Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5528

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11236528 CV EXPL 24-18779
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 RvArt. 3:44 BWArt. 3:178 BWArt. 3:185 BWArt. 4:6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling verdeling nalatenschap en bewijs schenkingen tussen zussen

De zaak betreft een geschil tussen twee zussen over de nalatenschap van hun vader. Kort voor en na het overlijden van vader heeft een van de zussen geld overgeboekt van de bankrekening van vader naar haar eigen rekening. De eiseres stelt dat deze overboekingen onrechtmatig zijn en eist terugbetaling.

De kantonrechter beoordeelt het bewijs van de schenkingen en de afspraken over vergoeding voor mantelzorg. Voor een bedrag van €1.500,- is geen bewijs van afspraak geleverd, dit wordt als voorschot op de nalatenschap gezien. Voor twee schenkingen van €5.500,- en €8.000,- is wel voldoende bewijs geleverd, maar niet voor een derde schenking van €3.000,-.

De schenking van €3.000,- wordt als onverschuldigd betaald aangemerkt en moet worden terugbetaald met rente. De kantonrechter stelt de verdeling van de nalatenschap vast, waarbij rekening wordt gehouden met de legitieme portie van de eiseres. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.000,- plus rente en €665,76 wegens overbedeling. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.000,- met rente en €665,76 wegens overbedeling; verdeling nalatenschap wordt vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11236528 CV EXPL 24-18779
datum uitspraak: 1 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. J.E. van den Berg-Flikweert,
tegen
[persoon B],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M.C.G. Stut.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 11 april 2025 en de daarin genoemde processtukken;
  • de akte van [persoon B] , met bijlagen 18 tot en met 22;
  • het proces-verbaal van het getuigenverhoor;
  • de antwoordakte van [persoon A] , met bijlagen 21 en 22;
  • de conclusie na getuigenverhoor van [persoon A] ;
  • de conclusie na getuigenverhoor van [persoon B] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak nu nog over?
2.1.
[persoon A] en [persoon B] zijn zussen en ieder voor de helft erfgenaam van hun vader. Tussen [persoon A] en [persoon B] is een geschil ontstaan over zijn nalatenschap. De kantonrechter zal op vordering van [persoon B] de verdeling van de nalatenschap vaststellen. In dat kader moeten de geschilpunten van de zussen worden beoordeeld. Een aantal punten is al beoordeeld in het tussenvonnis van 11 april 2025. Waar het nu nog om gaat, is het volgende.
2.2.
Kort voor het overlijden van vader heeft [persoon B] in totaal € 16.500,- van zijn bankrekening overgeboekt naar haar eigen bankrekening en kort na zijn overlijden nog eens € 1.500,-. [persoon A] stelt dat [persoon B] onrechtmatig heeft gehandeld door zich het geld van vader toe te eigenen dan wel dat er € 18.000,- onverschuldigd aan [persoon B] is betaald. Omdat [persoon B] de overboekingen heeft verzwegen, heeft zij haar aandeel in de gemeenschap verbeurd, vindt [persoon A] . [persoon A] eist daarom [persoon B] te veroordelen om aan haar te betalen € 18.000,- met rente. [persoon B] is het daar niet mee eens. Volgens [persoon B] heeft vader aan haar in totaal € 16.500,- geschonken en hebben zij afgesproken dat [persoon B] een vergoeding van € 1.500,- krijgt voor haar benzinekosten en de mantelzorg die zij aan vader heeft gegeven.
2.3.
In het tussenvonnis van 11 april 2025 is [persoon B] opgedragen haar stellingen over de schenkingen en de afspraak met vader te bewijzen. Ook is in het tussenvonnis bepaald dat [persoon B] de kantonrechter nog informatie moet geven over de bankrekening van vader en de teruggave inkomstenbelasting.
2.4.
Hierna wordt beoordeeld of [persoon B] het bewijs heeft geleverd en wordt beslist hoe de nalatenschap van vader moet worden afgehandeld.
De overboeking van € 1.500,- na het overlijden van vader: geen bewijs van afspraak
2.5.
