De burgemeester van Nissewaard sloot op 20 november 2025 de woning van eiser voor drie maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet. Na een eerdere voorlopige voorziening die de sluiting tijdelijk opschortte, verklaarde de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond en matigde de sluiting tot zes weken, waarvan nog drie weken restten.
Eiser betwistte de noodzaak van de sluiting, stellende niet op de hoogte te zijn van de drugs in zijn woning en dat zijn dakloze neef verantwoordelijk was. Ook voerde hij aan dat de sluiting onevenredig was vanwege de impact op zijn gezin en de belangen van zijn minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en dat de noodzaak van de sluiting bleef bestaan, mede gelet op de eerdere vondst van een forse hoeveelheid harddrugs en een wapen.
Hoewel de burgemeester aanvankelijk onvoldoende had gemotiveerd waarom de sluiting nog steeds noodzakelijk was, werd dit motiveringsgebrek tijdens de zitting hersteld. De belangenafweging, waarbij ook de belangen van de kinderen werden meegewogen, leidde tot de conclusie dat de sluiting evenwichtig was. De voorzieningenrechter wees het beroep af, hief de schorsing op en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.