door te geven. De rechtbank acht de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, ondanks de persoonlijke omstandigheden van eiser na het overlijden van zijn vrouw.

Verder is vastgesteld dat de toekenning van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht van een jaar conform beleidsregels is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een langere terugwerkende kracht rechtvaardigen. De verrekening van een vordering van € 617,40 met de nabetaling van het AOW-pensioen is eveneens terecht, omdat het inkomen van eiser in die maand hoger was dan de beslagvrije voet.

Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M. Zoethout op 20 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de besluiten van de SVB worden bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G. Grijs),
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, de toekenning van zijn AOW-pensioen met terugwerkende kracht van een jaar en de verrekening van een terugvordering op de nabetaling van zijn AOW-pensioen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB eisers bezwaar tegen de besluiten van 21 juli 2021 en 9 september 2021 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat de SVB eiser terecht een AOW-pensioen heeft toegekend vanaf 1 september 2023 en dat de SVB zijn vordering op eiser terecht heeft verrekend met de nabetaling van eisers AOW-pensioen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Met de besluiten van 21 juli 2021 heeft de SVB eisers AOW-pensioen vanaf augustus 2021 stopgezet (primair besluit 1) en zijn AIO-aanvulling opgeschort (primair besluit 2). Met de besluiten van 9 september 2021 heeft de SVB de AIO-aanvulling van eiser met ingang van 21 juni 2021 ingetrokken (primair besluit 3) en de te veel aan eiser betaalde AIO-aanvulling terug- en ingevorderd (primair besluit 4). Met het besluit van 17 oktober 2024 (primair besluit 5) heeft de SVB eiser opnieuw een AOW-pensioen toegekend vanaf 1 september 2023. Daarnaast heeft de SVB het bedrag aan AOW-pensioen dat eiser nog tegoed heeft over de periode van september 2023 tot en met september 2024, na verrekening met een terugvordering van € 617,40, vastgesteld op € 5.949,74.
2.2.
Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 heeft de SVB eisers bezwaar tegen primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen primair besluit 5 ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de rechtbank

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen primaire besluiten 1, 2, 3 en 4
3. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) [1] heeft de SVB aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatste bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het woonadres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
5. De SVB heeft primaire besluiten 1 en 2 op 21 juli 2021 en primaire besluiten 3 en 4 op 9 september 2021 met de juiste tenaamstelling verzonden aan het laatst bekende adres van eiser en daarmee op de juiste wijze bekend gemaakt. Eisers stelling dat de SVB wist of behoorde te weten dat het adres niet langer het woon- en verblijfadres van eiser was, leidt niet tot een ander oordeel. Het ligt op de weg van eiser om de SVB tijdig op de hoogte te stellen van een adreswijzing. De SVB heeft het bezwaar van eiser tegen primaire besluiten 1, 2, 3 en 4 op 7 januari 2025 ontvangen. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was op dat moment inmiddels ruimschoots verstreken.
6. De rechtbank is van oordeel dat op basis van wat eiser heeft aangevoerd niet kan worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Eiser heeft zijn stelling dat hij zijn adreswijziging niet heeft doorgegeven vanwege psychisch onvermogen na het overlijden van zijn vrouw niet nader onderbouwd, dit is dan ook onvoldoende om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Hoewel deze omstandigheid ongetwijfeld een zware belasting zal zijn (geweest) voor eiser blijft het zijn eigen verantwoordelijkheid om de SVB te informeren over zijn actuele woon- en verblijfadres en hoe de SVB hem kan bereiken. Dit heeft hij nagelaten, zodat de termijnoverschrijding eiser kan worden toegerekend. De omstandigheid dat eiser eerder niet werd bijgestaan door (rechts)hulpverleners doet aan het voorgaande niet af. De SVB heeft het bezwaar van eiser tegen primaire besluiten 1, 2, 3 en 4daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Toekenning met terugwerkende kracht
7. Eiser heeft aangevoerd dat het van hardheid zou getuigen om de terugwerkende kracht van het alsnog toegekende AOW-pensioen tot één jaar te beperken, omdat sprake is van een bijzonder geval. Eiser is na het overlijden van zijn vrouw namelijk ernstig in de war geweest.
8. De rechtbank stelt vast dat de betaling van het AOW-pensioen van eiser is stopgezet met ingang van augustus 2021, omdat het voor de SVB niet duidelijk was waar eiser woonde. De SVB heeft zich vervolgens op 20 september 2024 bij de SVB gemeld en aangegeven dat hij zijn AOW-pensioen weer wil ontvangen.
9. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AOW kan, voor zover hier van belang, een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan de eerste dag van de twaalfde maand vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan de SVB hiervan afwijken.
10. Beleidsregel SB1403 van de SVB bepaalt dat als een uitkering meer dan een jaar na de ingangsdatum is aangevraagd, de SVB deze in ieder geval toekent met een terugwerkende kracht van een jaar. In bijzondere gevallen kan de terugwerkende kracht langer zijn. Er is onder meer sprake van een bijzonder geval als de uitkeringsgerechtigde niet op tijd een aanvraag kon indienen door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een uitkeringsgerechtigde aannemelijk maakt dat hij de aanvraag te laat heeft ingediend als gevolg van een geestelijke stoornis, een zware lichamelijke handicap of onvoldoende basisvaardigheden.
11. In het geval van eiser is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op basis waarvan het AOW-pensioen met meer dan een jaar terugwerkende kracht toe te kennen is. De enkele stelling dat eiser na het overlijden van zijn vrouw ernstig in de war is geweest is hiervoor onvoldoende. Het is ook niet gebleken dat eiser niet in staat is geweest om zijn verhuizingen aan de SVB door te geven of te reageren op de telefonische verzoeken die de SVB heeft achtergelaten. De rechtbank is van oordeel dat de SVB eisers AOW-pensioen daarom op goede gronden heeft toegekend met een terugwerkende kracht van een jaar, dus vanaf 1 september 2023.
Verrekening van de vordering van € 617,40 op de nabetaling
De SVB stelt dat eiser in oktober 2024 vanwege de nabetaling een bedrag van € 5.949,74 van de SVB heeft ontvangen. Daarnaast heeft eiser in oktober 2024 ook zijn AOV-pensioen ontvangen van ongeveer € 195,-. Eiser heeft dit niet betwist. De SVB stelt terecht dat eisers inkomen daarmee in de maand van verrekening hoger is geweest dan de voor hem geldende beslagvrije voet. De SVB heeft zijn vordering op eiser dus mogen verrekenen met de nabetaling. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft zijn stelling dat voor de verrekening uit moet worden gegaan van het bedrag van de afzonderlijke maanden waaruit de nabetaling is opgebouwd, niet nader onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1210.