[persoon B] is niet geslaagd in het bewijs dat zij met vader heeft afgesproken dat zij een vergoeding zou krijgen van € 1.500,- voor haar benzinekosten en de mantelzorg die zij vader heeft gegeven. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter dat oordeelt.
2.5.1.
[persoon B] heeft als getuige verklaard dat haar vader in de maanden voor zijn overlijden meerdere keren tegen haar heeft gezegd dat zij geld moest overmaken naar zichzelf wanneer zij iets voor hem meenam, voor hem had gekocht of benzinekosten had gemaakt en dat zij dan reageerde: ‘Nee, dat komt nog wel.’ Zij heeft ook verklaard dat vader vlak voor zijn overlijden heeft gezegd dat ze alles moest uitrekenen en het bedrag naar zichzelf moest overmaken maar dat zij dit pas na zijn overlijden heeft gedaan.
2.5.2.
Omdat [persoon B] partij is in deze zaak kan haar verklaring over de door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring bedoeld is om onvolledig bewijs aan te vullen (artikel 164 lid Pro 2 (oud) Rv). [1] Van dat laatste is alleen sprake als aanvullend bewijs voorhanden is dat zo sterk is en essentiële punten betreft dat die de verklaring van [persoon B] voldoende geloofwaardig maken. Dat zwaarwegende aanvullende bewijs ontbreekt hier. De andere bewijsmiddelen over de gestelde afspraak zijn de schriftelijke verklaring van [persoon B] (bijlage 18) (waarin zij qua strekking niets meer of anders verklaart dan in haar getuigenverklaring), de getuigenverklaring van [persoon C] (de partner van [persoon B] ) en de getuigenverklaring van [persoon D] (een vriendin van vader). [persoon C] heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat vader een vergoeding aan [persoon B] wilde geven voor ritten en boodschappen en dat [persoon B] dan telkens zei ‘Het is goed zo, ik doe dit voor jou’. [persoon D] heeft verklaard dat zij twee of drie keer heeft meegemaakt dat vader met zijn portemonnee klaar stond toen [persoon B] boodschappen voor hem had gehaald en dat [persoon B] dan tegen vader zei: ‘Dat komt nog wel pa.’ Dat vader en [persoon B] concreet hebben afgesproken dat [persoon B] een vergoeding zou krijgen en hoe hoog die vergoeding zou zijn, blijkt uit niets.
2.6.
Omdat [persoon B] niet is geslaagd in het bewijs, wordt het bedrag van € 1.500,- dat zij heeft ontvangen gezien als voorschot op de uitkering van haar aandeel in de nalatenschap (zie tussenvonnis r.o. 2.22).
De overboekingen van in totaal € 16.500,-: bewijs van schenkingen t.w.v. € 13.500,-
2.7.
[persoon B] is geslaagd in het bewijs dat de overboekingen van € 5.500,- en € 8.000,- schenkingen zijn van vader aan haar. Alleen voor een gestelde schenking van € 3.000,- is geen bewijs geleverd. Dat wordt hierna toegelicht.
2.7.1.
In haar (partij)getuigenverklaring heeft [persoon B] in het algemeen het beeld geschetst dat vader haar financieel wilde helpen met het appartement, dat vader geïnteresseerd was in de verbouwing, met [persoon C] sprak over de kosten daarvan en dat vader geregeld tegen haar zei dat zij geld naar zichzelf moest overmaken. Ook [persoon C] en [persoon D] hebben als getuige verklaard dat vader vrijgevig van aard was en dat hij tegen hen heeft gezegd dat hij [persoon B] financieel wilde helpen met het appartement.
2.7.2.
