Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5623

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/2809
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 2.1 WhtArt. 6:162 BWArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname private schulden op grond van Wet hersteloperatie toeslagen bevestigd

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van 39 private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister nam veertien schulden over, betaalde twee gedeeltelijk af en wees de rest af. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat sommige schulden voortvloeien uit onrechtmatige daden die aan eiseres kunnen worden toegerekend, zoals overtreding van het samenscholingsverbod en overlast.

Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende rekening hield met haar benarde financiële en psychische situatie en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De rechtbank stelt dat de hardheidsclausule slechts in bijzondere schrijnende omstandigheden kan worden toegepast en dat eiseres onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom dit hier het geval is. Ook is onduidelijk hoe zij de reeds ontvangen compensatie heeft besteed.

Daarnaast zijn andere bezwaren van eiseres, zoals schending van motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en onjuiste vaststelling van opeisbaarheid van schulden, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het griffierecht af en geeft geen proceskostenvergoeding. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de minister om de private schulden volledig over te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2809

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om private schulden van eiseres (volledig) over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet met die weigering eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft de aanvraag om overname van een aantal schulden heeft afgewezen en dat de minister de hardheidsclausule in redelijkheid buiten toepassing mocht laten. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 2 januari 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres om overname van private schulden op grond van de Wht gedeeltelijk afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 13 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 2 januari 2024 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiseres heeft aanvullende stukken overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft een aanvraag ingediend om overname van 39 private schulden. De minister heeft veertien schulden overgenomen, twee schulden voor een deel afbetaald en de aanvraag voor het overige afgewezen.
Onrechtmatige daad
4. Eiseres betoogt dat de minister ten aanzien van een aantal schulden ten onrechte heeft vastgesteld dat deze zouden voortvloeien uit onrechtmatige daad. De minister heeft daarbij onvoldoende rekening gehouden met de benarde situatie van eiseres als gevolg van de toeslagenaffaire en haar psychische problemen.
4.1.
Een geldschuld wordt niet overgenomen als die voortvloeit uit een onrechtmatige daad. [1] Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. [2]
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht vastgesteld dat de schulden aan de Federale Overheidsdienst Financiën, Stichting Havensteder en Service Organisatie Directe Aansprakelijkheid (SODA) voortvloeien uit een onrechtmatige daad die aan eiseres kan worden toegerekend. De schuld aan Federale Overheidsdienst Financiën is het gevolg van een overtreding door eiseres van het vanwege het coronavirus ingestelde samenscholingsverbod in Antwerpen op 23 mei 2021. De schuld aan Stichting Havensteder is ontstaan door het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 3 november 2017, waarin de huurovereenkomst van eiseres is ontbonden in verband met voortdurende ernstige (geluids)overlast door bezoekers van de woning van eiseres. De schuld aan SODA houdt verband met kosten door oponthoud en overlast van eiseres in een supermarkt op 10 september 2015 en 9 oktober 2017. Eiseres heeft onvoldoende toegelicht wat de samenhang is tussen de toeslagenaffaire of haar psychische problemen en de gedragingen die aan het ontstaan van de schulden ten grondslag liggen. Deze gedragingen kunnen daarom aan haar worden toegerekend.
Hardheidsclausule
5. Eiseres betoogt dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Eiseres heeft nog € 27.022,62 aan openstaande schulden. Haar maandelijkse inkomsten bedragen € 3.001,16 en haar maandelijkse vaste lasten zijn € 2.911,06. Daarmee is sprake van structurele financiële nood. Als de minister de schulden niet zou overnemen, zou eiseres volgens haar bewindvoerder moeten worden aangemeld voor een schuldsaneringstraject.
5.1.
Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan de minister afwijken van artikel 4.1 van de Wht. [3] De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. [4]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de hardheidsclausule in redelijkheid buiten toepassing laten. Eiseres heeft € 74.425,- compensatie ontvangen op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Zij heeft geen inzicht verstrekt in de besteding van dit bedrag. De rechtbank kan daarom niet beoordelen in hoeverre sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard als eiseres het compensatiebedrag zou aanwenden om haar schulden af te lossen en zo een schuldsaneringstraject te voorkomen. Het enkele feit dat eiseres maandelijks weinig geld overhoudt, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de minister de voorwaarden voor de overname van geldschulden buiten toepassing had moeten laten. [5]
Overige gronden
6. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat een aantal schulden niet voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, dat het risico van het uitblijven van een reactie door een schuldeiser ten onrechte voor rekening van eiseres komt, dat de minister heeft verzuimd de beslissing te heroverwegen en dat de weigering bepaalde schulden over te nemen in strijd is met het doel van de hersteloperatie. Deze summiere gronden zijn generiek geformuleerd en niet onderbouwd. Zo heeft eiseres niet gespecificeerd op welke schulden zij precies doelt. De rechtbank volstaat daarom met het oordeel dat het betoog van eiseres geen afbreuk doet aan de conclusie dat de minister de aanvraag van eiseres om overname van geldschulden terecht gedeeltelijk heeft afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht.
2.Artikel 6:162, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
4.ABRvS 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:628, r.o. 7.2.
5.Vgl. ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, r.o. 32.