In deze zaak hebben partijen gezamenlijk verzocht om voor recht te verklaren dat de overeenkomsten tussen Zorgmaatje aan Huis en de zorgmaatjes kwalificeren als overeenkomsten van opdracht en niet als arbeidsovereenkomsten. Dit verzoek vloeit voort uit de onduidelijkheid in de rechtspraak en recente uitspraken van de Hoge Raad over de kwalificatie van dergelijke overeenkomsten.
De kantonrechter heeft eerst vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. De zorgmaatjes zijn via raamovereenkomsten en individuele opdrachtovereenkomsten verbonden aan Zorgmaatje aan Huis, waarbij zij zelfstandig en zonder directe aansturing werkzaamheden verrichten voor cliënten. De zorgmaatjes bepalen zelf hun werktijden, kunnen opdrachten accepteren of weigeren, en mogen zich laten vervangen. De beloning is een vast uurtarief per daadwerkelijk gewerkt uur, zonder doorbetaling bij ziekte of vakantie.
Vervolgens heeft de kantonrechter de kenmerken van de overeenkomsten getoetst aan de criteria uit het Deliveroo-arrest, waaronder de aard en duur van de werkzaamheden, de mate van autonomie, de inbedding in de organisatie, en het commerciële risico. De zorgmaatjes werken op basis van losse, tijdelijke opdrachten, hebben veel vrijheid in de uitvoering, en lopen zelf financieel risico. Er is geen gezagsverhouding zoals bij een arbeidsovereenkomst.
De holistische weging van alle omstandigheden leidt tot de conclusie dat er geen arbeidsovereenkomst bestaat tussen partijen, maar een overeenkomst van opdracht. Het voorwaardelijke verzoek om te kwalificeren als uitzendovereenkomst behoeft geen beoordeling. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De beschikking is gegeven door kantonrechter F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.