[persoon B] heeft voorts als partijgetuige verklaard dat vader op de zondagochtend voor zijn overlijden heeft gezegd dat hij wilde dat zij € 5.500,- overmaakte naar zichzelf en dat dit bedoeld was voor het laminaat, dat vader op maandagochtend heeft gezegd dat zij € 8.000,- moest overmaken voor de keuken en dat vader op de ochtend van zijn overlijden tegen haar heeft gezegd dat zij € 3.000,- moest overmaken. Zij weet niet meer precies of vader heeft gezegd dat het bedrag van € 3.000,- voor het laminaat, behang of de gordijnen was. [persoon B] heeft verklaard dat vader telkens met haar meekeek toen zij het geld overmaakte en dat [persoon C] erbij was op het moment dat vader het met haar had over het overmaken van € 5.500,- en € 8.000,-. Daarnaast is [persoon C] gehoord als getuige. Hij heeft verklaard dat vader met hem heeft gesproken over de verbouwing en wat dat ongeveer kostte. Hij heeft ook verklaard dat hij erbij was toen vader tegen [persoon B] zei: “Kom eens. Jij moet nu 5500 euro overmaken voor je vloer. Ik wil jou 5000 euro voor jouw vloertje geven.” [persoon C] heeft verder verklaard dat vader op de maandagochtend voor zijn overlijden zei: “ [persoon C] , ik wil ook iets voor die keuken geven”, dat [persoon C] hem toen heeft gezegd dat die keuken ongeveer 10.000 euro had gekost, dat vader toen aan hem vroeg: “Als ik [persoon B] 8000 euro geef is dat dan genoeg”, waarna [persoon C] hem zei dat dat zeker genoeg was en dat vader vervolgens tegen [persoon B] heeft gezegd dat zij dat bedrag moest overmaken naar zichzelf.
2.7.3.
De getuigenverklaringen van [persoon B] en [persoon C] komen wat betreft de gestelde gang van zaken omtrent de schenking van € 5.500,- op zondag 19 november 2023 overeen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [persoon C] te betwijfelen. Het gevraagde bewijs is daarmee geleverd. Van de kant van [persoon A] is geen overtuigend tegenbewijs ingebracht. Dat, zoals [persoon A] naar voren heeft gebracht, [persoon B] heeft gesteld dat zij vader heeft geïnformeerd over de kosten terwijl [persoon C] heeft verklaard dat hij op verzoek van vader uit het hoofd een inschatting heeft gemaakt van de kosten, waarna vader dat bedrag meteen heeft genoemd tegenover [persoon A] , betekent nog niet een inconsistentie die afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Zowel [persoon A] als [persoon C] kunnen vader (op verschillende momenten) hebben geïnformeerd over de kosten van de vloer. Het een sluit het ander niet uit.
2.7.4.
De getuigenverklaringen van [persoon B] en [persoon C] komen ook overeen wat betreft de gang van zaken omtrent de gestelde schenking van € 8.000,- op maandag 20 november 2023. De kantonrechter ziet ook hier geen aanleiding om de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [persoon C] te betwijfelen. [persoon A] heeft in haar conclusie na getuigenverhoor weliswaar gewezen op inconsistenties met de reeds overgelegde stukken, de ingenomen stellingen en de (getuigen)verklaring(en) van [persoon B] en van [persoon C] , maar de kantonrechter ziet hetgeen [persoon A] noemt niet als inconsistenties die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [persoon C] (en van [persoon B] ). Deze kunnen ook verklaard worden door het tijdsverloop.
2.7.5.
