4.1.2.Namens verzoeker is toegelicht dat hij erkent dat hij de situatie tijdens het incident anders had kunnen aanpakken. Volgens verzoeker was geen sprake van een serieus gevaar dat de oplegging van het huisverbod rechtvaardigt en zijn er op dit moment geen aanknopingspunten dat verzoeker nog langer een gevaar vormt voor achterblijfster en de minderjarigen. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij bereid is mee te werken aan het maken van de afspraken. De reden dat verzoeker eerder niet is verschenen bij de afspraken met de hulpverlening, is volgens verzoeker omdat hij geen toegang heeft tot brieven en zijn DigiD. Verder is namens verzoeker bepleit dat geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt, omdat hij aan zijn lot is overgelaten en hij geen netwerk heeft om op terug te vallen, terwijl achterblijfster wel gebruik kan maken van een netwerk van familie en vrienden.
4.1.3.De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
4.1.4.Uit de stukken blijkt dat ten tijde van de oplegging sprake was van gevaar. Na het incident trof de politie het huis aan met vernielingen, waarvan verzoeker niet heeft weersproken dat hij deze vernielingen – onder invloed van drugs – heeft aangebracht. De jonge minderjarige kinderen van verzoeker en achterblijfster waren aanwezig in de woning. Vanwege het gevaar, dat op dat moment aanwezig was, was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Ook heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid. De door verzoeker gestelde omstandigheden en ook anderszins bij verweerder bekende omstandigheden zijn betrokken. Zo heeft verweerder meegewogen wat verzoeker heeft aangedragen en wat is geconstateerd op het moment van het incident, zoals dat verzoeker is weggereden in een bus, waarin hij kan overnachten. Verzoeker heeft zijn beroepsgrond niet nader geconcretiseerd. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de belangen van verzoeker dan minder zwaar wegen dan de belangen van achterblijvers.
4.1.5.Omdat geen gesprek heeft plaatsgevonden en geen afspraken zijn gemaakt, was het gevaar op het moment van de verlenging van het huisverbod nog aanwezig. Op 31 maart 2026, een paar dagen voor de verlenging van het huisverbod, stond een gesprek tussen verzoeker en Veilig Thuis gepland. Verzoeker is niet bij dit gesprek verschenen. Veilig Thuis heeft verzoeker wel telefonisch kunnen bereiken en blijft proberen met verzoeker in gesprek te komen. Verweerder was dus bevoegd het verlengingsbesluit te nemen en heeft ook in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Verzoeker heeft onvoldoende aangevoerd welke belangen verweerder niet bij zijn afweging heeft betrokken. De gronden van verzoeker lijken vooral gericht tegen de conclusie van de belangenafweging, waarmee verzoeker het niet eens is. De voorzieningenrechter toetst deze inhoudelijke weging terughoudend en ziet niet waarom verweerder een andere afweging had moeten maken.
4.1.8.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Aldus gedaan door mr. S. Wierink, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, en door deze en mr. S.P. van Driel, griffier, ondertekend.
De griffier: De voorzieningenrechter:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan als beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Wet tijdelijk huisverbod (Wth)
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.
Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wet tijdelijk huisverbod betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.