Uitspraak
1.Tenlastelegging
2.Ontvankelijkheid van de officieren van justitie
nietopzettelijk is begaan, betreft het een overtreding. Gelet op de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld, wordt [naam bedrijf] impliciet subsidiair een overtreding van artikel 10.60 lid 2 Wm verweten. De verjaringstermijn voor alle overtredingen beloopt op grond van artikel 70, lid 1, aanhef en onder 1° van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) drie jaar.
3.Bewijs
waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen’. Van ondergeschikt belang voor de vraag of sprake is van een afvalstof is dus de feitelijke chemische opmaak van de stof in kwestie, alhoewel dit wel een aanwijzing kan vormen dat de houder zich van die stof wil ontdoen. Voor de vraag of de houder zich van het mengsel heeft ontdaan speelt met name de bedoeling van deze houder met betrekking tot het mengsel een centrale rol. Bij de beantwoording van deze vraag zijn de volgende punten van belang.
nietgesteld kan worden dat het een last betrof waarvan [medeverdachte rechtspersoon] zich wilde ‘ontdoen’ in de zin van de EVOA.
“(…) dat het begrip afvalstof volgens vaste rechtspraak niet aldus moet worden opgevat dat het stoffen of voorwerpen uitsluit die een commerciële waarde hebben of voor economisch hergebruik geschikt zijn”.Het enkele feit dat het mengsel veel waard was, is dus niet doorslaggevend.
zekermoet zijn, en dat voorafgaand aan dit hergebruik geen handeling van nuttige toepassing zoals beschreven in Bijlage II van richtlijn 2006/12 (de Kaderrichtlijn afvalstoffen, inmiddels vervangen door richtlijn 2008/98) behoeft te worden benut (r.o. 53). Voortbouwend op dit arrest is in het Tronex-arrest (HvJ EU 4 juli 2019, C624/17) bepaald dat hergebruik ‘zonder voorafgaande bewerking’ inderdaad een relevant criterium is om te beoordelen of een stof een afvalstof is (r.o. 23). Dit hergebruik moet echter wel ‘overeenkomstig’ het ‘oorspronkelijke doel’ van de stof zijn (r.o. 35). Daarnaast is het aan de houder van de stof om aan te tonen dat dit hergebruik zeker is (r.o. 40). Indien dat juridische kader wordt toegepast op de onderhavige zaak geldt het volgende.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
5.Straf
6.Wettelijke voorschriften
.
7.Beslissingen
geldboete van € 50.000,-.