[persoon A] heeft nog aangevoerd dat voor het eerst in het getuigenverhoor naar voren is gekomen dat [persoon C] op maandagochtend met [persoon B] bij vader was toen vader het grootste bedrag aan [persoon B] zou hebben geschonken. Zijn aanwezigheid wordt niet vermeld in de schriftelijke verklaringen van [persoon B] en [persoon C] . Zelfs dat [persoon A] zélf op maandagochtend bij vader was, volgt volgens [persoon A] nergens uit. Zij heeft er verder op gewezen dat in de rittenregistratie van [persoon B] alleen wordt vermeld dat zij op maandag in de avond bij vader was en dat dit ook volgt uit het logboek van stichting Humanitas (bijlage 18 van [persoon B] ). De kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat in de schriftelijke verklaringen niets wordt vermeld over aanwezigheid van [persoon C] op maandagochtend bij vader, nog niet betekent dat hij er niet was en dat hij daarover in zijn getuigenverklaring moet hebben gelogen. In zijn schriftelijke verklaring refereert [persoon C] er wel aan dat het schenken van de overige bedragen op dezelfde manier is gegaan als het schenken van € 5.500,-. Tijdens het getuigenverhoor heeft [persoon C] verklaard waarom hij in afwijking van het gebruikelijke bezoekmoment in het weekend op een maandagochtend bij vader was: hij was die zondagnacht bij [persoon B] in haar appartement blijven slapen omdat zij samen spullen van vader naar de kringloop en de stort zouden brengen op maandag. Dat in de rittenregistratie en in het logboek van stichting Humanitas niet staat of [persoon B] in de ochtend bij vader was, betekent niet dat zij er niet was.
2.7.6.
Volgens [persoon A] is het onmogelijk of zeer onwaarschijnlijk dat vader op zondag en maandag überhaupt een beslissing over een schenking heeft kunnen nemen, omdat hij toen al niet meer aanspreekbaar was en hallucineerde door medicatie. Zij heeft in dit verband gewezen op het eerder overgelegde tekstbericht van [persoon D] aan een andere vriendin van maandag 20 november 2023 (bijlage M3) en op het tekstbericht van [persoon B] aan nichtje [persoon E] (de dochter van [persoon A] ) van dinsdag 21 november 2023 (bijlage M21). In het tekstbericht van [persoon D] staat dat vader praktisch de hele dag slaapt, hallucineert van de prednison en dat echt communiceren niet meer gaat. In het tekstbericht van [persoon B] aan [persoon E] op dinsdag staat dat vader sinds gisteren alleen nog maar op bed ligt en veel slaapt, maar wel nog wat wakkere momenten had. Uit deze tekstberichten kan niet worden afgeleid dat het vanwege de toestand van vader feitelijk onmogelijk was om aan [persoon B] aan te geven dat hij haar een bepaald bedrag wilde geven en dat zij dat moest overmaken van zijn naar haar bankrekening; in het tekstbericht van [persoon B] staat immers dat er ook nog wakkere momenten waren.
2.7.7.
[persoon B] heeft geen bewijs geleverd voor de gestelde schenking van € 3.000,- op dinsdag 21 november 2023. Dat kan niet worden bewezen met de enkele verklaring van partijgetuige [persoon B] (artikel 164 lid Pro 2 (oud) Rv) en aanvullend bewijs hiervoor ontbreekt.
De schenkingen worden niet vernietigd
2.8.
De schenkingen van € 5.500,- en € 8.000,- worden niet vernietigd. Hoewel de schenkingen niet in een eerder stadium zijn gedaan zoals [persoon B] aanvankelijk heeft gesteld (vgl. tussenvonnis r.o. 2.19), zijn er geen concrete aanwijzingen door [persoon A] gesteld waaruit moet worden afgeleid dat de schenkingen tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden. Het enige dat [persoon A] hier voor aandraagt is het tekstbericht van [persoon D] van maandag 20 november 2023 over de toestand van vader. Alleen dat is onvoldoende om aan te nemen dat [persoon B] wist of moest begrijpen dat vader door bijzondere omstandigheden werd bewogen om een bedrag aan [persoon B] te geven en het tot stand komen van die schenking heeft bevorderd terwijl zij wist of moest begrijpen dat zij vader daarvan zou hebben behoren te weerhouden. Het beroep van [persoon A] op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW Pro) wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.
[persoon B] heeft haar aandeel in € 3.000,- verbeurd; zij moet € 3.000,- betalen aan [persoon A]
2.9.
