Eiser werd op 11 november 2024 staandegehouden met een ademalcoholgehalte van 635 µg/l. Het CBR legde hem een onderzoek naar zijn alcoholgebruik op, omdat hij onvoldoende Nederlands spreekt om een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) te volgen. Eiser betoogde dat dit onderscheid verboden discriminatie is en in strijd met het Handvest van de grondrechten van de EU.
De rechtbank stelt vast dat het CBR op goede gronden het onderzoek heeft opgelegd en dat het doel van de regeling, het bevorderen van verkeersveiligheid, legitiem is. Het onderscheid tussen personen die wel of niet de Nederlandse taal beheersen is objectief en redelijk gerechtvaardigd, mede vanwege praktische uitvoerbaarheid.
De rechtbank weegt ook de extra kosten en tijdsbesteding af en concludeert dat het onderzoek minder tijd kost dan de EMA en dat het preventieve karakter in het individuele eindgesprek aanwezig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.