Omdat [persoon B] niet volledig is geslaagd in het bewijs van de gestelde schenking van € 3.000,-, staat vast dat er geen rechtsgrond was voor het overboeken van dat bedrag van de bankrekening van vader naar haar eigen bankrekening, waardoor een vordering van de nalatenschap op [persoon B] is ontstaan van € 3.000,-. Zij heeft deze vordering opzettelijk verzwegen en daarmee haar aandeel in die vordering verbeurd aan [persoon A] (zie tussenvonnis r.o. 2.18). [persoon B] heeft in de conclusie na getuigenverhoor haar standpunt over het verbeuren (nogmaals) toegelicht, maar dat was niet de bedoeling. De kantonrechter heeft al op dit punt beslist in het tussenvonnis. De stellingen van [persoon B] in bedoelde processtuk blijven dan ook buiten beschouwing. [persoon B] zal dit gehele bedrag moeten betalen aan [persoon A] . Het verbeuren heeft verder tot gevolg dat het bedrag van € 3.000,- niet meer tot de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] hoort; dit bedrag zal dan ook niet bij de verdeling van de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] worden betrokken. [2] Het bedrag moet wel worden betrokken bij het berekenen van de legitieme portie.
2.10.
De kantonrechter wijst de primaire vordering van [persoon A] aldus toe dat [persoon B] wordt veroordeeld om € 3.000,- aan [persoon A] te betalen met rente vanaf 21 november 2023.
De verdeling van de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A]
2.11.
De kantonrechter zal op vordering van [persoon B] de verdeling van de gemeenschap tussen haar en [persoon A] inzake de nalatenschap van vader vaststellen (artikel 3:185 jo Pro 3:178 BW). Daarbij heeft de kantonrechter een grote discretionaire bevoegdheid.
2.12.
De omvang van de gemeenschap is € 6.331,03. Dat is als volgt berekend:
- saldo bij opheffing bankrekening [3] € 483,03
  • uitgekeerd voorschot [persoon A] € 3.542,-
  • uitgekeerd voorschot [persoon B] € 1.500,-
  • opbrengst inboedel € 300,-
  • teruggave inkomstenbelasting
€ 6.331,03
Op het moment dat vader overleed bedroeg het saldo van zijn bankrekening € 2.309,90. Kort hierna is € 1.500,- overgemaakt naar [persoon B] , waarna het saldo € 809,90 bedroeg. Na verwerking van de nagekomen baten en lasten was het saldo op 4 februari 2024 € 4.214,63 (bijlage M2). Op 5 februari 2024 is daarvan € 3.542,- overgeboekt naar [persoon A] als voorschot op haar erfdeel, daarna is nog een nagekomen last van € 189,- (Eneco) afgeschreven en tot slot is het restantsaldo van € 483,63 overgeboekt naar de bankrekening van [persoon B] (bijlage 21). De uitgekeerde voorschotten worden naast het slotsaldo van de bankrekening meegerekend bij het bepalen van de omvang van de gemeenschap.
2.13.
[persoon B] heeft ontvangen het restantsaldo van de bankrekening ad € 483,03, de opbrengst van de inboedel ad € 300,-, de teruggave inkomstenbelasting ad € 506,- en een voorschot op haar erfdeel ad € 1.500,-. Dat is in totaal € 2.789,03. [persoon A] heeft ontvangen € 3.542,- als voorschot op haar erfdeel. Hiermee is de gemeenschap tussen [persoon A] en [persoon B] feitelijk verdeeld. De verdeling wordt aldus vastgesteld. Hierna wordt besproken in hoeverre een van de twee is overbedeeld.
2.14.
[persoon A] en [persoon B] hebben in beginsel als de enige twee erfgenamen van vader recht op de helft van de gemeenschap van € 6.331,03 en dus elk op € 3.165,52. [persoon A] heeft echter een beroep gedaan op haar legitieme portie (artikel 4:64 BW Pro).
2.14.1.
Om te kunnen vaststellen hoe hoog die legitieme portie is, moet eerst de legitimaire massa worden vastgesteld (artikel 4:65 BW Pro). Deze wordt vastgesteld op € 22.831,03 en als volgt berekend:
  • de omvang van de gemeenschap als hiervoor onder 2.12 berekend € 6.331,03
  • de vordering van de nalatenschap op [persoon B] € 3.000,-
  • de giften aan [persoon B]
€ 22.831,03
2.14.2.
Hoewel de vordering van de nalatenschap op [persoon B] ad € 3.000,- niet wordt betrokken in de verdeling omdat deze door het verbeuren van het aandeel van [persoon B] geen deel meer uitmaakt van de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] , wordt die wel betrokken in de berekening van de legitimaire massa. De legitimaire massa wordt immers berekend op basis van de waarde van de goederen van de nalatenschap onmiddellijk na het overlijden (artikel 4:6 en Pro 4:65 BW). De bedragen die vader in het verleden aan [persoon A] heeft gegeven (bijlage M19) worden niet meegerekend in de berekening van de legitimaire massa, omdat deze op basis van het gevoerde partijdebat worden gezien als gebruikelijke en niet-bovenmatige giften (artikel 4:69 lid 1 sub b BW Pro). Het gaat om vijf giften over vier jaar van in totaal € 1.650,-. et gHet Verder zijn er geen relevante giften van vader aan [persoon A] (zie ook tussenvonnis r.o. 2.20).
2.14.3.
De legitieme portie van [persoon A] bedraagt de helft van de legitimaire massa gedeeld door twee, omdat er twee erfgenamen zijn (artikel 4:64 lid 1 BW Pro). De legitieme portie van [persoon A] bedraagt dus € 5.707,76.
2.15.
Om de vordering van [persoon A] als legitimaris te berekenen, moet aan de legitieme portie worden toegerekend hetgeen zij krachtens erfrecht verkrijgt (artikel 4:71 BW Pro). Dat is € 3.165,52 (haar aandeel in de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] ) plus € 1.500,- (haar aandeel in de vordering van de nalatenschap op [persoon B] ), in totaal € 4.665,52. [persoon A] heeft als legitimaris dus een vordering van € 1.042,24 (artikel 4:80 lid 2 BW Pro). Die vordering kan worden voldaan door het versterferfdeel van [persoon B] (die geen legitimair tekort heeft vanwege de giften van in totaal € 13.500,-) in te korten met dat bedrag. Uit de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] inzake de nalatenschap van vader komt dan toe aan [persoon A] € 4.207,76 (€ 3.165,52 plus € 1.042,24) en aan [persoon B] € 2.123,28 (€ 3.165,52 minus € 1.042,24).
2.16.
[persoon A] heeft reeds ontvangen € 3.542,-, maar zij verkrijgt uit de gemeenschap € 4.207,76. [persoon B] heeft reeds ontvangen en aan haar wordt toegedeeld € 2.789,03, maar zij verkrijgt € 2.123,28. Daarom moet [persoon B] aan [persoon A] vanwege overbedeling € 665,76 voldoen.
Conclusie
2.17.
De primaire vordering van [persoon A] wordt slechts toegewezen tot een bedrag van € 3.000,- met rente. Op vordering van [persoon B] wordt de verdeling van de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] vastgesteld, waarbij [persoon B] in verband met de legitieme portie van [persoon A] wegens overbedeling wordt veroordeeld om € 665,76 te betalen aan [persoon A] . Omdat de verdeling in dit vonnis wordt vastgesteld, is er over de overbedelingsvordering nog geen rente gaan lopen.
Proceskosten
2.18.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen omdat zij zussen zijn (artikel 237 lid 1 Rv Pro). Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.19.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [persoon B] om aan [persoon A] te betalen € 3.000,- met rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 21 november 2023;
3.2.
stelt de verdeling van de gemeenschap tussen [persoon B] en [persoon A] inzake de nalatenschap van vader vast als in r.o. 2.13 omschreven;
3.3.
veroordeelt [persoon B] om aan [persoon A] wegens overbedeling te betalen € 665,76;
3.4.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
34286

Voetnoten

1.Op basis van het overgangsrecht bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 164 lid 2 Rv Pro van toepassing zoals deze gold vóór 1 januari 2025; deze zaak is gestart vóór die datum.
2.HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:420.
3.Alle niet nader omschreven nagekomen baten en lasten zijn in dit saldo verwerkt.